The ones blessing

Often people say God is the Only One Who Saves and Who blesses. Many trinitarians therefore also say the Jesus must be God because Jesus is the Saviour. First of all they do forget that many people can save other people, animals and plants, though those firefighters, surgeons, medics, animal protectors are not God. Secondly they also forget that in many religious institutions there are priests who are accepted to give blessings and to give forgiveness of sins.

Several people may question then the role of the priest when he can do nothing in the Name of God. Others may ask

If the priest who delivers blessing to the people isn’t the ultimate source of that blessing, what is her/his role?
And what does conveying or sharing blessings with or to another person even mean?

A pair of teachings, both found in Midrash Tanhuma, aim to answer the first question.

It does not suit My dignity that I should have to bless My creatures [Myself]. Rather, I am handing the blessings over to Abraham and to his progeny, and so, whosoever they bless, I will back up his blessing, as it is written: “and be a blessing.” (Genesis 12:2) [Midrash Tanhuma, V’zot ha’Berakha 1]

When we read between the lines of the Torah we also may find how God requires Abraham to take care for God’s People and to make sure they can be blessed. In the set apart Scriptures we also do find requests from god to bring over blessings to others.

And it came to pass, [on the day that Moses had made an end of setting up the tabernacle] – the Holy One, blessed be He, said, “In this world, I commanded Aaron and his sons to bless them, but in the future, I, in My glory, will bless them, as it is written, ‘YHWH bless thee out of Zion; even He that made heaven and earth.’” (Psalm 134:3) [Midrash Tanhuma, Naso 18]

Similarly, Midrash Tanhuma explains the role of the priest.

“In this way you shall bless” (Numbers 6:23) – Speak [amor] to them [using the ‘full’ spelling, i.e. with a vav], thus meaning: Say to them, to the priests, that just because I have told you to bless the people Israel, this does not imply that you may bless them begrudgingly or hastily [b’angaria u’v’vehilut]; rather, you should bless them wholeheartedly, so that the blessings have power for them; and thus is it written amor lahem, using the ‘full’ spelling. [Tanhuma Buber, Naso 18]

“Speak to Aaron and his sons: Thus shall you bless the people of Israel. Say to them: The Eternal bless you and protect you! The Eternal deal kindly and graciously with you! The Eternal bestow [divine] favor upon you and grant you peace!” (Numbers 6:23–26 TMC-E)

In pronouncing God’s favour on the people, we also find in several writings that the priest was to use a formula or blessing. Also do we find that the Elohim shall bless those who bless;

“I will bless those who bless you, and I will pronounce doom on those who curse you; through you all the families of the earth shall be blessed.””
(Genesis 12:3 TMC-E)

In the past people made use of that opportunity to bless others.

“‘Bring me game and make me tasty dishes, that I may eat—and [then] bless you before the Eternal before my death.’”
(Genesis 27:7 TMC-E)

“Let peoples serve you, nations bow down to you. Be a ruler to your brothers, and let your mother’s sons bow down to you. May those who curse you be cursed; may those who bless you be blessed.””
(Genesis 27:29 TMC-E)

“bestowing this blessing upon Rebekah: “Sister, may you become thousands of myriads; may your descendants take possession of the gates of their foes!” Rebekah and her servant girls got up and mounted the camels and followed the man, as the slave took Rebekah and went off.”
(Genesis 24:60–61 TMC-E)

Like in ancient time children asked their parents blessing, those responsible of others still should give blessings to those which they should protect. At the same time we too should ask our parents and God the Father their blessings.

“When Esau heard his father’s words, he broke into an exceedingly loud and bitter howl and said to his father, “Bless me! Me too, Father!””
(Genesis 27:34 TMC-E)

“And Joseph said to his father, “They are my sons, whom God has given me here.” He [Jacob] said, “Bring them to me, pray, that I may bless them.””
(Genesis 48:9 TMC-E)

In those text we also read that people could bow down for others, this not meaning that they would worship that person. Lots of trinitarians say because Jesus did not resist when a person bowed his head before Christ that this meant that Jesus wanted to be honoured as the God and did not refuse that people worshipped him. But the bowing down before some one has not to mean that one worships that person. It is a matter of showing respect.

 

By facing one another and desiring goodness for one another with a full heart, we get to bring a bit of Divine goodness into the world. Priests had to be and still should be partners with God to draw down goodness. Lots of people forget that in this present age all believers in God are all priests.

To bless one another is to increase the flow of love and compassion in the world. No wonder birkat kohanim is (perhaps) our oldest and most beloved prayer!

“And may God Almighty bless you, and make you fruitful and numerous, so that you become a host of peoples,”
(Genesis 28:3 TMC-E)

That you may go out into the world blessing others!

Be safe and take care of yourself and others,
Being blessed and blessing in the Name of God, so that the Name of the elohim be mentioned and He will come to you and bless you.

“Make for Me an altar of earth and sacrifice on it your burnt offerings and your sacrifices of well-being, your sheep and your oxen; in every place where I cause My name to be mentioned I will come to you and bless you.”
(Exodus 20:21 TMC-E)

 

+++

Related

  1. Blessing
  2. The Wise Father’s Possession
  3. Pray Faith Filled Solutions!
  4. Tuesday: Morning Prayer
  5. As to the Lord
  6. God Rejoices Over You!
  7. His Voice
  8. The Power of Blessing: 24 Word Blessing Birthed A Nation

Fundamenten van het Geloof 6: Beproeving van het geloof

Gelooft u het getuigenis van God, zijn Zoon en zijn dienaren?

Wanneer wij een apparaat kopen, proberen wij dat uit; want we willen weten of het voldoet aan onze verwachting.
God doet iets dergelijks, door allen die zeggen dat zij Hem geloven, te beproeven, om zo aan het licht te brengen of zij menen wat zij zeggen. Want geloven is niet iets vaags en vrijblijvends, maar actief, werkend door liefde voor God en mensen. Ook stelt de mens niet zelf de criteria vast voor wat geloof is. God vraagt een door Hem bepaald geloof. Alleen wie dat geloof toont, komt in aanmerking voor het eeuwige leven dat Hij aanbiedt. De Here Jezus vroeg zich eens af:

“… als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?” (Lucas 18:8)

Het zou daarom goed zijn wanneer wij regelmatig ernstig bij ons zelf onderzochten, door de Bijbel goed te lezen en te bidden tot God, of het geloof dat wij zeggen te hebben, wel overeenkomt met het geloof dat Hij van ons vraagt, zoals Paulus dringend adviseert in 2 Korintiërs 13:5

“Stelt uzelf op de proef, of u wel in het geloof bent, onderzoekt uzelf”.

Het eeuwige leven is te kostbaar om er nonchalant mee om te gaan, menend dat wij toch wel behouden worden. Paulus wil ons bewaren voor teleurstelling op de dag van het oordeel. Maar behalve dat wijzelf ons zouden moeten beproeven, doet God het ons ook. Daarbij weet Hij hoever Hij kan gaan, zodat wij net niet door de druk hoeven te bezwijken:

“U hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. God is getrouw, die niet zal gedogen, dat u boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat u er tegen bestand bent”.(1 Korintiërs 10:13).

“Want doordat Hijzelf (Christus) in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te hulp komen …”. (Hebreeën 4:15; zie ook 2:18)

In een aantal gevallen zijn verzoeken en beproeven synoniem.

God beproeft of verzoekt niet willekeurig, maar met een doel: de versterking en groei van ons geloof, zodat we onze hoop op eeuwig leven bij de komst van Jezus uit de hemel vasthouden. Doordat Hij ons beproeft, krijgen wij als het ware inzicht in de mate van ons geloof op dàt moment. Dit biedt ons de mogelijkheid van de ene fase tot een volgende fase van ons geloof te komen, zodat dit zich ontwikkelt, groeit. De groei en versterking van ons geloof worden zichtbaar in onze hoop en goede deugden:

“… want u weet, dat de beproefdheid van uw geloof volharding uitwerkt. Maar die volharding moet volkomen doorwerken, zodat u volkomen en onberispelijk bent en in niets tekort schiet”. (Jakobus 1:3-4)“.

.. wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt, en de volharding be-proefdheid, en de beproefdheid hoop; en de hoop maakt niet beschaamd …”. (Romeinen 5: 3-5)

“…indien u slechts wel gegrond en standvastig blijft in het geloof …”.(Kolossenzen 1:21-23)

In de Bijbel wordt ook wel het woord tuchtigen gebruikt; niet in de zin van een straf uit afwijzing, maar juist van een correctie uit liefde, omdat God niet wil dat de mensen die Hij lief heeft, verloren gaan. Zoals een vader en opvoeder geeft Hij kaders aan voor ons leven, zodat wij daar niet buiten treden. Daarbij horen kleine straffen, die ons moeten behoeden voor veel ergere gevolgen. Wanneer wij aannemen wat Hij ons leert, zal ons geloof eeuwige vrucht dragen.

De grote onderwijzer Jezus vergeleek dit met een wijnbouwer, die de ranken van een druivenstok inkort, zodat deze meer en betere vrucht geeft:

“Allen, die Ik liefheb, bestraf ik en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u”.(Openbaring 3:19)

“… want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt … Hij doet het (tuchtigen) tot ons nut, opdat wij deel krijgen aan zijn heiligheid … tucht brengt hun, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht, die bestaat in gerechtigheid”. (Hebreeën 12:4-11; 5:14; zie Jeremia 10:23-24)

“Elke rank aan Mij (Jezus), die geen vrucht draagt, snoeit Hij (God), opdat zij meer vrucht zal dragen”. (Johannes 15:1-8)

In de eerste eeuw werd de sterkte van het geloof van de volgelingen van Christus vooral beproefd door verdrukking en lijden: bleven zij volharden bij uitbanning, vernedering, geseling en naderende dood, of zeiden zij uit angst dat Jezus niet leeft, en dat zij geen aanhangers van Hem waren?

“…dienende de Here met alle ootmoed, onder tranen en beproevingen, die mij (Paulus) overkwamen door de aanslagen van de Joden …”. (Hand. 20:19)

“Wees niet bevreesd voor hetgeen u lijden zult. Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt … Wees getrouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon des levens”. (Openbaring 2:10)

“Want doordat zij beproefd zijn gebleken in veel verdrukking …”. (2 Korintiërs 8:2; Romeinen 16:10)

Deze verdrukkingen maken deel uit van het louteringsproces dat God toepast, om enerzijds wie het niet waard is om het eeuwige leven te ontvangen uit te zuiveren, en anderzijds hen die het wel waard zijn geheel te zuiveren van de laatste resten van het kwade in hen:

“Geliefden, laat de vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet bevreemden … Integendeel, verblijdt u naarmate u deel hebt aan het lijden van Christus, opdat u zich ook met vreugde zult mogen verblijden bij de openbaring van zijn heerlijkheid”. (1 Petrus 4:12-13)

“Verheugt u daarin (hoop), ook al wordt u thans … voor korte tijd door allerlei verzoekingen bedroefd, opdat de echtheid van uw geloof, kostbaarder dan vergankelijk goud, dat door vuur beproefd wordt, tot lof en heerlijkheid en eer blijke te zijn bij de openbaring van Jezus Christus”. (1 Petrus 1:6-7; zie ook Lucas 22:31-32a; voor echtheid van het geloof Openbaring 3:18).

Voor wie het ene en waarachtige geloof vasthoudt, door verdrukking en lijden, of die nu licht of zwaar is, maar ook in de verleidingen die wij in en buiten ons ontmoeten, geldt deze zaligspreking:

“Zalig is de man, die in verzoeking volhardt, want, wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben”. (Jakobus 1:12)

°°°

Vraag ter overdenking:

Heeft u zelf in uw leven iets ervaren van de keuzes waarvoor God u stelt?

Beproeving houdt keuzemogelijkheid in en daarvoor heeft God ons een vrije wil gegeven. Hij geeft vooraf de keuzemogelijkheden aan, met de gevolgen die deze hebben voor onze toekomstige bestemming (Deut. 30:11-20; Joz. 24:14-18). God helpt ons daarbij de beste keus te maken (Ps. 25:12; Rom. 8:26-30).

De idee van de eeuwige voorbestemming is daarmee in tegenspraak. God weet weliswaar alle dingen, maar Hij bepaalde niet wat wij doen en laten, alsof wij robots of willoze marionetten zijn,maar wat onze bestemming zal zijn, juist naar wat Hij tevoren zag van ons (on)geloof en onze (on)gehoorzaamheid. Wat zou anders de zin zijn van bidden of God ons wil bewaren in en redden van beproeving (Matth. 6:13; Openb. 3:10; 2 Petr. 2:9)? Hij heeft de criteria bepaald voor wie geschikt is dienaar in zijn Koninkrijk te zijn en op grond daarvan oordeelt Hij ons (2 Tim. 2:19-22). God is rechtvaardig in zijn verkiezingen oordeel (2 Thess. 1:3-12; Rom. 3:4-6; 2:1-11; Efez. 1:3-14; Rom. 9:14-24). Zo kon God ook vooraf getuigen van de rechtvaardigheid van zijn Zoon (1 Petr. 1:11; Matth.12:17-18; 3:17; 17:5).

J.D.

+

Voorgaande

Fundamenten van het Geloof: De lankmoedigheid van God

Fundamenten van het Geloof 2: De levende en waarachtige God

Fundamenten van geloof 3: De Persoonlijkheid van God

Fundamenten van het Geloof 4: Engelen. Gods volmaakte dienaren

Fundamenten van het Geloof 5: De mens, geschapen naar Gods beeld en als Zijn gelijkenis

++

Lees ook

  1. Gods vergeten Woord 25 Varen op Bijbels Kompas 7 Vrienden van de Heer
  2. Alle dingen eertijds geschreven tot ons onderricht
  3. Christen genoemd
  4. Geloof
  5. Wat de Bijbel zegt omtrent Geloof
  6. Geloof Vertrouwen voor het ongeziene
  7. Geloof in Jezus Christus
  8. Geloof in slechts één God
  9. Geloof en Geloven
  10. Geloof voor God aanvaardbaar
  11. Geloof niet zonder daden
  12. Christus toebehorenden
  13. Christen mensen met ons geloof
  14. Geloof zonder risico tegenstrijdigheid
  15. Gehoorzamen aan God
  16. Volharding en Bijbelstudenten
  17. De aanduiding door Paulus en Jacobus van de werken die wij horen te doen
  18. Wereld van moeilijkheden en veel ongemakken
  19. Tijd door de Maker gegeven
  20. De Dag is nabij #6 Uitzien
  21. Aan een betere opstanding deelhebben

+++

Verder gerelateerd

  1. Paulus en Jakobus hulle skryf oor geloof en werke
  2. Geloof is een Overtuiging
  3. Heb Geloof – deel 2
  4. Gewone geloof
  5. Hoender of eier: Begrip of geloof?
  6. Heb Geloof – In Pijn & Leed (Deel 3)
  7. Bly net glo!
  8. Een ander verschijnsel van het een (4)
  9. Om mure te bou

Bijbel en Wetenschap: Schepping, intelligent design, evolutie (6) De Boodschap van de Bijbel zelf

Waar gaat het nu uiteindelijk om in deze discussie over ‘intelligent design’?

Enerzijds zijn er bijbelgetrouwe christenen, ervan overtuigd dat God bestaat en de wereld heeft geschapen: voor hen valt daar niet aan te tornen. Anderzijds zijn er wetenschappers, die op grond van onderzoek tot conclusies zijn gekomen waarvan zij terecht menen dat je daar niet zomaar aan voorbij kan gaan.

Met geen van beide standpunten is op zichzelf iets mis. Er is zelfs geen fundamentele reden waarom die met elkaar in conflict zouden moeten zijn. Maar de discussie is vervuild geraakt doordat hij aan beide kanten in handen viel van fundamentalisten, die er een ‘godsdienstoorlog’ van hebben gemaakt.

De essentiële denkfout

Aan christelijke zijde is de basisfout al ten tijde van de ‘Verlichting’ gemaakt, door goed bedoelende gelovigen die in hun optimisme meenden dat je nu een oude droom in vervulling kon doen gaan: het bestaan van God wetenschappelijk bewijzen. Maar dat kan zo niet, en dus lukte dat ook niet. Het opkomend atheïsme heeft die voorzet voor open doel vervolgens vol benut: als die gelovigen het met hen eens zijn dat alles wat waar is ook wetenschappelijk te bewijzen valt, en als zij er dan vervolgens niet in slagen dat bewijs te leveren, dan is daarmee afdoende ‘aangetoond’ dat God dus niet bestaat, als een soort ‘bewijs uit het ongerijmde’.

Het grondprincipe van geloof is echter:

“Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven” (Johannes 20:29).

De ware gelovige gelooft om heel andere redenen dan die waar het in deze discussie voortdurend om gaat. En de ‘gelovige’ die voor zijn geloof wetenschappelijke bewijzen nodig heeft, zit bij voorbaat al op het verkeerde spoor. Die bewijsvoering dient dan ook niet om het geloof van gelovigen te versterken, maar om ongelovigen ‘plat’ te krijgen. Omdat het christendom zo onnadenkend is geweest zelf de discussie op deze basis aan te gaan, is zij vervolgens met haar eigen argumenten afgeslacht. Zij heeft, als een Eva, de verleider in haar hof uitgenodigd in de hoogmoedige overtuiging het debat met hem wel te zullen winnen, en kan nu niet meer terugvallen op het, op zichzelf juiste, argument dat de basis van dit debat zelf om te beginnen al volledig verkeerd is.

Wat de Bijbel ons werkelijk wil vertellen

“Wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat” (Hebr. 11;6, NBG-51).

Dat moet het uitgangspunt zijn, niet het resultaat. Als de Schrift keer op keer spreekt over de wonderen van de schepping, is dat niet om Gods bestaan te bewijzen, maar om Zijn grootheid te benadrukken.

Een kind van God gelooft al in Zijn bestaan, en ziet om zich heen de bewijzen, niet van dat bestaan, maar van die grootheid en majesteit, en van Gods zorg voor Zijn kinderen.
Wij zijn de Schrift echter gaan lezen als beoordelaars in plaats van als leerlingen. Wij willen daarin vinden hoe God bezig is geweest in de schepping en niet waarom Hij dat allemaal heeft gedaan. Het eerste hoofdstuk van de Schrift vertelt ons dat God de aarde niet alleen maar heeft geschapen, maar dat Hij die vervolgens ook stap voor stap heeft ingericht en bewoonbaar gemaakt voor de mens. Dat moet ons leren dat de mens niet maar een toevallig bijproduct van die schepping is, maar het doel ervan, en dat wij mensen Hem dus kennelijk ter harte gaan. Maar wij gebruiken dat hoofdstuk alleen om uit te vinden hoeveel tijd het Hem koste om de klus te klaren, en hoe oud de aarde dus is; om het antwoord op die vraag vervolgens te gebruiken om onze mede gelovigen de maat te nemen: of de rechtzinnigheid van hun geloof wel door onze beugel kan. En we leiden er theorieën uit af over de wereld van voor de zondeval, gebaseerd op het feit dat God die situatie ‘zeer goed’ heeft genoemd (Gen. 1:31). Wat er in feite op neer komt dat wij God het recht ontzeggen die situatie zo aan te duiden wanneer die niet zou hebben voldaan aan onze criteria voor ‘zeer goed’.

Waar het echt om gaat

In de middeleeuwen was het een uitgemaakte zaak dat de aarde het middelpunt was van het heelal, want ‘dat stond duidelijk zo in de Bijbel’. En het was de christenheid volledig ontgaan dat de Schrift alleen spreekt van de aarde als het middelpunt van Gods doel met de schepping, en dat de vraag naar het fysieke middelpunt van het heelal daarvoor niet van belang is, en dat we het antwoord op die vraag daar dus ook niet kunnen vinden. In dat geval liggen de wetenschappelijke waarnemingen inmiddels echter zo duidelijk, dat de meeste van ons (hoewel niet allen!) daar intussen wel achter zijn. Maar het zou ons net zo duidelijk moeten zijn dat de beschrijving in Genesis 1 van de inrichting van die aarde (niet de schepping ervan) ons heel veel te vertellen heeft over Gods plan en doel met ons, en ook in dat geval helemaal niets over het fysieke proces. Maar op dat punt denken wij nog steeds middeleeuws, en dus gebruiken we dat hoofdstuk voor een totaal andere, volslagen onbijbelse, discussie.

De slotsom

Het wordt daarom hoog tijd terug te keren tot werkelijk bijbels denken.

“De hemel verhaalt van Gods majesteit, het uitspansel roemt het werk van zijn handen” aan hen die geloven (Ps 19:2),

om hun geloof te versterken. Maar het is geen wetenschappelijk bewijs voor Zijn bestaan, te gebruiken om anderen mee om de oren te slaan.

Genesis 1 maakt ons duidelijk dat

‘niets ons zal kunnen scheiden van de liefde van God’,

zoals ook het feit dat Hij,

‘toen wij nog zondaars waren’,

Zijn Zoon heeft gegeven om ons te verlossen uit de macht van de dood, ons daar nog verder van overtuigt. Maar het is niet bedoeld om ons een beschrijving te geven van Zijn werkweek, en al helemaal niet om er onze mede gelovigen de maat mee te nemen.

De middeleeuwen kenden felle discussies over de vraag hoeveel engelen konden dansen op de punt van een naald, maar niemands behoudenis heeft ooit afgehangen van het antwoord daarop. Zo zouden wij inderdaad moeten begrijpen dat deze schepping het resultaat is van een buitengewoon intelligent ontwerpplan, een plan bedoeld voor onze behoudenis. Maar dat zouden wij moeten koesteren als een kostbaar inzicht, ons door God geschonken om ons geloof te versterken, en om zo mogelijk te delen met anderen. Maar niet als een rechtvaardiging voor fundamentalistisch gedrag.

R.C.R.

+

Voorgaande

Schepping, intelligent design, evolutie – Ontstaan en ontwikkeling van het leven op aarde (1)

Schepping, intelligent design, evolutie – Ontstaan en ontwikkeling van het leven op aarde (2)

Schepping, intelligent design, evolutie (3) – Godsbewijzen van heidense filosofen en horlogemakers

Schepping, intelligent design, evolutie (4) Het ontstaan van het universum

Geloof en onderzoek: Schepping, intelligent design, evolutie (5) De atheïstische fundamentalist

Wetenschap en religie zijn met elkaar te rijmen

++

Aanvullende lectuur

  1. Grootste oorzaak van atheïsme in de wereld zijn de Christenen

Bijbels geloof en heidense filosofie

In Handelingen 17 lezen we over Paulus’ ontmoeting met twee filosofische stromingen in Athene: de Epicureïsche en de Stoïcijnse school.

Als we tijd en geografie buiten beschouwing laten, lijkt het alsof wij worden geconfronteerd met de ‘wijsheden’ in ónze tijd. Want het wereldse denken in Paulus’ dagen vertoonde bepaalde overeenkomsten met dat in onze wereld.

De Epicureïsche wijsgeren gingen er in hun dagelijks leven van uit, dat alles door toeval was ontstaan. Slechts in theorie geloofden zij in “de goden”. Deze goden, zo ver weg, konden niet werkelijk geïnteresseerd zijn in de wereld en haar bewoners. Zij waren voor deze wijsgeren geen realiteit. Zij waren eigenlijk atheïsten. Hun uitgangspunten lijken sterk op die van hedendaagse levensgenieters. Zij gaven zich over aan de geneugten van het leven en koesterden het vlees.

De god van de Stoïcijnen was de natuur. De mens maakte daar deel vanuit. Zij bewoog zich in vastgestelde kringlopen, die de mens niet kon veranderen. De Stoïcijnen geloofden dat alles door het noodlot werd bepaald. Dat lot heette dan Gods wil. Aangezien alles wat er gebeurt Gods wil is, zit er niets anders op dan dat de mensen moeten leren alles te accepteren.

Op het moment dat de wereldcyclus ten einde komt, valt alles uiteen in een vuurbal. Dan begint alles weer van voren af aan. Alles wat plaats vindt is van te voren bepaald. Omdat alles vooraf is vastgesteld, kan er niets worden veranderd.

De Stoïcijnen leerden dat het maar het beste is je te schikken in je lot. Je moet dat doen door je te oefenen onafhankelijk te zijn.
Omgaan met het kwaad lukt het beste als je een onverschillige levenshouding probeert aan te nemen. Dit geeft je vrede in je geest. De Stoïcijnen onttrokken zich aan het vlees.

 

De prediking door Paulus

In zo’n denk- en leefwereld verscheen de apostel Paulus met het evangelie. Zijn prediking bestond uit zes hoofdpunten,:

Verzen 24-25

Lucius Annaeus Seneca meest gekende van de stoïcijnse filosofen

In tegenstelling tot de Epicureërs, die leerden dat de goden verwijderd waren van de natuur, of de Stoïcijnen die leerden ‘god is de natuur’, zei Paulus dat God, hoewel ver boven ons verheven, toch zeer betrokken is bij de wereld die Hij maakte. Wat Paulus zei is tevens een les voor alle tijden. Het is maar al te waar dat mensen vaak aanbidden wat hun handen hebben gemaakt.
De ‘god’ van een mens is dat waaraan hij al zijn tijd, geld, energie en aandacht geeft, waardoor deze god belangrijker voor hem is dan zijn Schepper. Dat kan van alles inhouden: sport, studies, hobbies en vermaak.

Vers 26

In contrast met de Epicureërs, die welbeschouwd op atheïstische evolutionisten lijken, en leerden dat de wereld door toeval ontstond, of de Stoïcijnen, wier ‘god’ de wereld was die zichzelf draaiende houdt volgens onveranderlijke wetten en eindeloze herhalingen, predikte Paulus dat God onze Maker is en ons zegent. Niet het noodlot bestuurt ons, maar Gods hand.

Verzen 27-28

De fatalistische Stoïcijnen leerden dat alles zou samensmelten tot een pantheïstische god. De praktisch ingestelde atheïstische Epicureërs leerden dat de goden heel ver van de mens waren verwijderd en al helemaal niet in hen geïnteresseerd. Paulus zei dat God ons zó heeft gemaakt (naar Zijn beeld) dat wij Hem kunnen zoeken. Er is dus met God contact mogelijk.

Griekse dichter Aratus

Paulus haalde twee citaten aan van twee van hun nationale dichters: Aratus en Cleanthes. In elk van hun gedichten komt de zin voor:

“Wij zijn van Zijn geslacht”.

Verzen 29-30

De dagen van donkerheid en onwetendheid zijn nu voorbij en verleden tijd. De wijsgeren hebben ongelijk.

Als het waar is dat God ons heeft gemaakt, dan kan onze opvatting van God niet iets zijn dat wij maken. Zoals wij macht hebben over goud, zilveren steen, zo heeft God macht over ons. God straft ons niet direct als wij afgoden dienen, maar eist wel degelijk bekering.

Zolang de mens op zoek was in de duisternis kon hij God niet leren kennen. God zag vroeger hun dwaasheden en fouten over het hoofd. Nu is het anders:

De ware kennis van God is tot ons gekomen in Christus.

Vers 31a

De oordeelsdag komt naderbij.

Voor de mens is het leven niet een weg die leidt tot vernietiging, zoals de Epicureeërs leerden. Het is evenmin een weg die ons opneemt in een god die Natuur heet, zoals de Stoïcijnen dachten.

Het is een reis naar de Rechterstoel van Christus.

Vers 31b

Het grootste teken van Gods bemoeienis in deze wereld is de opstanding van Jezus Christus. We moeten niet worden verenigd met een Onbekende God, maar met de door de hemelse Vader opgewekte Christus.

 

Gemengde reacties

Paulus had minder succes in Athene dan elders, waar “niet vele wijzen, niet vele invloedrijken” waren (1 Kor. 1:26). De inwoners van Athene zeiden dat zij op zoek waren naar wijsheid. Zij wilden geen actie. Zij waren niet op zoek naar conclusies. Zoals velen tegenwoordig wilden zij alleen maar praten en discussiëren, en niets doen. Sommigen spotten. Zij vonden die enthousiaste joodse Paulus waarschijnlijk maar een vreemde snuiter. Voor hen was het leven een soort grap. Maar grappen eindigen vaak in tragedies. Uiteindelijk worden wij allemaal geconfronteerd met de harde realiteit van het sterven. Sommigen zeiden:

Wij zullen u hierover nog wel eens horen.

Dat zijn mensen die belangrijke beslissingen altijd maar uitstellen. Maar aan het eind van onze levensreis is er geen ‘morgen’ meer.

Dionysius de Areopagiet uit Athene

Sommigen kwamen tot geloof. Dit is de enige veilige weg. Enige mannen sloten zich bij Paulus aan. Er was ook een vrouw, Dámaris, die tot geloof kwam. En dan was er Dionysius, een Areopagiet, lid van het Tribunaal. Het was alsof de rechter van zijn stoel opstond, en zich bij de gevangene aansloot in de afgesloten ruimte van de rechtzaal. Van menselijk standpunt bekeken was zijn bekering een triomf voor de waarheid. Een lid van het Tribunaal genoot de hoogste reputatie onder het volk vanwege zijn intelligentie en voorbeeldige gedrag. Dionysius gooide zijn carrière te grabbel, omdat Christus het waard is!

M.R.

++

Aanverwant

  1. Bereshith 3:1-6 Het bedrog
  2. Dingen laten komen zoals ze zijn geweven in je levenslot
  3. Controleer uw lot of iemand anders zal het doen

Palestijnen volgens sommigen een ‘uitgevonden volk’

Er zijn er die beweren dat de Palestijnen oogstten wat ze gezaaid hebben, toen
Gingrich hen als een uitgevonden volk bestempelde.

Toch, zoals Barry Shaw opmerkt, zijn veel Arabieren het daarmee eens. In 1937 vertelde de Arabische leider A.B. Abdul Hadi tegen de Peel Commissie van de Volkenbond:

Er is geen land zoals Palestina.

Palestina is een term die de Zionisten uitgevonden hebben … Ons land was altijd een deel van Syrië.

In 1946 zei de Arabische professor in de geschiedenis van het Midden Oosten aan de Princeton Universiteit, Philip Hitti, tegen de Anglo-Amerikaanse Onderzoekscommissie:

Het is algemeen bekend dat er niet zoiets als Palestina in de geschiedenis is.

Voor diezelfde commissie zei de Arabische Prof. J. Hazam over de Balfour Declaratie:

er was nooit een Palestijnse kwestie en er was geen Palestina als een politieke of geografische eenheid.

In 1956 zei Ahmed Shukari, die later de PLO stichtte, tegen de VN:

Palestina bestaat in het geheel niet.

Zelfs Arafat zei in 1970 tegen een Italiaanse journalist:

De PLO bevecht Israël in de naam van het Pan-Arabisme.
Wat u Jordanië noemt is niets meer dan Palestina.

Hij had gelijk omdat Jordanië door de Britten werd gecreëerd op 77% van het land dat aan het Joodse volk door de Volkenbond in 1922 beloofd was.
En Feisal Husseini zei, na de Oslo-Akkoorden in 1993:

Het Palestijnse Volk is niets meer dan een ‘Trojaans Paard’ om het land van Israël te veroveren. (“Gingrich is right about the Palestinian fraud …” B. Shaw, JP Blogs, 19 Dec. 2011)

Ogen open doen voor transparante verkondiging te zien

In onze huidige wereld willen mensen voor alles wel een uitleg vinden. In de vorige decennia namen velen omtrent het geloof hun toevlucht in interpretatieve geschriften.
De laatste jaren is de hermeneutiek de belangrijkste wetenschap geworden in de theologie.

Velen vinden het moeilijk om dat alles te verbinden met het leven hier en nu. Maar moet men daar niet stellen dat velen het veel te ver gaan zoeken? Heeft de mens werkelijk zulk een noodzaak aan al die theologische werken?

Men zou eigenlijk kunnen verwachten dat de Bijbel op zich toch genoeg duidelijkheid zou moeten kunnen scheppen. In wezen kan die dat ook maar de meeste mensen schenken nog het liefst het meeste vertrouwen in mensen die zij rondom zichzelf kunnen benaderen. Schrijvers en denkers van nu spreken hen dan ook het meest aan.

Velen blijken te vergeten dat het Christelijk Geloof niet zo moeilijk hoeft te zijn of niet zo overgoten moet zijn met onbegrijpelijke verhalen of gebeurtenissen. Men moet maar de bijbel ter hand nemen en men zal, als men zijn ogen open doet, wel de transparante verkondiging weten te zien.

New York Jewish Museum’s Discomfort with Religion

The Jewish Museum of New York her latest core exhibition reveals a distance from Judaism indistinguishable from disregard, embarrassment, and disdain.

Menachem Wecker’s essay on Scenes from the Collection, the latest permanent exhibition at the Jewish Museum of New York, talks about the city’s venerable 115-year-old Jewish Museum. Its collection of about 30,000 objects makes this among the most important such institutions anywhere and, according to its website, one of the oldest remaining Jewish museums in the world.

Downstairs, at the museum’s outlet of Russ & Daughters café, customers devouring the herring, knishes, and blintzes are assured that everything on the — also venerable — menu is under kosher supervision.

But for him

Upstairs, however, is a different story. With its recent, ballyhooed revamping of its permanent exhibition, the museum has squandered a priceless opportunity to be the hub for contemporary Jewish conversation, education, and memory. In so doing, it has also departed drastically from its founding mission as a champion of Jewish culture and practice.

Wecker, a relatively young man, is in possession of a Jewish education that is probably atypical of most of the museum’s visitors. By contrast, the art historian who has served as the director of several museums, as Assistant Secretary for museums at the Smithsonian Institutions, and as director of the museum program at the National Endowment for the Arts, Tom L. Freudenheim is a senior citizen who according to his response at the exhibition, risks sounding like the character of the Grumpy Old Man played by Dana Carvey on the old Saturday Night Live — the kind who carries on about how much better things were in the past, and that’s the way we liked it.

He writes in the Jewish magazine Mosaic

In truth, though, I can’t say I really liked it better growing up in a world of Jews who still lowered their voices to whisper the word “Jewish” in restaurant conversations, or who swelled with unseemly pride when the 1950 recording by Pete Seeger and the Weavers of the Israeli folk song Tzena, Tzena, Tzena gave “us” temporary standing on the Hit Parade.

Nowadays, to judge by sources like the 2013 Pew survey, American Jews are less self-conscious about being Jewish. But are they, really? Could it be, instead, that their self-consciousness just runs in directions more in line with today’s rather than yesterday’s cultural norms? Wecker’s ruminations and strictures about the Jewish Museum’s “Jewish problem” — evidenced by its wildly overdone distancing of itself from any taint of “parochialism,” together with its marked condescension toward Judaism itself — invite speculation.

 

There is some history here. When the Jewish Museum first moved toward displaying contemporary art lacking any palpable connection to Jews or Judaism, it was partly following in the  footsteps of Karl Schwarz, the director of Berlin’s Jewish Museum: an institution that opened in 1933 around the same time that Hitler seized power and closed five years later after Kristallnacht. Schwarz’s idea, then quite original, was that, along with showcasing the “material culture” of the Jewish past — ritual objects, books, and other artifacts — a Jewish museum might legitimately start to pay attention to the work of living Jewish artists.

Two decades later in New York, with its transformational 1957 exhibition Artists of the New York School: Second Generation, the Jewish Museum both adopted Schwarz’s idea and went beyond it to include work by contemporary non-Jews and, as often as not, on non-Jewish themes. It thereby established a model that in one form or another continues to this day and that, to be fair, has resulted in a number of remarkable and occasionally even ground-breaking shows.

In doing so, the museum hardly escaped controversy or, especially, conflict with the Jewish Theological Seminary (JTS), its founding institution and proprietor. In 1947, as Wecker notes, with the opening of the museum in its then-new home on Fifth Avenue, JTS’s chancellor Louis Finkelstein defined its mission as the preservation and celebration of

“the singular beauty of Jewish life, as ordained in the laws of Moses, developed in the Talmud, and embellished in tradition.”

By the 1960s, it had become known instead, and with reason, mainly as an influential venue for the artistic avant-garde.

That transformation needed to be rationalized, and an argument for it was quickly developed. The new argument went like this:

Jews were a cosmopolitan people, interested by definition in a wide range of ideas and areas of cultural creativity both within and outside of the Jewish world.

Often adduced in this context was the example of Commentary magazine, founded in 1945 by the American Jewish Committee as a high-level forum of discussion of both Jewish and non-Jewish issues by writers and thinkers — what we now call “public intellectuals” — many but not all of whom were themselves Jews. Especially after Norman Podhoretz was appointed editor of Commentary in 1960, the magazine’s existence and success were invoked to justify JTS’s support for influential exhibitions at the Jewish Museum less and less related to the vision articulated in 1947 by Louis Finkelstein.

 

Such exhibitions flourished in the mid-1960s under the brief directorships of Alan Solomon and Sam Hunter, years that happened to coincide with my own tenure at the museum as a young curator, aspiring art historian, and ex-rabbinical student. Partly owing to the last-named credential, no doubt, I ended up being responsible for the “Jewish” parts of the museum, and soon became well-acquainted with its by-then considerable collections of Judaica of all kinds — collections that were then, and remain today, second only to the holdings of the Israel Museum in Jerusalem.

And this brings me back to Scenes from the Collection, so skillfully picked apart by Wecker. I concur with most of his criticisms of the exhibition’s substance. With regard to its presentation of, in particular, material related directly to Jewish religious traditions or values, he is certainly correct to point to the organizers’ shoddy scholarship and connoisseurship. I would only underline his point by stressing that museums thrive or wither not only on the visions of their directors but on the ideas, interests, ambitions, dreams, and scholarship of their curators. (Susan Braunstein, the museum’s longtime Judaica curator, retired some months ago and, although remaining on staff part-time in an emerita position, has yet to be replaced.)

As a counterexample to the latest “core” exhibition, Wecker writes with some enthusiasm about its 1990s predecessor, Culture and Continuity: The Jewish Journey, which indeed went far toward restoring the focus on the “Jewish” in Jewish Museum. I was never a great fan of that show for one simple reason: at its outset, visitors were invited to ask how Jews had survived for so many centuries and millennia, and were promised that the exhibition would answer that question. In fact, it’s sheer museological vanity to suggest that Jewish survival can be understood via Judaism’s material culture alone.

This stipulation aside, however, the conceptual premise of Culture and Continuity was solidly based: the Jewish Museum does indeed house any number of important works of Judaica — its field of specialty — that cannot be seen anywhere else. Indeed, the same principle underlies permanent exhibitions in most museums. Which is not to say that collections don’t also get temporarily rearranged to suit a curator’s creative idea, or some practical exigency. (For example, parts of the 17th-century Dutch collections in New York’s Metropolitan Museum of Art are currently on view in a two-year special exhibition because of skylight renovations in the main galleries.) But that is secondary, not primary. Permanent exhibitions are all about the core: how, in the end, a museum identifies and presents itself.

 

Where does the Jewish Museum fit here? For me, the real scandal today is that a collection of such size, quality, and historical importance has been reduced from the museum’s main attraction to a resource only for special exhibitions like the airily named Scenes from the Collection. Evidently, in the museum’s current thinking, the core works in its collection are to be seen only in the context of thematic and temporary special exhibitions like this one, surrounded by works of tangential, or arbitrary, or opaque relevance. This rethinking, to put it bluntly, can only reflect a disdain for the museum’s core assets on the part of the institution’s leadership (both the staff and the trustees).

Among those core assets are not only the thousands of items in the collection but the self-understanding of Judaism itself. In his essay, Wecker raises serious questions about the attitude toward Judaism held by the museum’s leaders and stewards. Here, too, a larger cultural phenomenon may be seen at work: namely, a pervasive discomfort, or embarrassment, manifested by many art museums these days, when it comes to Western religion. For obvious reasons, Christianity is the prime example. To take the Met once again, but hardly the Met alone, the reigning but incorrect assumption appears to be that everyone knows the meaning of Christian devotional art, that everyone can readily identify saints by their visual attributes, and that everyone can “read” the allusions and symbols in paintings of the Madonna or the Crucifixion.

Of course that is not the case: many if not most Christians are as ignorant of their religious traditions as are most Jews. Why, then, the silence? After all, explication is available for “exotic” religions (Hinduism, Buddhism, Islam, and so forth). Only with Christianity and, at the Jewish Museum, with Judaism is a fastidious distance observed — a distance indistinguishable from indifference or, again, discomfort, embarrassment, and disrespect. In each case, the result is an abdication of the opportunity and the responsibility to educate the public about some of the greatest and most important works of Western art.

Tom L. Freudenheim ends with saying

I’m a reasonably well-educated but not especially religiously observant Jew. Nevertheless, like many other Jews, I’m wholly unembarrassed to lay claim to my Jewishness, not only as a matter of ethnic pride but also in my being a legatee of a venerable and quite awesome religious tradition.

American Jews can rightly be proud of, among other things, the Jewish museums that their communities have developed and supported, and that have in turn served as models for other ethnic and group-based museums around the country. As Edward Rothstein, quoted by Wecker, has acutely observed, those many museums spawned by the Jewish example make a point of celebrating the unique traditions and values of their particular sponsoring groups. By contrast (with exceptions, like UC Berkeley’s Magnes Museum), Jews have deracinated their own museums to the point of flaunting not only an ignorance of the Jewish tradition but a disdain for it.

Menachem Wecker gives us example after example from Scenes from the Collection of the feckless and philistine lengths to which the Jewish Museum has gone in its dereliction from its elementary responsibility. Is it too much to propose that the accolades the museum so desperately craves from the art-world cognoscenti might be gained without totally reducing the “Jewish” in its name to the slim and increasingly fraying threads by which it remains connected to its tradition?