Fundamenten van het Geloof 13 Rechtvaardiging door geloof

Gelooft u het getuigenis van God, zijn Zoon en zijn dienaren?

God openbaart Zich als de Heilige, die de zonden niet kan verdragen en deze veroordeelt.
De meeste mensen vrezen God echter niet. Hun denken en doen is gericht op het voldoen aan hun begeerten. Door deze aardse, vleselijke gezindheid is de mens onheilig en een vijand van God geworden.

Rechtvaardiging door geloof

Om mensen met God te verzoenen, heeft Christus Jezus zijn leven gegeven als losoffer. Hierdoor kunnen wij verlost worden van zonde en de schuld die wij daardoor hebben bij God. Maar hoe kan God ons vergeven wanneer Hij geen zonde kan verdragen en daarover toornt?

Hij kan toch niet doen ofwij ze niet gedaan hebben?

Nee, dat is niet in overeenstemming met Zijn rechtvaardigheid! Onze zonden zijn niet te ontkennen en te verbergen. Ze maken ons onrein en ongeschikt voor onze heerlijke bestemming. Wij zijn strafwaardig, maar omwille van Zijn Zoon rekent God ons de zonden niet toe:

“… dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen …” (2 Korintiërs 5:19)

“Zalig zij, van wie ongerechtigheden vergeven en van wie zonden bedekt zijn. Zalig de man, wiens zonde de Here geenszins zal toerekenen.” (Romeinen 4:7, Psalm 32:1)

Paulus legt in de brief aan de Romeinen uit, dat God tegenover de onrechtvaardigheid van Adam, de rechtvaardigheid van Christus Jezus stelt. En evenals ons de onrechtvaardigheid van Adam wordt toegerekend door onze verbondenheid met hem in de zonde, wordt ons de rechtvaardigheid van Christus Jezus toegerekend door onze verbondenheid met hem in geloof:

“Derhalve, gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven. Want gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens zeer velen zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer velen rechtvaardigen worden … opdat, gelijk de zonde als koning heerste in de dood, zo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid ten eeuwigen leven door Christus Jezus onze Here.” (Romeinen 5:12-21)

Met die ene daad van gerechtigheid wordt het offer van de heer Jezus Christus bedoeld. Hij heeft al onze zonden op zich genomen en in zijn lichaam aan de paal gebracht. Zijn offer bekrachtigde het verbond van genade en barmhartigheid dat God met mensen wilde sluiten.

“Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.” (Mattheüs 26:28; vergelijk Ef. 1:7; Kol. 1:14 Luc. 24:47Hand. 5:31; 10:43; 13:38; 26:18)

“Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige vooronrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen.” (1 Petr. 3:18; Rom. 5:7-8)

Daarom is God rechtvaardig, ook al vergeeft Hij ons en reinigt Hij ons van alle zonden die wij deden:

“Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid van God gepleegd waren, had laten geworden – om zijn rechtvaardigheid te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is” (Rom. 3:23-26)“…

Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn …” (Romeinen 5:9)

Niet toerekenen van zonden wordt in de Bijbel rechtvaardigen genoemd. Hiermee wordt iets geheel anders bedoeld dan het rechtvaardigen van onszelf. Dat is onszelf vrijpleiten met allerlei uitvluchten, zodat wij verkeerde dingen goedpraten (1 Kor. 4:3-5).

“3 Doch mij is voor het minste, dat ik van ulieden geoordeeld worde, of van een menselijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelven niet. 4 Want ik ben mijzelven van geen ding bewust; doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heere. 5 Zo dan oordeelt niets vóór den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen, hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en als dan zal een iegelijk lof hebben van God.” (1Co 4:3-5 STV)

God echter ontkent onze zonden niet, maar ziet of wij oprecht berouw hebben. Op grond van oprecht berouw en bekering rekent Hij ons de zonden niet toe, verleent Hij ons vrijspraak. Bekering is:

ons omkeren op de weg van zonde en dood, om voortaan de weg tot eeuwig leven te gaan door gehoorzaam Gods wil te doen:

“Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.” (1 Joh. 1:9)

“Bekeert u en laat een ieder van u zich dopen op de naam van Christus Jezus, tot vergeving van zonden …” (Handelingen 2:38)

“Maar u hebt u laten afwassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd door de naam van de Here Jezus Christus …” (1 Korinthiërs 6:9-11)

Berouw en bekering tot God komen voort uit geloof in zijn verlossingswerk in Zijn Zoon. In Hem bewijst Hij ons zijn liefde en genade door ons te vergeven:

“Want wij zijn van oordeel dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt …”(Romeinen 3:28-30; 4:1-5; zie Galaten 2:15-16; 3:11 en 24)

“Zo zij u dan bekend … dat door Hem (Christus) u vergeving van zonden verkondigd wordt … wordt ieder, die gelooft, gerechtvaardigd door Hem.”(Handelingen 13:38-39; vergelijk Romeinen 8:33-34)

“Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, door wie wij ook de toegang hebben verkregen tot dezegenade, waarin wij staan …” (Rom. 5:1-2; Tit. 3:7)

Het geloof dat God van ons vraagt om gerechtvaardigd te kunnen worden, is te zien bij Abraham: een rotsvast vertrouwen dat God doet wat Hij belooft, getoond in het doen van wat God van hem vroeg:

“… aan de belofte van God heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf God eer, in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen. Daarom werd het hem gerekend tot gerechtigheid. Echter niet alleen om zijnentwil alleen werd geschreven: het werd hem toegerekend, maar ook om onzentwil, wie het zal worden toegerekend, ons, die ons geloof vestigen op Hem, die Jezus, onze Here, uit de doden opgewekt heeft, die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging.” (Romeinen 4:21-25)

“Is onze vader Abraham niet uit werken gerechtvaardigd, toen hij zijn zoon Isaak op het altaar legde? Daaruit kunt u zien, dat zijn geloof samenwerkte met zijn werken, en dat dit geloof pas volkomen werd uit de werken; en het schriftwoord werd vervuld, dat zegt: Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend, en hij werd een vriend van God genoemd….” (Jacobus 2: 21-23)

Dit zijn niet door mensen bedachte werken, gedaan op eigen kracht, maar de geloofsdaden die God van ons vraagt. Wie deze rechtvaardigheden, goede werken of gerechtigheid doet, en niet het kwaad van deze wereld, wordt een rechtvaardige voor God genoemd. Een die voor Hem vrij van schuld is en straks bij zijn Zoon zal mogen zijn, wanneer Hij komt in heerlijkheid:

“Maar wanneer een goddeloze zich bekeert van alle zonden die hij begaan heeft, al mijn inzettingen onderhoudt en naar recht en gerechtigheid handelt, dan zal hij voorzeker leven … Geen van de overtredingen die hij begaan heeft, zal hem worden toegerekend.” (Ezechiël 18:21-22; 33:15-16)

“Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.” (Efeziërs 2:10”; zie ook 4:20-24; 5:9 Lucas 1:75)

“Voorts broeders, al wat waar is, al wat waardig, al wat rechtvaardig is, al wat rein, al wat beminnelijk is, al wat deugd heet en lof verdient, bedenkt dat … breng dat in toepassing.” (Fil. 4:8-9)

“ … dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden (Staten Vertaling: rechtvaardig-makingen) van de heiligen.” (Openbaring 19:6-9; vergelijk Psalm 106:30;1 Johannes 2:28-29; 3:7-10)

J.K.D.

 

Vraag ter overdenking:

Wat is de eerste openlijke daad van gerechtigheid
die God van ons vraagt?

 

+

Voorgaande

Fundamenten van het Geloof 10 De Verlosser uit de dood

Fundamenten van het Geloof 11 Christus, de door God gezonden Verlosser

Fundamenten van het Geloof 12 Verzoening met God door het offer van Christus

++

Aanvullend

  1. Betreft de Mens
  2. Voorzieningen voor de keuzes van de mens
  3. Schepper en Blogger God 11 Het Oude en Nieuwe Blog 1 Gericht op één mens
  4. De verbonden – samenvatting
  5. Verlossing #2 De Bijbelse oplossing
  6. Zoenoffer
  7. Lam van God #3 Tegenover onschuldig dier een onschuldig man #2
  8. Een losgeld voor iedereen 1 De Voorziening van een tweede Adam
  9. Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 1
  10. Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 5 Toetssteen en steen van aanstoot
  11. Onvergeeflijke zonde en berouw
  12. Twee soorten mensen
  13. Wees gewaarschuwd niet te bestaan in een staat van toom’ah
  14. Zo maar gerechtvaardigd?
  15. Wanneer men geloof gevonden heeft door de studie van de Bijbel moet men werken van geloof verwezenlijken
  16. Zij die Geulah verdienen en tot de uitverkorenen zullen mogen behoren
  17. De aanduiding door Paulus en Jacobus van de werken die wij horen te doen
  18. Een race niet voor de snelste, noch een strijd om de sterkste
  19. Doopsel en bloedvergieten ter vergeving
  20. Verzoening en de gekochte race
  21. Voorbereidingstijd naar Pesach toe
  22. Verzoening en Broederschap 1 Getrouwheid en vergoeding
  23. Verzoening en Broederschap 2 Uit de eigen cocon stappen
  24. Verzoening en Broederschap 4 Deelgenoten in Christus
  25. Je overgevend, sorry zeggend, dat is de enige uitweg uit de diepte
  26. Inkeer – bekering en vergeving
  27. Christadelfiaanse geloofspunten #5 Beloften over Herstelplan
  28. Christadelfiaanse geloofspunten #8 Boodschap van Jezus wiens vergoten bloed vergeving van onze overtredingen brengt

Fundamenten van het Geloof 12 Verzoening met God door het offer van Christus

Gelooft u het getuigenis van God, zijn Zoon en zijn dienaren?

God openbaart Zich als de Heilige, die de zonden niet kan verdragen en deze veroordeelt.
De meeste mensen vrezen God echter niet. Hun denken en doen is gericht op het voldoen aan hun begeerten. Door deze aardse, vleselijke gezindheid is de mens onheilig en een vijand van God geworden:

“… de weg van de vrede kennen zij niet; de vreze (voor) God staat hun niet voor ogen.” (Romeinen 3:17-18)“

… weet u niet, dat de vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is? Wie dus een vriend van de wereld wil zijn, wordt metterdaad een vijand vanGod.” (Jacobus 4:4)

“Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet van God … zij, die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen.” (Romeinen 8:7-8)

Wanneer God een Israëliet zijn zegen onthield of in zijn toorn strafte om diens zonde, dan voelde dit alsof God hem tot een vijand was geworden (zieJ ob 13:24; 19:11). Maar God beloofde niet voor altijd te zullen toornen (Ps. 103:9; Jer. 3:12). Hij maakte Zich bekend als barmhartig en vergevend God, die weet dat het vlees zwak is (Ex. 34:6-7; Ps. 78:38-39). Zijn werk is daarom gericht op het beëindigen van de vijandschap tussen Hem en mensen en het maken van vrede met wie van goede wil is:

“Eer aan God in de hoogste (hemelen), en vrede op aarde bij mensen (van) goede wil.” (Lucas 2:14)

“Verdrukking en benauwdheid (zal komen) over ieder levend mens, die het kwade bewerkt …; maar heerlijkheid, eer en vrede over ieder, die het goede werkt …” (Romeinen 2:9-10)

“Uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede.” (Lucas 7:50; 8:48)

God bewerkt deze vrede door de mens met Zich te verzoenen. Verzoening is de manier waarop Hij ons van zonde verlost. Moesten onder het Oude Verbond dierenoffers voor Israël verzoening bewerken, onder het Nieuwe Verbond stelt God het offer van Jezus Christus voor als zoenmiddel:

“Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd door de verlossing in Christus Jezus. Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed …” (Rom. 3:23-25)

“Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden.” (1 Johannes 4:10)

“Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van zijn Zoon, zullen wij veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden, door dat Hij leeft.” (Romeinen 5:10)

Deze verzoening tot vrede met God is niet alleen bedoeld voor het afgedwaalde volk Israël, maar voor alle mensen, tot welk volk zij ook behoren, en in welke tijd zij ook leven. Gods liefde is universeel:

“Maar onder elk volk is wie Hem vereert en gerechtigheid werkt, Hem welgevallig, naar het woord dat Hij heeft doen brengen aan de kinderen van Israël om vrede te verkondigen door Jezus Christus.” (Handelingen 10:35-36)

“… Jezus Christus, de rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de gehele wereld.”(1 Johannes 2:1-2)

Omdat God tot de komst van Christus, in zijn trouw aan zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob, alleen sprak tot Israël, was de prediking van het evangelie door de apostelen een openbaring voor velen in de heiden wereld. Het offer van Jezus reinigt van zonden en maakt niet alleen een einde aan de vijandschap van zondaars met God, maar ook aan de scheiding tussen Jood en niet-Jood.

“Want het heeft de ganse volheid (God) behaagd in Hem (Christus) woning te maken, en door Hem, vrede gemaakt hebbende door het kruisbloed, alle dingen weer met zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is. Ook u, die eertijds vervreemd en vijandig gezind was blijkens uw boze werken, heeft Hij thans weer verzoend, in zijn lichaam van vlees, door de dood, om u heilig en onbesmet en onberispelijk voor Zich te stellen.” (Kolossenzen 1:19-22)

“Want Hij (Christus) is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet van de geboden, in inzettingen bestaande,buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot één lichaam verbonden, weer met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft.En bij zijn komst heeft Hij vrede verkondigd aan u, die veraf was, en vrede aan hen, die dichtbij waren; want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader.” (Efeziërs 2:14-16; zie ook 6:15)

De wet maakt onderscheid tussen Joden en heidenen, het geloof in Christus Jezus verbindt hen. De wet leert wat zonde en onreinheid is, zodat de mens Gods heiligheid beseft en Hem vreest. Christus Jezus is het volmaakte voorbeeld van heiligheid, dat de gelovigen voor ogen kunnen houden en navolgen. In hem hebben allen deel aan Gods genade, waarin hij hen met zich verzoent en zijn vrede schenkt:

“Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, door wie wij ook de toegang hebben verkregen tot deze genade, waarin wij staan.” (Romeinen 5:1)

De toestand van vijandschap tussen God en mensen, die ontstond door de zonde van de eerste mens, is in Christus tot een einde gekomen. Hiermee werd niet alleen de situatie in de hof van vóór de zonde hersteld, maar ook het doel, dat God voor ogen had, bereikt: een volmaakt en eeuwig levend wezen maken naar zijn beeld en als zijn gelijkenis, geschikt om Zijn schepping te besturen en te bewaren:

“Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen. En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft, welk immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen …” (2 Korintiërs 5:17-19)

 

Vraag ter overdenking:
Wat staat er in de brief aan de Filippenzen tegenover de gezindheid van het vlees?

Grote verzoendag

Voor de gelovige Israëliet was Verzoendag de grootste dag van het jaar. De Hogepriester ging met het bloed van een offerdier tot de Verbondsark in het heiligste vertrek van de Tempel om mensen en voorwerpen te reinigen. God beloofde daarbij dat Hij alle zonden en ongerechtigheid, die voor Hem werden beleden, voorgoed zou wegdoen (Lev. 16; 23:23-32; Hebr. 9:6-7; 18-22). Daarna kwam de Hogepriester naar buiten met een zegen voor het volk (Num. 6:22-27). Dit is een afbeelding van Gods heilswerk in Christus. Hij is de Hogepriester die eeuwige verzoening heeft bewerkt (Hebr. 9:8-10; 10:1). Hij heeft zichzelf één maal geofferd en is met zijn eigen bloed de hemel binnengaan. Daaruit verwachten zijn volgelingen hem met de zegen van eeuwig leven (9:11-15). Zijn offer is volmaakt en door God aanvaard om de zonden van alle mensen uit alle tijden, die hem als hun Verlosser verwachten, werkelijk en voorgoed weg te nemen (9:24-26; 10:11-14). Dierenoffers konden dat niet.

+

Voorgaand

Fundamenten van het Geloof 11 Christus, de door God gezonden Verlosser

++

Lees ook

  1. Betreft de Mens
  2. Twee soorten mensen
  3. De Falende mens #2 Vrije keuze
  4. Redding mogelijk voor allen
  5. Reddingsplan
  6. Het eeuwige verbond
  7. Fragiliteit en actie #15 Lossen of Verlossen
  8. Redding, vertrouwen en actie in Jezus #1 Bedekking Lijden
  9. Vertrouwen in Jezus Christus
  10. Een losgeld voor iedereen 1 De Voorziening van een tweede Adam
  11. Een Messias om te Sterven
  12. De Verlosser 1 Senior en junior
  13. De Knecht des Heren #3 De Gewillige leerling
  14. De Knecht des Heren #4 De Verlosser
  15. De avond dat Jeshua zijn talmidim opdroeg dat de Pascha Seder vanaf die tijd zal worden gevierd ter zijner nagedachtenis
  16. Vergiffenis
  17. Genade heeft te maken met verzoening
  18. Loskoper
  19. Zo maar gerechtvaardigd?
  20. Zalving als teken van verhoging
  21. Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 1
  22. Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 4 Verzet tegen God en Overeenkomstige prijs
  23. Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 5 Toetssteen en steen van aanstoot
  24. Onschuldig Lam
  25. Lam van God #3 Tegenover onschuldig dier een onschuldig man #2
  26. Messias zoon van David = Verzoening brengend
  27. Hoe heeft Jezus zulk een plezier voor God gedaan
  28. Zoenoffer
  29. Gisteren stierf hij voor mij
  30. Lijden goegemaakt door Jezus’ loskoopoffer voor zonde
  31. Verzoend met God
  32. Verzoening
  33. Verzoening met verbintenis
  34. Onvergeeflijke zonde en berouw
  35. Verscheidene Verbondakkoorden 9 Op het hart geschreven
  36. Actie bij aanvaarding van Redder Jezus
  37. Niet gebonden door labels maar vrij in Christus
  38. God wil u gunst betonen
  39. Verzoening en Broederschap 1 Getrouwheid en vergoeding
  40. Toewijding van ons
  41. Verzoening en de gekochte race
  42. Doopsel en bloedvergieten ter vergeving
  43. Zelfverloochening en witwassen door doop

Bijbel en Wetenschap: Geloof en onderzoek 6: Het bewijs van Gods bestaan (6) De persoonlijke ervaring (slot)

Bijbel en Wetenschap: Geloof en onderzoek 6: Het bewijs van Gods bestaan (6) De persoonlijke ervaring (slot)

Culturele achtergrond en ervaring

Wie de Schrift werkelijk wil doorgronden, moet zich terdege bewust zijn van de Joods-Hebreeuwse achtergrond daarvan. Dit Boek spreekt een taal van duizenden jaren geleden, een wereld met een totaal andere culturele achtergrond dan de onze. Die wereld was niet geïnteresseerd in wetenschappelijke bewijzen, maar in levenservaring. Kennis was bovenal ervaringskennis, en overtuigingen waren in de eerste plaats gebaseerd op persoonlijke ervaringen.
Het was een wereld waarin ouderdom stond voor wijsheid, gebaseerd op zulke levenservaring, en niet voor seniliteit of ‘niet meer van deze tijd’ zijn.

In onze wereld heeft ‘oude van dagen’ de klank van iemand wiens rol in het leven is uitgespeeld, die alleen nog op zijn levenseinde zit te wachten; in de Bijbel is het de aanduiding van God Zelf! (Dan 7:9). Er waren in die wereld geen over elkaar heen struikelende technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen, die de mens ademloos trachtte bij te houden. Hij was veel meer statisch, en ervaring telde vele malen zwaarder dan abstracte kennis. In zo’n wereld berust het ‘kennen’ van God op het ‘hebben ervaren’ van God, niet op abstracte bewijsvoering.

Wat is zulke ervaring waard?

Maar is pure persoonlijke overtuiging dan ‘toelaatbaar’ als bewijs?

Elke wetenschapper zal dat met klem ontkennen. En terecht!

Maar wetenschappelijk bewijs is dan ook bedoeld voor totaal andere situaties. Een wetenschapper heeft tot taak de gezamenlijke kennis van zijn vakgebied verder te helpen, en zijn collega’s hebben allee niets aan objectieve bewijzen, die ook hen overtuigen. Je kunt nu een-maal geen nieuwe bouwtechniek ontwikkelen voor het bouwen van verkeersbruggen, of woontorens, of wat dan ook, op basis van persoonlijke overtuiging.

Maar bij het dienen van God gaat het er nu juist wel om dat wij zelf, en niet anderen, volkomen overtuigd zijn van zijn bestaan en dus van de juistheid van de eisen die Hij stelt aan ons persoonlijk (moreel) gedrag. Geen enkel objectief bewijs van zijn bestaan zou ons daarbij ook maar een stap verder brengen. Het gaat om de consequenties die dat heeft voor ons eigen gedrag. En die kunnen juist alleen maar wortelen in een rotsvaste persoonlijke overtuiging.

Maar pas op: ook in dit geval is persoonlijke overtuiging op zichzelf nog geen acceptabel bewijs. Immers, het ontbreekt in onze wereld bepaald niet aan mensen met zeer sterke persoonlijke overtuigingen, die niet-temin elke bijbelse grond missen.

Wie zijn medemens ombrengt omdat ‘stemmen’ hem dat hebben bevolen achten we terecht geestelijk gestoord en rijp voor opname in een kliniek. En wie er allerlei onbijbelse ideeën over God op nahoudt op grond van zijn vaste overtuiging, is misschien wat minder gevaarlijk voor zijn medemens, maar niettemin evenzeer misleid.

De Bijbel heeft ons veel te vertellen over God, zijn karakter en zijn beloften, en over de eisen die Hij stelt aan ons gedrag en onze houding in het leven, allemaal op schrift gesteld om daar kennis van te nemen. Dat kun je niet zomaar overslaan met een beroep op persoonlijke overtuiging. Pas wanneer ons dat allemaal helder is, kunnen we de volgende stap zetten en op grond van persoonlijke ervaring constateren dat God in de dagelijkse praktijk inderdaad diegene is die de Schrift ons leert, en dat Hij dus een realiteit is.

Voor wie Gods geopenbaarde en op schrift gestelde leer vervangt door een overtuiging van eigen makelij is er geen enkel excuus.

Het voorbeeld van Abraham

Neem nu een man als Abraham. Hij was weggeroepen uit een hoogontwikkelde maatschappij, gevestigd in zwaar verdedigde steden. Hij was door God naar Kanaän geleid, waar hij rondzwierf als nomade, wonend in tenten, zijn aards bezit geïnvesteerd in kudden, menselijk gezien kwetsbaar. Kwetsbaar voor de onzekere regenval die het gras voor zijn kudden op het heuvelland moest doen groeien, kwetsbaar voor de jaloezie van de lokale bevolking in de vruchtbare dalen, en kwetsbaar voor legers die hem konden betrekken in een lokaal conflict. Zo moest hij leren vertrouwen op Gods bescherming. Wanneer hij probeerde zijn positie met eigen slimheid veilig te stellen, liep dat verkeerd af als God hem daar niet juist uit redde; wanneer hij zijn volle vertrouwen op God stelde, werd hij gezegend en ging het hem goed. Toen God hem, ondanks zijn hoge ouderdom, en die van zijn vrouw, een eigen zoon als erfgenaam beloofde, en hij dat (op initiatief van zijn vrouw) opnieuw eerst aanpakte met een oplossing van eigen makelij ging dat opnieuw niet goed; toen hij Gods oplossing accepteerde, juist wel. Vervolgens kreeg hij de belofte dat hij juist door deze zoon een talrijk nageslacht zou hebben. En dan vraagt God hem plotseling die zoon te offeren. En Abraham stemt zonder aarzeling toe! Veel commentaar hierop concentreert zich op zijn bereidheid het kostbaarste dat hij bezat ‘op te geven’, maar mist daarmee het belangrijkste aspect: de vervulling van al Gods beloften hing af van het ‘overleven’ van juist deze zoon. In zijn bereidheid hem niet temin te offeren, toont Abraham het rotsvaste geloof, dat hij in een leven met God heeft opgedaan, dat God hoe dan ook zijn beloften toch zal vervullen. De Schrijver aan de Hebreeën heeft daar dan ook terecht veel over te vertellen (zie Hebr. 11:17-19). Dat is geloof in God, gebaseerd op ervaring. Hem was duidelijk en precies verteld wat God van hem verwachtte, en het geloof dat het, ondanks alle mogelijke schijn van het tegendeel, uiteindelijk toch goed zou komen, was gebaseerd op die ervaring, eerst in het klein, en vervolgens in steeds grotere dingen.

De les van dit alles

Zulk geloof moeten ook wij ontwikkelen. Alleen wanneer wij zo, stap voor stap, leren vertrouwen op God, zullen wij de overtuiging kunnen ontwikkelen dat de God die de Schrift ons leert, bestaat en te vertrouwen is; dat Hij alles wat Hij heeft beloofd, ook waar maakt.

Wat Hij van ons wil, staat geschreven. Dat we op Hem kunnen bouwen moeten we ervaren. Alleen zulk geloof kan uitgroeien tot een rotsvaste overtuiging. Geen overtuiging waarmee we onze buurman ‘plat’ kunnen krijgen, maar dat hoeft ook niet: als die buurman voor God bruikbaar is, zal God daar zelf wel voor zorgen. Maar wel een overtuiging die ons zelf volledig overtuigt. Van ons wordt wel gevraagd dat we voortdurend, en met alle kracht, ‘getuigen’, maar niet dat we iets ‘bewijzen’, althans niet iets anders dan ons eigen geloof. Voor dat bewijs van zijn bestaan zal God dan wel zorgen. Wanneer we Hem daarbij tenminste niet voor de voeten gaan lopen met wetenschappelijke pretenties.

R.C.R.

+

Voorgaand

Het bewijs van Gods bestaan 1. De weg van veel goden naar geen God

Bijbel en Wetenschap – Geloof en onderzoek 1: Een wetenschappelijke benadering

Bijbel en Wetenschap: Geloof en onderzoek 2: Het bewijs van Gods bestaan (2)

Bijbel en Wetenschap: Geloof en onderzoek 3: Het bewijs van Gods bestaan (3) De Natuur als mechanisme

Bijbel en Wetenschap: Geloof en onderzoek 4: Het bewijs van Gods bestaan (4) Het heelal als toevalstreffer

Fundamenten van het Geloof 2: De levende en waarachtige God

Schepping, intelligent design, evolutie (4) Het ontstaan van het universum

Bijbel en Wetenschap: Schepping, intelligent design, evolutie (6) De Boodschap van de Bijbel zelf

Bijbel en Wetenschap: Geloof en onderzoek 5: Het bewijs van Gods bestaan (5) De toets

Begrijpend zingen: Psalm 56: Vertrouwen op God

+

Aanverwant over Vertrouwen op God

  1. Geloof in God nodig om te slagen
  2. Kwetsbaarheid en vertrouwen samen gaand
  3. Het treffen van tijd en toeval
  4. Overdenking: David: Geloof leren door beproeving
  5. Gedachte voor vandaag “Bedanken en prijzen voor Gods gerechtigheid” (4 januari)
  6. Gedachte voor vandaag “Geloof in moeilijke tijden” (14 januari)
  7. Erkenning van Jehovah’s soevereiniteit
  8. Ontmoeting met: De vrouw uit Sunem
  9. Heb vertrouwen in je geloof … twijfel aan je twijfels
  10. Door moeilijkheden zien dat de bijbel waar is

Als de tijd ten einde loopt …… Slechts een klein deel gered

Als de tijd ten einde loopt …… Slechts een klein deel gered

Strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen, zeg Ik u,zullen trachten in te gaan, doch het niet kunnen.”(Lukas 13:24, NBG’51)

In Lukas 13:23 lezen we hoe iemand Jezus vraagt:

Heer, zijn er maar weinigen die worden gered? En zijn antwoord is:
“Doe alle moeite om door de smalle deur naar binnen te gaan, want velen, zeg ik jullie, zullen proberen naar binnen te gaan maar er niet in slagen.”

Al geeft Jezus geen direct antwoord op de vraag, voor de goede lezer is het zonneklaar wat dat antwoord is:

‘Ja, het zijn weinigen’.

Maar zijn nadruk ligt op de moeite die je moet doen om daartoe te behoren. In de bergrede vinden we dit principe wat uitgebreider:

“Ga door de nauwe poort naar binnen. Want de brede weg, die velen volgen, en de ruime poort, waar velen door naar binnen gaan, leiden naar de ondergang. Nauw is de poort naar het leven, en smal de weg ernaartoe, en slechts weinigen weten die te vinden.” (Matt. 7:13-14).

Hier is het antwoord in elk geval glashelder:

velen zullen de makkelijke maar verkeerde weg volgen, en slechts weinigen de moeilijke maar goede weg.

De brede weg

Dit gaat niet over atheïsten. Ook wie de brede weg bewandelen beschouwen zichzelf als goede volgelingen van hun heer. Nogmaals Lukas en Matteüs:

“Jullie zullen zeggen: We hebben in uw bijzijn gegeten en gedronken en u hebt in onze straten onderricht gegeven. Maar hij zal tegen jullie zeggen:
Ik ken jullie niet … Weg met jullie, rechtsverkrachters!” (Luk. 13:26-27).

“(Bij het oordeel) zullen velen tegen mij zeggen:
“Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, hebben wij niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet vele wonderen verricht in uw naam?”
En danzal ik hun rechtuit zeggen:
“Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, wetsverkrachters!” (Matt. 7:21-23)

Zij zullen er bij het oordeel op wijzen dat zij vertrouwelijke omgang met hem hebben gehad, dat zij tot zijn ‘volk’ behoorden (in hun straten onderricht gegeven), dat zijzelf in zijn naam actief zijn geweest. En het antwoord zal zijn dat zij in werkelijkheid in dat alles tekort zijn geschoten, dat hij hen zelfs nooit gekend heeft. En hij noemt ze wetsverkrachters. Het Grieks is ‘wettelozen’, wat praktisch ‘goddelozen’ betekent.

Het gaat er dus niet om of je ‘lid’ bent van een bepaalde groep (welke dan ook). Behoudenis is er niet op zo’n basis. En ook niet om of je allerlei voorschriften in acht neemt. Natuurlijk: wie (bewust, of alleen maar uit gebrek aan interesse) Gods voorschriften overtreedt, is een zondaar en wordt niet behouden. Maar je kunt dat niet omdraaien en stellen dat wie ze in acht neemt dus ook behouden wordt. Ook niet wanneer je, uit geloofsijver, die voorschriften nog aanvult met allerlei extraatjes. De Farizeeën waren daar goed in, maar kregen daarvoor weinig applaus van Jezus. En het gaat er ook niet om of je allerlei superieure kennis bezit, of een ongeëvenaarde diepte van inzicht. Kennis en inzicht zijn hooguit gereedschappen: je moet ze gebruiken om er iets mee te bereiken. Wie ze niet gebruikt heeft er geen nut van.

De smalle weg

Waar gaat het dan wel om?

Om onze gezindheid, onze mentaliteit, in Bijbelse taal soms aangeduid als onze ‘geest’. Paulus spoort zijn bekeerlingen aan met:

“Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had” (Fil. 2:5).

Het Griekse woord voor ‘gezindheid’ is phronèma, dat duidt op een wijze van denken. De grondbetekenis is ‘plan’ of ‘besluit’, en het is afgeleid van phronis, inzicht. Verwante woorden zijn phronimos, bij zijn verstand, en phroneō, iets van plan zijn, met de bijbetekenis van: dat met alle inspanning willen verwezenlijken. Dit beschrijft een mens die ‘bij zijn volle verstand’ tot een bepaald inzicht is gekomen, op grond van dat inzicht een ideaal voor ogen heeft, en dat ideaal nu met inzet van al zijn vermogens tracht te verwezenlijken. Paulus gebruikt dit begrip regelmatig in zijn brieven, waarbij hij de gezindheid die de mens van nature (‘naar het vlees’) heeft, plaatst tegenover de gezindheid van de gelovige (‘naar de Geest’):

“… die naar het vlees zijn, hebben de gezindheid van het vlees, en zij, dienaar de Geest zijn, hebben de gezindheid van de Geest.” (Rom. 8:5, NBG’51)

Die gezindheid van de (Heilige) Geest noemt hij enkele verzen verderop achtereenvolgens de gezindheid van God en de gezindheid van Christus. Alleen gebruikt hij daar niet dat woord phronèma, maar het woord pneuma, geest. Vertalers laten zich daarom vaak verleiden dat op te vatten als de Heilige Geest en schrijven het dan met een hoofdletter (in het Grieks staan geen hoofdletters). Maar dan zie je over het hoofd dat Paulus dat woord ‘geest’ vaak gebruikt in precies die zin van mentaliteit, gezindheid:

“U was dood door de misstappen en zonden waarmee u de weg ging van de god van deze wereld … de geest die nu werkzaam is in hen die God ongehoorzaam zijn” (Efez 2:1-2).

En die ‘geest’ beschrijft hij dan zo:

“Net als zij lieten ook wij allen ons eens beheersen door onze wereldse begeerten, wij volgden alle zelfzuchtige verlangens en gedachten die in ons opkwamen en stonden van nature bloot aan Gods toorn, net als ieder ander.” (vs 3)

Ook hier gaat het om onze oorspronkelijke menselijke natuur tegenover de ‘gezindheid van Christus’. Zoals hij aan de gemeente te Kolosse schrijft:

“Richt u [phroneō: richt uw gezindheid] op wat boven is, niet op wat op aarde is” (Kol. 3:2).

Voortdurend lezen we dat wij onze natuurlijke, menselijke, wereldse, aards-gezinde mentaliteit moeten vervangen door de gezindheid van Christus. En die ‘gezindheid van Christus’ is dan ofwel de gezindheid die zich richt op (God en) Christus, of de gezindheid die Christus zelf toonde in zijn totale gehoorzaamheid aan de Vader. Of, waarschijnlijker nog: beide.

Die weg gaan

Die neiging dat woord geest op te vatten als Gods Geest i.p.v. als onze gezindheid, is niet alleen maar een verschil in interpretatie van een stukje Grieks. Velen hebben in deze tijd de neiging hun behoudenis te zien als iets dat God aan hen doet zonder veel (of zelfs geheel zonder enige) inbreng van hun kant. Extreem gesteld: je wacht tot God je zijn Geest wil schenken, en als Hij dat doet, ben je wedergeboren, en daarmee behouden. Maar Paulus’ argument is nu juist dat je met inspanning van al je vermogens die gezindheid moet ontwikkelen. Weliswaar heeft Jezus ons daarbij zijn hulp en steun beloofd, en op die hulp mogen we daarom rekenen. Maar hulp betekent toch altijd dat het initiatief bij ons ligt, niet dat een ander het wel voor ons doet. We moeten vóór alles laten zien dat het dienen van God ons hoogste streven is. Want dat was waar Paulus het over had in zijn brief aan de gemeente te Filippi:

“Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die: … degestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en … Zich heeft vernederd en gehoorzaam is geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.”(Fil. 2:5-8, NBG’51)

Hij beschrijft hier niet een gezindheid van lijdzaam afwachten, maar van actief bezig zijn (namelijk met zich dienstbaar te maken aan de Vader), van gehoorzaamheid en van opoffering, tot in de uiterste consequenties. En dat is ook de gezindheid die Jezus voor ogen stond, toen hij het tegenover Nicodemus had over dat wedergeboren worden (Joh 3:3).

Wedergeboren worden

Wedergeboren worden betekent: een zó radicale verandering in je leven aanbrengen dat het lijkt alsof daar een totaal nieuwe mens staat. En dat kan alleen maar betekenen dat je een totaal nieuw streven (phronèma) navolgt, een totaal nieuw doel voor ogen hebt. En ja, hij zegt in dat verband dat je moet worden wedergeboren door de (Heilige) Geest. Want die gezindheid kun je, als mens, uit jezelf niet zomaar ontwikkelen; daar heb je Gods hulp bij nodig. Maar opnieuw: we moeten zelf de eerste stappen zetten, en vervolgens ook op die weg blijven doorgaan.
De smalle weg gaan, betekent, hoe dan ook, dat we die zelf (als hetware te voet!) moeten afleggen, niet dat we kunnen gaan zitten wachten op Gods taxi. Dáár ligt dus ook de oorsprong van Paulus’ denken. In zijn brief aan Efeze schrijft hij (en let ook op de connecties met geest en gezindheid):

“U hebt toch over hem gehoord, u hebt toch onderricht over hem gekregen? Door Jezus wordt duidelijk dat u uw vroegere levenswandel moet opgevenen de oude mens, die te gronde gaat aan bedrieglijke begeerten, moet afleggen, dat uw geest en uw denken voortdurend vernieuwd moeten wordenen dat u de nieuwe mens moet aantrekken, die naar Gods wil geschapenis.” (Efez. 4:21-24).

Die nieuwe mens is wel naar Gods wil geschapen, maar wij moeten die zelf (als een nieuw kledingstuk) aandoen. En wij zelf moeten daartoe eerst onze oude levenswandel opgeven, en die ‘oude mens’ afleggen (uitdoen). En dat moeten we doen met inspanning van al onze vermogens.

Strijdt om in te gaan

Ja, het zijn weinigen die behouden worden. Maar de vraag of het er veel of weinig zouden zijn, was de verkeerde vraag.

De vraag had moeten zijn:

wat moet ik doen om behouden te worden?

En het antwoord daarop was:

“Strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen, zeg Ik u, zullen trachten in te gaan, doch het niet kunnen” (NBG’51).

Dat woord strijden heeft niets te maken met oorlog voeren; het beschrijft het deelnemen aan een wedstrijd. Bij wedstrijden is er maar één winnaar: hij die meer heeft gepresteerd dan alle andere deelnemers. Paulus zegt daarover:

“Weet u niet dat van de atleten die in het stadion een wedloop houden er maar één de prijs kan winnen?
Ren als de atleet die wint. Iedereen die aan een wedstrijd deelneemt beheerst zich in alles; atleten doen het voor een vergankelijke erekrans, wij echter voor een onvergankelijke.” (1 Kor 9:24-25)

Zijn waarschuwing is niet dat er ook in deze (wed)strijd maar één winnaar zal zijn, maar wel dat alleen zij die hun aller-uiterste best doen zo’n erekrans zullen ontvangen. En daar valt helaas nog altijd niets op af te dingen.

R.C.R.

 

+

Voorgaand

  1. Bijbels geloof en heidense filosofie
  2. Als de tijd ten einde loopt …… Vragen naar het goede
  3. Als de tijd ten einde loopt … De geest van Nimrod
  4. Fundamenten van het Geloof 6: Beproeving van het geloof

Fundamenten van het Geloof 11 Christus, de door God gezonden Verlosser

Gelooft u het getuigenis van God, zijn Zoon en zijn dienaren?

God beloofde de Verlosser te zijn van wie geloven. In Genesis maakte Hij al duidelijk dat de mens betrokken is bij de tot standkoming van zijn verlossing:

“En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit (zaad van de vrouw) zal u (slang) de kop vermorzelen en u (slang) zult het de hiel vermorzelen” (Genesis 3:15)

God had voorzien in een nakomeling die een einde zou maken aan de slang, het symbool voor vijandige mensen die Gods kinderen af proberen te houden van eeuwig leven, door hen te verleiden tot zonde. In verband met de gevolgen daarvan deed God een verstrekkende belofte aan Abraham:

“… uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit nemen. En met uwnageslacht zullen alle volken gezegend worden …” (Genesis 22:16-18)

De apostel Paulus legde in de brief aan de Galaten uit, dat deze beloften aan Abraham in eerste instantie in enkelvoud bedoeld was. Ze hebben betrekking op een bepaalde mens, die uit hem voortkwam:

Christus Jezus (3:16).

Het punt in zijn redenering is, dat ieder mens die in hem gelooft, deel krijgt aan de beloften aan Abraham. Wat betrekking had op de ene mens, Christus Jezus, de ware Zoon van God, krijgt zijn vervulling in veel meer zonen:

“Want u bent allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus … Indien u nu van Christus bent, dan bent u zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.” (Galaten 3:26-29)

Deze beloften werden niet alleen aan het nageslacht van Abraham gegeven, maar ook aan hem persoonlijk. Hij is echter op de door God bepaalde tijd gestorven en tot stof vergaan. Hij is de poort van het dodenrijk (zie Matth.16:16) binnengegaan en is nu in de macht van zijn grootste vijand: de wrede koning dood. Dit houdt in dat God zijn beloften aan hem alleen kan vervullen door hem uit de doden op te wekken (vergelijk Hebr. 11:17-19).

Jezus bewees de noodzaak van de opstanding van Abraham, toen hij wees op het feit dat God in tegenwoordige tijd en niet in verleden tijd tegen Mozes zei, dat Hij de God van Abraham is (Matth. 22:31-33). De belofte aan hem was dat zijn nageslacht de poort van zijn vijanden in bezit zou nemen. In de praktijk van die tijd hield dit in,  dat je de vijand had verslagen en bepaalde wie de stad in mocht en en wie de stad uit moesten gaan. In de belofte aan Abraham betekent het dat de vijanden van God en zijn kinderen zijn verslagen, en dat het beloofde Koninkrijk is gekomen. De nieuwe Koning bepaalt niet alleen wie dat Koninkrijk binnengaan, maar ook het voormalige rijk van koning dood in en uitgaan. De heer Jezus Christus zei over zichzelf:

“… Ik ben dood geweest, en zie Ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en Ik hebde sleutels van de dood en het dodenrijk.” (Openbaring 1:17-18)

Dat hij dood is geweest, houdt in dat hij ook zelf eerst uit de dood bevrijd moest worden:

“… daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft; de dood voert geen heerschappij meer over Hem.” (Romeinen 6:9)

Hij is het domein van de sterkste vijand van de mens binnengegaan en, omdat hij weer levend werd gemaakt door zijn God en Vader, kon hij de poort van binnenuit openen, om allen die in het geloof gestorven zijn en daar machteloos liggen, daaruit te bevrijden. Het beeld van de bevrijding van de ballingen uit Babel, in het boek van de profeet Jesaja, past ook goed bij de verlossing van de zonde en de dood, zoals deze in het NT wordt voorgesteld:

“Kan aan een sterke de buit ontnomen worden, of zullen de gevangenen van hem die in zijn recht is, ontkomen? Maar zo zegt de HERE:

Toch worden de gevangenen aan een sterke ontnomen, en ontkomt de buit een geweldige … Ik zelf zal uw zonen redden” (Jesaja 49:24-25; vergelijk Mattheüs 12:29).

Hij ‘die in zijn recht is’ was de tiran Nebukadnezar, de koning van Babel. In de brief aan de Romeinen is de tiran van de gelovigen, de dood die als koning is gaan heersen (Romeinen 5:17). Degene die hem heeft bestreden en overwonnen, is Christus Jezus. Hij heeft daarom van de eeuwige God de macht ontvangen mensen te bevrijden uit het dodenrijk, zoals Hij toont bij de opwekking van Lazarus:

“Ik zal u (de Knecht van God) … stellen tot een verbond voor het volk … omtot gevangenen te zeggen: Gaat uit! Tot hen die in de duisternis zijn: Komt tevoorschijn!” (Jesaja 49:8-9; zie ook 42:7 en 61:1)“

… en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen …om verbrokenen heen te zenden in vrijheid. (Lucas 4:19)

“Lazarus, kom naar buiten! … Maakt hem los en laat hem heen-gaan.” (Johannes 11:43-44)

Hij spreekt als een koning tot wie zijn eigendom zijn. Na zijn leven van gehoorzaamheid en kruisdood is hij door God waardig bevonden heer te zijn over al zijn bezit. God gaf hem allen die hij op grond van hun geloof heeft bevrijd uit de macht van de heerser die hij versloeg en als buit meenam:

“Daarom zal Ik hem velen als deel geven en talrijken zal hij als buit ontvangen…” (Jesaja 53:11-12)

Maar vanaf dat moment zijn deze velen geen gevangenen meer, maar tot burgers van zijn Koninkrijk gemaakt. En nu hij bij God in de hemel is, verwachten zij zijn komst met eeuwig leven voor zijn volk:

“Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen.” (Filippenzen 3:20-21)

Het is Christus gegeven allen die in hem geloven, in naam van zijn Vader, de enige en waarachtige Verlosser, te bevrijden van de eeuwige vloek van de dood. Hij zal hen door de kracht van God eeuwig leven schenken, door de weg tot de boom des levens, die werd afgesloten door de zonde van de eerste mens, weer te openen.

Niet de dood maar God overwint in Christus:

“Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.” (Romeinen 3:23)

“De dood is verzwolgen in de overwinning. Dood, waar is uw overwinning, dood, waar is uw prikkel. De prikkel van de dood is de zonde … Maar God zijdank, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus.”(1 Korintiërs 15:54-57)

“Wie overwint, hem zal Ik (Christus) geven te eten van de boom des levens…” (Openbaring 2:7)

Dan kunnen de woorden die God sprak na de zonde van de eerste mens, omgedraaid worden:

‘Laat de mens nemen en eten van de boom des levens, opdat hij in eeuwigheid zal leven

 

1ste Vraag ter overdenking:

Hoe is de losprijs betaald om gelovigen te bevrijden van de dood?

2de Vraag ter overdenking:

Op grond waarvan kunnen wij in Christus verlost worden?

 

Christus Jezus en de verhoogde slang

Mozes en de Nehushtan (“Koperslang” of “slang van (het) koper”) aan een kruis, afbeelding uit 1907. – In het verhaal in Numeri 21 staat dat de Israëlieten toen zij tegen JHWH en Mozes ageerden, werden gestraft door giftige slangen. Als zij echter na gebeten te zijn keken naar de bronzen slang, zouden ze niet sterven.

Toen Israël in de woestijn zondigde stuurde God slangen om hen te doden. Wie gebeten was ontkwam niet aan de dood. Maar God trof een voorziening: Mozes plaatste een koperen slang op een paal en wie gelovig daarop de blik richtte, werd verlost van de dood (Num. 21:8-9). Maar niet voor eeuwig.
Jezus vergeleek zijn verhoging aan de houten paal met die van de slang aan de paal. Wie gelovig de blik op hem richt zal voor eeuwig behouden worden, maar wie niet in hem gelooft, is verloren (Joh. 3:14-18)

+

Voorgaand

Fundamenten van het Geloof 10 De Verlosser uit de dood

Overdenking voor vandaag

++

Aanvullende artikelen

  1. Een goddelijk Plan #4 Beloften
  2. Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #1 Abraham de aartsvader
  3. De Verlosser 1 Senior en junior
  4. Verlosser of Messias aangekondigd door Daniël
  5. De Knecht des Heren #4 De Verlosser
  6. Christus in Profetie #2 De Knecht in Jesaja (2) Behoefte aan Verlossing
  7. Christus in Profetie #5 De Knecht in Jesaja (5) Verhoging van de Knecht
  8. Christus in Profetie #8 De psalmen (2B) De Gezalfde goede herder spreekt
  9. Jezus Christus De Zoon van Adam, de Zoon van God
  10. Zoon van God
  11. Zoon van de levende God
  12. Zoon van God vrijkoper
  13. Zaad van David
  14. Zoon van David
  15. Zoon van God – Vleesgeworden woord
  16. Zoon van God dé Weg naar God
  17. Zoon van God en middelaar
  18. Zoon van God en zijn autoriteit
  19. Zoon van God door God als Zijn geliefde zoon verklaard
  20. Zoon van God geopenbaard
  21. Uw vertroostingen verkwikken mijn ziel
  22. Een lovende ziel voor Hem die troost, geneest, vergeeft, verlost, gaven en recht geeft, rijk aan ontferming
  23. Verlossing #8 Gerechtigheid door geloof
  24. Uitlopen om uit lichaam te wonen
  25. Aan een betere opstanding deelhebben

Bijbel en Wetenschap: Geloof en onderzoek 5: Het bewijs van Gods bestaan (5) De toets

Bijbel en Wetenschap: Geloof en onderzoek 5: Het bewijs van Gods bestaan (5) De toets

Een wetenschappelijke benadering voor de bewijsvoering van het bestaan van God

In deel 1 van deze serie hebben we terloops geconstateerd dat vrijwel al die goedbedoelde pogingen om Gods bestaan wetenschappelijk te bewijzen de praktische fout maken dat te willen doen buiten zijn eigen Woord om, terwijl dat Woord nu juist de centrale plaats zou moeten innemen in onze overtuiging. En dat de daaraan ten grondslag liggende fundamentele fout is dat al deze ‘bewijzen’ zijn opgezet om anderen te overtuigen, in plaats van onszelf.

De beide laatste delen van deze serie willen we nu besteden aan deze twee aspecten.

Deze keer gaan we in op de vraag wat Gods Woord er zelf over te zeggen heeft.

Profetieën en tekenen

Wanneer Mozes in Deuteronomium, als het volk op het punt staat het land binnen te trekken, nogmaals Gods Wet uiteenzet, introduceert hij ook het ambt van profeet. Een profeet zou rechtstreeks namens God tot hen spreken. Maar dan zouden zij wel moeten kunnen weten of iemand die beweerde zo’n profeet te zijn, daarin wel de waarheid sprak. Mozes geeft hun daarom een toets:

“als een profeet zegt te spreken in de naam van de HEER, maar zijn woorden komen niet uit en er gebeurt niets, dan is dat geen profetie van de HEER geweest” (Deut.18:22).

Daarbij moeten we bedenken dat profetie in feite maar zelden een blote ‘voorspelling’ van de toekomst is; meestal is het een les of een waarschuwing, of een oproep tot bekering. Daarom zien we in de praktijk vaak dat belangrijke profetische uitspraken gepaard gaan met ‘een teken’. De profeet kondigt dan iets aan dat op korte termijn zal gebeuren, als ‘bewijs’ dat God hem inderdaad heeft gezonden.

Wanneer koning Jerobeam van het nieuwe noordelijke rijk Israël, in strijd met Gods gebod, in Betel een nieuw heiligdom sticht, met een eigen brandofferaltaar, verschijnt daar een profeet met de boodschap:

“Dit zegt de HEER:

In de familie van David zal een zoon worden geboren, Josia geheten. Op (dit altaar) zal deze Josia de priesters (van dit heiligdom) ten offer brengen” (1 Kon. 13:2).

In werkelijkheid zou het echter nog meer dan twee eeuwen duren eer deze profetie in vervulling zou gaan. Daarom kondigt de profeet ook een korte termijn teken aan:

“Dit is het teken dat het de HEER is die gesproken heeft: het altaar zal splijten en de as die erop ligt zal op de grond vallen” (vs 3).

Dat gebeurt dan onmiddellijk, zodat het volk weet dat dit een woord van God is.

Even voor alle volledigheid: wanneer een ‘profeet’ met een boodschap komt die in houdelijk duidelijk in strijd is met Gods Woord, dan is dat op zichzelf al voldoende bewijs dat hij niet namens God spreekt. In zo’n geval hoeft geen enkel begeleidend ‘teken’ nog van waarde te worden geacht. Dat principe had Mozes al uitgelegd in Deut. 13.

De profetie van Jesaja als kenmerkend voorbeeld

In het tweede deel van de profetie van Jesaja vinden we het regelmatig terugkerende thema van een rechtszaak tussen God en de afgoden. God claimt daarin dat Hij de enige ware god is en dat de zogenaamde goden van de volken in feite niets zijn; en dat Hij dat kan aantonen door te tonen hoe Hij de loop van de geschiedenis heeft gestuurd en nog verder zal sturen. Hij daagt de afgoden uit ook met zulke bewijzen te komen:

“Voer jullie rechtsgeding, zegt de HEER, lever overtuigende bewijzen … Vertel ons over wat vroeger is gebeurd, zodat wij de afloop nu al kennen. (of:) Licht ons in over wat komen gaat, geef ons aanwijzingen over de toekomst, dan weten wij dat jullie goden zijn” (Jes. 41:21-23).

God roept daarbij zijn eigen volk op als getuige, terwijl de afgoden hun aanhangers als getuigen mogen oproepen:

“Alle volken zullen zich verzamelen. Wie van hun goden heeft aangekondigd wat eertijds nog te gebeuren stond? Laten zij [die afgoden] getuigen leveren om hun gelijk te bewijzen … Mijn getuige zijn jullie – spreekt de HEER – die Ik uitgekozen heb opdat jullie Mij zouden kennen en vertrouwen, en zouden inzien dat Ik het ben” (Jes. 43:9-10).

Maar dat doel (kennen en vertrouwen) geldt uiteraard net zo goed voor ons.
De centrale boodschap van het boek Jesaja is dat God zijn getrouwe dienaren zal bevrijden uit de macht van de zonde, die tot de dood leidt. Die onoverwinnelijke vijand, de dood, zal voor God niet onoverwinnelijk blijken, maar uiteindelijk worden overwonnen door een ‘Knecht’ die God zal verwekken. Maar om dat duidelijk te maken vinden we in het boek een parallel, een beeld, om dit te illustreren.
Het volk zal (om zijn zonden) in ballingschap worden weggevoerd door een toekomstige machtige koning van Babel. Maar God zal hen weer uit de handen van dat onoverwinnelijk schijnende Babel bevrijden, door een overwinnaar te doen komen (in feite de Perzische koning Kores of Cyrus), die dat machtige rijk van Babel zal verslaan. En zo zou Hij ook de overwinnaar brengen die de zijnen zou verlossen uit de macht van de dood. Maar dat Babel was nog verre toekomst; het begin van die overheersing kwam pas een eeuw na Jesaja, en de bevrijding door Kores nog eens 70 jaar later. Daarom geeft God ook een korte termijn‘teken’. In Jesaja’s dagen was Assyrië, niet Babel, de wereldmacht die hen bedreigde. En dat machtige Assyrië zal God in hun dagen voor de poorten van zijn stad Jeruzalem verpletterend verslaan:

“De HEER van de hemelse machten heeft gezworen:

‘Voorwaar, het zal gaan zoals Ik heb bepaald. Ik breek de Assyrische heerschappij over mijn land, Ik verbrijzel Assyrië op mijn bergen. Mijn volk wordt van zijn juk bevrijd …

Wanneer Hij dit besloten heeft, de HEER van de hemelse machten, wie zal het dan verijdelen?” (Jes 14:24-27).

En zo is het ook gebeurd: in het jaar 701 v.GT. is het Assyrische leger in Judea volledig vernietigd (zelfs uit de kronieken van de Assyrische koning Sanherib valt dit voorzichtig af te lezen), als begin van de ondergang van dat rijk dat uiteindelijk, een eeuw later, werd overwonnen door het Babylonische.

De slotsom

Wat vertelt ons dit alles?

In de eerste plaats dat God hiermee het wettig en overtuigend bewijs heeft geleverd dat Hij inderdaad de geschiedenis leidt, en dat Hij daarmee zijn ‘rechtsgeding’ wint.

Let op dat het niet maar een kwestie is dat Hij ons ‘de toekomst kan voorspellen’, nee Hij stuurt die toekomst en zorgt ervoor dat die de loop neemt die in overeenstemming is met zijn besluiten, namelijk de loop die in het beste belang is van zijn getrouwe dienaren – ook al lijkt dat op het eerste gezicht misschien niet altijd zo te zijn. En dat is een bewijs, niet alleen voor zijn bestaan maar, veel belangrijker dan dat, van zijn zorg voor de zijnen. Want vooral dat is de les die dit ons wil leren: God bestaat niet alleen, maar je kunt ook blind op Hem vertrouwen.

R.C.R.

+

Voorgaand

Het bewijs van Gods bestaan 1. De weg van veel goden naar geen God

Bijbel en Wetenschap – Geloof en onderzoek 1: Een wetenschappelijke benadering

Bijbel en Wetenschap: Geloof en onderzoek 2: Het bewijs van Gods bestaan (2)

Bijbel en Wetenschap: Geloof en onderzoek 3: Het bewijs van Gods bestaan (3) De Natuur als mechanisme

Bijbel en Wetenschap: Geloof en onderzoek 4: Het bewijs van Gods bestaan (4) Het heelal als toevalstreffer

Fundamenten van het Geloof 2: De levende en waarachtige God

Schepping, intelligent design, evolutie (4) Het ontstaan van het universum

Bijbel en Wetenschap: Schepping, intelligent design, evolutie (6) De Boodschap van de Bijbel zelf

++

Aanvullende lectuur

  1. Populaire zoekvragen over God op Google
  2. De Weg naar het juiste station vinden
  3. Gods Uitspraken opgetekend in een boek
  4. Het woord van de Ware God gegeven voor wijsheid te vergaren
  5. De Bijbel onze Gids
  6. De Bijbel als instructieboek #1 Lezen van de Bijbel
  7. De Bijbel als instructieboek #2 Effectief Bijbellezen
  8. De Bijbel als instructieboek #3 De Taal van de Bijbel
  9. Opgetekend in je hoofd wat is neergetekend
  10. Bijbel, Gods Woord tot opvoeding (NBG51)
  11. Hermeneutiek om uit te dragen #1 Verslaggevers
  12. Wonder van openbaring
  13. Elohim, Mar-Yah laat Zijn wonderwerken zien
  14. Bijbelgezegden over God
  15. Een Drievoudige God of simpelweg een éénvoudige God
  16. Schepper en Blogger God 8 Een Blog van een Boek 2 Heilig Maker van de Geschriften
  17. Schepper en Blogger God 9 Een Blog van een Boek 3 Over Profetie
  18. Instrumenten voor de vervulling van de profetie
  19. Zomertijd ideaal om met Bijbellezing aan te vangen #2 Blijvende waardevolle schat
  20. Bestaan en moeilijke herkenning van het Hoogste Godheidswezen
  21. Hoge herkenningen. . . . Het hele licht van het universum
  22. Geloven in God
  23. Uitdagende vordering 2 Goddelijk geïnspireerd 1 Eenvoudige woorden
  24. Begrijpend Zingen: Psalm 8: Heerschappij mens en luister
  25. Begrijpend zingen: Psalm 105-106
  26. Zit je met vele vragen vind dan een site die misschien antwoorden kan geven op levensbelangrijke vragen
  27. Voor hen die beweren dat Jezus God is

Fundamenten van het Geloof 10 De Verlosser uit de dood

De Verlosser uit de dood

God heeft in Adam alle mensen onderworpen aan de dood. Want allen hebben zich door hun zonde met Adam verbonden, en delen in het vonnis dat God over hem uitsprak. Sindsdien worden wij allen door de dood gevangen gehouden. Niemand kan aan de dood ontkomen, en niemand kan zichzelf, een goede vriend, of dierbaar familielid, op eigen kracht uit het graf bevrijden. Er is geen mogelijkheid een losprijs of borgtocht te betalen, zodat een gevangene van de dood op vrije voeten komt:

“Niemand kan ooit een broeder (zichzelf) loskopen, noch God zijn losprijs betalen, – te hoog is immers de prijs voor hun leven, voor altijd ontoereikend – dat hij voor immer zou voortleven, de groeve niet zou zien.” (Psalm 49:8-10)

Toch zijn er aan wie geloven beloften gegeven, die nog niet zijn vervuld. En omdat God trouw is aan Zijn gegeven woord, beloofde Hij voor hen een Verlosser te zijn. Wat in dit verband betekent dat Hij hen zal bevrijden uit hun gevangenis, van de ketenen van de dood. In de Bijbel zien we de zekerheid die deze hoop biedt, en de vreugde over dit vooruitzicht dat God geeft:

“Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God.”
“Maar God zal mijn leven verlossen uit de macht van het dodenrijk …”
(Psalm 42:6 en Psalm 49:16)
“Looft de HERE … die uw leven verlost van de groeve, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid, die uw ziel verzadigd met het goede …”(Psalm 103:2-5)

Hoewel in een aantal gevallen bedoeld wordt, dat God voorkwam dat iemand stierf (zie bijvoorbeeld Job 33:24 en 28), gaat het in Psalm 49 duidelijk over de verlossing uit de dood (zie vers 14 en 15 voor het verband met het ‘maar’ van vers 16).

“13 (49-14) Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela. 14 (49-15) Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in dien morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning. 15  (49-16) Maar God zal mijn ziel van het geweld des grafs verlossen, want Hij zal mij opnemen. Sela. 16 (49-17) Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;” (Ps 49:13-16 STV)

God is, als de bezitter van inherent onsterfelijk leven, de enige die ons daaruit kan bevrijden (Jesaja 43:11; 45:21; 47:4;63:16).

“Ik, Ik ben de HEERE, en er is geen Heiland behalve Mij.” (Jes 43:11 STV)

“Verkondigt en treedt hier toe, ja, beraadslaagt samen: wie heeft dat laten horen van ouds her? Wie heeft dat van toen af verkondigd? Ben Ik het niet, de HEERE? en er is geen God meer behalve Mij, een rechtvaardig God, en een Heiland, niemand is er dan Ik.” (Jes 45:21 STV)

“Onzes Verlossers Naam is HEERE der heirscharen, de Heilige Israëls.” (Jes 47:4 STV)

“Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet; Gij, o HEERE! zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam.” (Jes 63:16 STV)

In Psalm 102 is er een verband tussen gevangenschap en de dood als iets menselijkerwijs onafwendbaars en onherroepelijks, maar waaruit God bevrijdt door de boeien en ketenen van gevangenen los te maken.

Ook in andere psalmen is God de bevrijder van gevangenen:

“De HERE maakt de gevangenen los …” (Psalm 146:8)
“… die gevangenen uitleidt in voorspoed …” (Psalm 68:7)
“… de HERE heeft uit de hemel op aarde geschouwd, om het zuchten van de gevangenen te horen, om de ten dode gedoemden te bevrijden …” (Psalm 102:20-21; zie ook Psalm 79:11)

Gelooft u het getuigenis van God, zijn Zoon en zijn dienaren?

“Banden van de dood hadden mij omvangen … Ach HERE, red mijn leven …Want u hebt mijn leven van de dood gered … Kostbaar is in de ogen van de HERE de dood van zijn gunstgenoten … U hebt mijn banden losgemaakt.” (Psalm 116)

Wanneer God in staat is om te verhinderen dat iemand sterft, dan kan Hij ook bevrijden wie gestorven zijn. In het boek van de profeet Hosea blijkt inderdaad dat God daartoe in staat is:

“Zou Ik hen uit de macht van het dodenrijk bevrijden, van de dood loskopen?” (Hosea 13:14)

De vraag is hier niet of Hij het kan, maar of Hij het wil, gezien de zonden van het volk Israël. Het bevrijdende antwoord is: Ja!
God zal de gelovige bevrijden uit de hand van zijn, en daarmee Gods vijanden, ook van de grootste en machtigste van alle, de dood:

“God staat op, zijn vijanden worden verstrooid … zo vergaan de goddelozen voor Het aangezicht van God. Maar de rechtvaardigen verheugen zich, zij juichen voor het aangezicht van God … die gevangenen uitleidt in voorspoed.” (Psalm 68:2-7)“

“Ja heil en goedertierenheid zullen mij volgen, al de dagen van mijn leven; ik zal in het huis van de HERE verblijven tot in lengte van dagen” (Psalm 23:6).

Het bewijs dat God de rechtvaardigen niet alleen kan, maar ook daadwerkelijk zal verlossen uit de dood, is te zien in de opwekking tot eeuwig leven van Zijn Zoon. Ook hij kon zichzelf niet bevrijden van de dood; machteloos lag hij in het graf, totdat God hem daaruit bevrijdde. Dit was de vervulling van de belofte, die Hij eeuwen daarvoor had gegeven in profetieën, die op Jezus Christus betrekking hebben:

“Omdat hij Mij zeer bemint, zal Ik hem bevrijden … Ik zal hem uitredden en tot ere brengen. Met lengte van dagen zal Ik hem verzadigen …” (Psalm 91:14-16; zie voor verband met Christus Jezus vers 11-12/Luc. 4:10-11)

“11 Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen. 12 Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.” (Ps 91:11-12 STV)

“10 Want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, dat zij U bewaren zullen; 11 En dat zij U op de handen nemen zullen, opdat Gij Uw voet niet te eniger tijd aan een steen stoot.” (Lu 4:10-11 STV)

“Leven vroeg hij van U; U gaf het hem, lengte van dagen voor altoos enimmer.” (Psalm 21:5)

De gevangenschap van de Here Jezus in de dood wordt benadrukt door het feit, dat er na zijn begrafenis een grote steen voor het graf werd gerold, deze werd verzegeld, en er, zoals bij gevaarlijke gevangenen gebruikelijk was, vier soldaten voor het graf werden gezet om het (lees Hem) te bewaken (Mattheüs 27:62-66). Desondanks bleek het graf na enkele dagen leeg te zijn, zonder geschonden te zijn:

“Wat zoekt u de levende bij de doden? Hij is hier niet, maar Hij is opgewekt.” (Lucas 24:5-6)

“God evenwel heeft Hem opgewekt, want Hij verbrak de weeën van de dood, naardien het niet mogelijk was, dat Hij door hem werd vastgehouden.” (Handelingen 2:24)

Voor de apostelen was dit de vervulling van profetische woorden van David, die, omdat hij gestorven en begraven is, op iemand anders dan hemzelf betrekking moeten hebben (Handelingen 2:25-32; 13:34-37):

Ik stel mij de HERE bestendig voor ogen; omdat Hij aan mijn rechterhand staat, wankel ik niet. Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel, zelfs mijn vlees zal in veiligheid wonen; want God geeft mijn ziel niet prijs aan het dodenrijk, noch laat U uw gunstgenoot de groeve zien.” (Psalm 16:8-11)

Hiermee heeft God een zeer groot werk verricht: voor het eerst werd een mens niet tijdelijk opgewekt uit de doden, om – zoals tot dan toe het geval was geweest – later toch weer te sterven, maar voor eeuwig. De kracht die God gebruikte bij de opwekking tot eeuwig leven van zijn Zoon, zal Hij ook voor anderen gebruiken:

“… hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte van zijn macht, die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan zijn rechterhand…” (Efeziërs 1:19-20; vergelijk 1 Korintiërs 6:14)

“En God heeft ook den Heere opgewekt, en zal ons opwekken door Zijn kracht.” (1Co 6:14 STV)

Deze belofte geldt voor wie in dit leven de begeerten van het vlees doden en leven voor God:

“Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid. En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont” (Romeinen 8:10-11).

J.K.D.

 

Vraag ter overdenking:

Hoe is de losprijs betaald om gelovigen te bevrijden van de dood?

+

Voorgaande

Fundamenten van geloof 3: De Persoonlijkheid van God

Fundamenten van het Geloof 9 De hoop op eeuwig leven door opstanding uit de doden

++

Aanvullende lectuur

  1. God is een verhaal #2 Voorgangers niet gediend met een Enige God
  2. Uitspraak van straf over de mens
  3. Dood
  4. Gedachte voor 2 januari 2018
  5. Redding mogelijk voor allen
  6. Reddingsplan
  7. Keuze van levende zielen tot de dood
  8. Betreffende Christus # 2 Goddelijke bron, verband en goddelijk mens
  9. De opgestane Heer
  10. Addendum 1: de leer van de “antichrist”
  11. Vertrouwen, Geloof, Roepen en Toeschrijving aan Jehovah #10 Gebed #8 Voorwaarde
  12. Gedachte voor vandaag “Geloof in moeilijke tijden” (14 januari)
  13. God mijn schutting, mijn hoop voor de toekomst

Bijbel en Wetenschap: Geloof en onderzoek 4: Het bewijs van Gods bestaan (4) Het heelal als toevalstreffer

Bijbel en Wetenschap: Geloof en onderzoek 4: Het bewijs van Gods bestaan (4) Het heelal als toevalstreffer

Het bewijs van Gods bestaan: Het heelal als toevalstreffer

In de serie ‘Intelligent Design’ (intelligent ontwerp) wees ik er al op dat fundamentalistisch denkende christenen een uitgesproken voorkeur hebben voor bewijs vanuit de biologie, met voor bijzien van een vak zoals bijv. de fysica. Wellicht weerspiegelt dat de fervente neiging van veel mensen om hun argumenten door anderen te laten aanleveren, om ze dan zelf alleen maar te hoeven uitventen.

Ongetwijfeld scheelt dat veel denkwerk. Maar er is altijd het risico dat de gebruiker de essentie van het oorspronkelijke argument niet (of niet goed) heeft begrepen, en er dan reddeloos mee de fout in gaat. Of er is het risico dat de gebruiker er zich onvoldoende van bewust is dat er intussen wetenschappelijk veel meer bekend is, en dat op grond daarvan de houdbaarheidsdatum van het argument inmiddels is overschreden. Zulke argumenten kunnen dus nuttig zijn om kennis van te nemen, maar zijn uiterst riskant om zelf (tweedehands) te gebruiken, tenzij je voldoende bekend bent met het vakgebied.

Ons verbazingwekkende heelal

Paul Davies, Brits-Australische en internationaal bekende natuurkundige, hoogleraar natuurkunde aan de Arizona State University sinds 2006 en gasthoogleraar aan de University of New South Wales sinds 2015 en Imperial College London,

Meer van belang is echter dat er in de categorie ‘nuttig om kennis van te nemen’ intussen interessantere argumenten zijn, dan die van de eerwaarde 19e-eeuwse dominee Paley. The Britse professor in de fundamentele fysica Paul Davies heeft een paar dozijn boeken geschreven over de betekenis die recente ontdekkingen in de moderne fundamentele natuurkunde hebben op ons beeld van het heelal. Dat loopt van ‘The accidental Universe’ (Het heelal als toevalstreffer) tot ‘The mind of God’ (Gods geest, met geest in de zin van aanpak of manier van denken). Het komt er op neer dat het heelal aan alle kanten en op allerlei gebieden blijk geeft van een uiterst precieze fijn-afstelling, en dat het zonder die exacte fijnregeling niet zou kunnen bestaan, en wij dus ook niet. Wie alleen maar (populair-)wetenschappelijke boeken leest wanneer ze zijn mening over het bestaan van God duidelijk bevestigen, zal er wellicht door worden teleurgesteld. Want vooral in zijn oudere boeken gaat hij absoluut niet die kant uit. Hij ziet het dan nog uitsluitend als een weliswaar groot, maar toch niet onmogelijk toeval. Maar het interessante is dat hij, op basis van zijn waarnemingen en overwegingen, gaandeweg steeds meer opschuift naar de overtuiging dat er wel degelijk sprake moet zijn van een of andere oorzaak die zelf buiten ons heelal moet zijn gelegen. Maar je moet zelf dan maar beslissen of je die oorzaak ‘god’ wil noemen. Dat betekent in elk geval dat hij in dat opzicht een objectief overzicht geeft van wat er aan de hand is, zonder (desnoods tegen beter weten in) ten koste van alles iets te willen bewijzen, wat dan ook.

Wat willen we er eigenlijk mee?

Kun je dan op deze manier wel het bestaan van God bewijzen

Want dat is tenslotte het onderwerp van deze serie. Helaas moet ik u nu teleurstellen. Het bestaan van God laat zich ook langs deze weg niet waterdicht wetenschappelijk bewijzen, al geeft het ontegenzeggelijk boeiende en verhelderende inzichten. Want hoe meer we inzien hoe verschrikkelijk zorgvuldig dit hele heelal in elkaar steekt, hoe meer bewondering we onvermijdelijk krijgen voor ‘de ontwerper en bouwmeester’ ervan. En daar wordt helaas maar al te weinig aandacht aan geschonken.

Te veel christenen zien hier volledig aan voorbij (al zullen ze dat zelf ten stelligste ontkennen). Want ze zoeken alleen maar waterdichte bewijzen, en komen daardoor aan bewondering niet toe. Ze beoordelen de wetenschap uitsluitend op haar bruikbaarheid voor het leveren van dat vurig gezochte bewijs, en als dat er niet in zit wenden ze zich teleurgesteld af, of ze passen de wetenschappelijke feiten net zolang aan tot die dat bewijs wel kunnen ‘leveren’. Of anders beschouwen ze wetenschappelijke feiten juist als potentieel gevaarlijk, omdat hun overtuiging er wel eens door weerlegd zou kunnen worden (wat in feite een teken van twijfel is!), en dan doen ze er alles aan om ‘aan te tonen’ dat die feiten niet zouden kloppen.
Het is alsof je elke bloem die je vindt, in zijn onderdelen uit elkaar plukt om te zien of je er zo iets aan hebt, en hem, wanneer dat niet zo blijkt te zijn, weg gooit en ontkent dat hij bestaat. Terwijl je al die tijd geen ogenblik hebt gekeken naar zijn schoonheid als complete bloem; laat staan dat je daar een afspiegeling in hebt gezien van Gods scheppingskracht.

En wat wil God eigenlijk?

We zullen daarom de waarheid onder ogen moeten zien: het bestaan van God kun je niet wetenschappelijk bewijzen. En meer dan dat: dat heeft God met opzet zo ingericht. Want Hij vraagt van ons geloof, geen overtuiging die we, desnoods knarsentandend, wel moeten aanvaarden, omdat de onweerlegbare bewijzen ons geen andere keus zouden laten. En wanneer iemand dat onbevredigend vindt, dan zou hij er goed aan doen zich af te vragen of hij dan niet al is gevallen voor het standaard argument van de gemiddelde atheïst:

als God bestaat moet je dat kunnen bewijzen, ergo: als je het niet kunt bewijzen is het dus niet waar.

Dat is echter geen fataal argument, maar alleen maar een denkfout. Zoals ook het argument

‘als je God niet nodig hebt (om de wereld te verklaren), waarom zou je dan in Hem geloven’

een drogreden is. Ik zou ook niet weten waar we olifanten voor nodig hebben, maar ik geloof wel degelijk in hun bestaan. Waar het om gaat, is:

God is geen abstracte of zielloze natuurkracht, en zijn aanwezigheid is ook niet zoiets als ‘onzichtbare’ materie die je weliswaar niet kunt zien, maar waarvan je de aanwezigheid wellicht op een andere manier toch wetenschappelijk zou kunnen aantonen.

Hij is een intelligent denkend wezen, dat op een bepaalde manier met ons omgaat, maar zich bewust onttrekt aan directe waarneming, om te zien hoe wij daarop reageren. Maar dat wil nog niet zeggen dat een geloof in Hem dus irrationeel is. Zoals we een zwart gat niet kunnen waarnemen, maar het bestaan (of niet-bestaan) daarvan wel kunnen afleiden uit de manier waarop het zijn omgeving beïnvloedt, en die omgeving daar dan weer op reageert, zo kunnen we ook de invloed van God indirect wel degelijk waarnemen. En dat zou voldoende moeten zijn om ons te overtuigen. En dat wij daarmee dan nog niet op onze beurt een ander kunnen overtuigen, is wellicht vervelend voor ons, maar daar heeft God geen last van. Daarom zullen we de laatste twee afleveringen in deze serie besteden aan de vraag waarom wijzelf eigenlijk in dat bestaan van God zouden moeten geloven.

R.C.R.

+

Voorgaande

Schepping, intelligent design, evolutie (3) – Godsbewijzen van heidense filosofen en horlogemakers

Schepping, intelligent design, evolutie (4) Het ontstaan van het universum

Bijbel en Wetenschap: Schepping, intelligent design, evolutie (6) De Boodschap van de Bijbel zelf

Het bewijs van Gods bestaan 1. De weg van veel goden naar geen God

Bijbel en Wetenschap – Geloof en onderzoek 1: Een wetenschappelijke benadering

Bijbel en Wetenschap: Geloof en onderzoek 2: Het bewijs van Gods bestaan (2)

Bijbel en Wetenschap: Schepping, intelligent design, evolutie (6) De Boodschap van de Bijbel zelf

Bijbel en Wetenschap: Geloof en onderzoek 3: Het bewijs van Gods bestaan (3) De Natuur als mechanisme

Fundamenten van het Geloof 2: De levende en waarachtige God

++

Aanvullende lectuur

  1. Het begin van alles
  2. Het universum makende Woord van God
  3. Van chaos naar ordelijkheid
  4. Bestaan en moeilijke herkenning van het Hoogste Godheidswezen
  5. Wonder van openbaring
  6. Hoge herkenningen. . . . Het hele licht van het universum
  7. Geloven in God

Fundamenten van het Geloof 9 De hoop op eeuwig leven door opstanding uit de doden

Toestand van de doden

De gedachten over de toestand van de doden, zoals we die vinden in het Oude Testament, komen velen erg deprimerend over. Het valt echter niet te ontkennen dat God de mens, na zijn zonde, de toegang heeft ontzegd tot eeuwig leven. Dat vertelt God ons ten minste in het boek Genesis. Zijn doodvonnis gaat daarom verder dan over het algemeen wordt aangeno-men. Want waaruit blijkt dat de mens iets inherent onsterfelijks in zich heeft? Is niet eerder sprake van het tegendeel?

“Laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven.” (Genesis 3:22)

Maar hadden gelovigen in het Oude Testament dan geen hoop, geen enkel vooruitzicht op wat na de dood zou gebeuren? Gelukkig is het antwoord positief! Ja, gelovigen hebben altijd uitgezien naar de toekomst. Niet alleen voor hun nageslacht, maar ook voor henzelf, over dood en het graf heen. Juist door de zekerheid dat de dood het einde van alles betekent, vertrouwden zij volkomen op God, en was hun verwachting dat Hij Zijn beloften aan hen alleen kon vervullen door hen uit de dood op te wekken. Hun geloof richtte zich niet op dit leven, maar op een opstandingsdag in de toekomst:

“Maar God zal mijn leven verlossen uit de macht van het dodenrijk, want Hij zal mij opnemen” (Psalm 49:16).

“Doden herleven niet … herleven zullen uw doden – ook mijn lijk – opstaan zullen zij. Ontwaakt en jubelt, u, die woont in het stof.” (Jes. 26:14 en 19)

In het boek Ezechiël wordt, in het visioen van het weer ‘tot leven komen’ van het volk Israël (37:1-10), op plastische wijze een indruk gegeven van de opstanding van doden, in de vorm van de herschepping van gestorvenen. Een prachtig beeld van wat God in staat is te doen: iets dat er eens was, maar waarvan niets meer te vinden is dan verdroogde beenderen en stof, opnieuw tot bestaan en leven brengen. En dat was het geloof van Abraham:

“… het geloof van Abraham … voor het aangezicht van die God, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept.” (Romeinen 4:17)

“Hij (Abraham) heeft overwogen, dat God bij machte was hem (zijn zoon Isaak) zelfs uit de doden op te wekken …” (Hebreeën 11:17-19)

God van levenden

God houdt Zijn geliefden altijd in herinnering, ook al zijn zij duizenden jaren geleden gestorven. Toen Jezus eens werd gevraagd naar de opstanding, gaf hij als bewijs daarvan de relatie die God met hen aanging:

“Wat nu de opstanding van de doden betreft, hebt u niet gelezen, wat door God tot u gesproken is, toen Hij zei: Ik ben de God van Abraham, en de God van Isaak en de God van Jakob? Hij is niet een God van doden, maar van levenden.” (Mattheüs 22:31-33)

Zij leefden niet letterlijk op aarde of in de hemel, maar God herinnerde Zich hen, alsof zij nog leefden, en zal hen gedenken op de dag dat Hij Zijn Zoon zendt om de doden op te wekken tot eeuwig leven. In het Nieuwe Testament vinden we echter uitspraken die, wanneer we ze niet goed in hun verband lezen, lijken te zeggen dat wie gelooft nu al eeuwig leven heeft:

“Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven.” (Johannes 3:36)

“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven.” (Johannes 5:24; zie ook 6:47 en 54)

Na de eerste komst van Christus is er echter geen zichtbare verandering gekomen in de toestand van de doden: nog steeds sterven goeden en slechten. Deze woorden opvatten als: leeft nu al eeuwig, zou ook in tegenspraak zijn met de belofte van één opstandingsdag voor alle gelovigen van alle tijden:

Jezus zei tot haar (Maria): Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven; gelooft u dat?” (Johannes 11:25)

“Want dit is de wil van mijn Vader, dat een ieder die gelooft, eeuwig leven zal hebben, en Ik zal hem opwekken op de jongste dag.” (Johannes 6:39-40 en44; vergelijk 11:24)

In een van zijn brieven gaf de apostel Johannes een verduidelijking van wat hiermee bedoeld wordt:

God heeft Zijn Zoon opgewekt tot eeuwig leven en wie Hem toebehoren, mogen het zelfde verwachten:

“En dit is het getuigenis: God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet.” (1 Johannes 5:11-12)

De apostel Paulus legde uit dat Christus Jezus als eerste mens eeuwig leven ontving, en dat allen die geloven in hem inbegrepen zijn. In hun verbondenheid met zijn dood en opstanding, uitgedrukt in de doop en een leven naar Gods wil, bezitten zij wat hij nu bezit. Het is hen alleen nog niet gegeven. Zij moeten daarop wachten tot alle gelovigen samen zullen opstaan bij zijn wederkomst. De zekerheid dat dit zal gebeuren is de opstanding van Christus Jezus. Zonder zijn opstanding is er geen hoop op leven:

“Indien Christus niet is opgewekt … dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn, verloren.” (1 Korintiërs 15:17 en 18)

“Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst.” (1 Korintiërs 15:22-23)

“Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zo hen, die ontslapen zijn, door Jezus wederbrengen met Hem … en zij die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan.” (1 Thessalonicenzen 4:14)

“Want u bent gestorven (in de doop) en uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid.” (Kolossenzen 3:3 en 4)

***

Vraag ter overdenking: Wat is de zin van een opstanding wanneer de overledenen in de hemel zijn?

Het boek des levens

Dat God gelovigen, die in verbondenheid met Hem en met Zijn Zoon leefden, nooit vergeet, wordt in de Bijbel voorgesteld alsof God hen opschrijft in een boek. Boeken over mensen zijn bedoeld hen te blijven herinneren, en dat is wat God doet (Ex. 32:32-33; Openb. 3:5; vergelijk Psalm 56:9; 139:16). Zo geeft Hij ons de zekerheid, dat Hij aan allen zal denken die lang of kort geleden gestorven zijn. Bij de komst van Christus Jezus in heerlijkheid, zal Zijn boek worden geopend en de gestorven gelovigen, van wie de namen, en alles wat zij gedaan en gezegd hebben, staan opgetekend, worden opgewekt, en ontvangen samen met de nog levenden, eeuwig leven (Dan. 12:1; Fil. 4:3;Openb. 20:12). Vanaf die tijd is er alleen nog plaats voor hen die het waard zijn en ge-schikt zijn voor het nieuwe, volmaakte leven dat dan aanbreekt (Ps. 69:29; Dan. 7:10; Openb. 13:8; 17:8; 20:15; 21:27).

Doden zonder toekomst

De doden die niet herleven in Jesaja 26:14 zijn mensen die zonder God leefden. Zij zullen voor eeuwig afgesneden blijven van de boom des levens. Dit inzicht doet ons beseffen dat de totale mens sterfelijk is, en er bij de dood een einde aan ons gehele bestaan komt. Niet alleen aan ons fysieke leven, maar ook aan onze geest, onze persoonlijkheid, die vaak ziel (in dat geval niet in de betekenis van levensadem ofl evend wezen) wordt genoemd (Ez. 18:4 en 20; 1 Joh. 3:15). De Schepper, die de mens met al zijn capaciteiten schiep, heeft ook de macht die zelfde mens in het niets te laten verdwijnen (Matth. 10:28). Over de toestand van goddelozen en hardnekkige zondaars is de Bijbel dan ook zeer duidelijk: er zal niets van hen overblijven (Mal. 4:1; Matth.3:10 en 12)

J.K.D

+

Voorgaande

Oorzaak lijden en dood

Fundamenten van het Geloof: De lankmoedigheid van God

Fundamenten van het Geloof 2: De levende en waarachtige God

Fundamenten van geloof 3: De Persoonlijkheid van God

Fundamenten van het Geloof 4: Engelen. Gods volmaakte dienaren

Fundamenten van het Geloof 5: De mens, geschapen naar Gods beeld en als Zijn gelijkenis

Fundamenten van het Geloof 6: Beproeving van het geloof

Fundamenten van het Geloof: 7. Zonde. Overtreding van Gods wil

Fundamenten van het Geloof 8 De dood. Gods vonnis over de zonde

++

Verder aanbevolen literatuur

  1. Keuze van levende zielen tot de dood
  2. Voorzieningen voor de keuzes van de mens
  3. Bereshith 3:1-6 Het bedrog
  4. Bereshith 3:7-13 De Zondeval
  5. Eerste stappen die leidden naar een loskoopoffer 2 Lot na daad van ongehoorzaamheid
  6. Uitspraak van straf over de mens
  7. Betreft de Mens
  8. Beperktheid van de mens tot in zijn dood
  9. Dagen en jaren die voorbij gaan maar het Woord blijft bestaan
  10. Dood
  11. Een prins en de dood
  12. Leven gedefinieerd door de dood
  13. Tot bewust zijn komen voor huidig leven
  14. Onsterfelijkheid – Immortaliteit
  15. Decomposition, decay – vergaan, afsterven, ontbinding
  16. Al of niet onsterfelijkheid
  17. Wat gebeurt er als wij sterven
  18. Wij zijn sterfelijk en zullen tot stof vergaan
  19. Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 1 Levensadem en ziel
  20. Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 4 De ziel – een Grieks beeld
  21. Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 5 Griekse bezwaren tegen de opstanding
  22. Lichaam en ziel één
  23. Vindt er een transfer plaats na de dood?
  24. Het Geschreven Woord: Pijnigen
  25. Sheol, Sheool, Sjeool, Hades, Hel, Graf, Sepulcrum
  26. Begrippen satan en duivel in de Bijbel
  27. De staat van onze doden
  28. In leven na dood gelovende Duitsers
  29. Hoe zullen de doden weer levend gemaakt worden?
  30. De wereld van onbijbelse leer #3
  31. Als God bestaat
  32. Bijbels antwoord op uw vraag: Wat gebeurt er met ons na het sterven?
  33. Aanwijzingen voor redding te vinden
  34. Gedachte voor 3 januari 2018
  35. Is er meer in het leven dan dit
  36. Plan van de goddelijke Maker
  37. Een veel voorkomende vraag: Waarom moest Jezus of God naar de hel?
  38. Glimlach raam naar je ziel
  39. Vergieten van Bloed, een Oud en een Nieuw Verbond
  40. Dagelijkse keus betreffende de houding die wij voor die dag zullen maken
  41. Twee soorten mensen
  42. Zo maar gerechtvaardigd?
  43. God liefhebbenden gerechtvaardigd
  44. Aan een betere opstanding deelhebben

Bijbel en Wetenschap: Geloof en onderzoek 3: Het bewijs van Gods bestaan (3) De Natuur als mechanisme

Bijbel en Wetenschap: Geloof en onderzoek 3: Het bewijs van Gods bestaan (3) De Natuur als mechanisme

Menselijke toewijzing

Verne (foto door Nadar omstreeks 1890)

Franse romanschrijver, dichter en toneelschrijver Jules Verne (foto door Nadar omstreeks 1890) – De samenwerking van Verne met de uitgever Pierre-Jules Hetzel leidde tot de oprichting van de Voyages extraordinaires, een zeer populaire serie nauwgezet onderzochte avonturenromans waaronder De la Terre à la Lune (1865), Vingt Mille Lieues sous les mers (1870), Le Tour du monde en quatre-vingts jours (1873).

De mens heeft millennia lang alles wat hij niet begreep toegeschreven aan de hand van God. Maar de opkomst van de wetenschap stelde hem in staat de natuur steeds meer te beschrijven en te begrijpen. Dat op zijn beurt stelde hem in staat machines te ontwikkelen en te bouwen die hem ten dienste begonnen te staan. Voor wetenschappers en ingenieurs begon de logica van dit alles steeds duidelijker te worden, maar voor het grote publiek grensde dit aanvankelijk nog zeer dicht aan zwarte magie. Nog vroeg in de 20e eeuw kon de schrijfster van een stuiversroman de spanning bij haar lezeressen dramatisch verhogen door een bepaalde dubieuze figuur nader aan te duiden als een ingenieur. Mysterieuzer kon het nauwelijks. Anderzijds kon een alert wetenschapsjournalist als Jules Verne de spannendste verhalen schrijven door alleen maar de ontwikkelingen van zijn tijd in een geschikte omgeving een hoofdrol te laten spelen. En het is tekenend dat hij daarmee de geschiedenis is ingegaan als een visionaire toekomstvoorspeller. Terwijl zijn verhalen toch alleen maar waren gebaseerd op kennis die op laboratoriumschaal al voldoende was aangetoond.

De natuur als mechanisme

Het hoeft dus weinig verbazing te wekken dat de gelovige burger in die tijd sterk werd aangesproken door een beschrijving van de natuur als een (buitengewoon gecompliceerd) mechanisme. Het hele begrip mechanisme had al iets goddelijks, dus wat kon er beter dienen om de grootsheid van Gods schepping te beschrijven dan de vergelijking met een super mechanisme. Met God Zelf als het superbrein (de ultieme ingenieur) die dat alles had uitgedacht en gebouwd.

Vooral de buitengewoon gecompliceerde levende natuur, in al haar talloze verschijningsvormen, elk optimaal aangepast aan zijn specifieke levensomstandigheden, sprak de 19e eeuwse mens buitengewoon aan: dat moest wel het ultieme bewijs zijn van Gods bestaan:

alles door Hem geschapen ‘naar zijn aard’.

En het was in die wereld dat er, vroeg in de19e eeuw, een boek verscheen dat de standaardbenadering is geworden van alle creationisten:

‘Natural Theology’ (natuurlijke theologie)

File:William Paley by George Romney.jpg

Engelse geestelijke, christelijke apoloog, filosoof en utilitair William Paley, door George Romney

van de Engelse dominee Paley. We hadden het daar al over in de serie over ‘Intelligent Design’ (intelligent ontwerp). Paley vergeleek de schepping met een horloge, in die tijd een toppunt van mechanische precisie, en concludeerde dat je daaruit wel moest concluderen dat dit het product was van een intelligente ontwerper, dus God.

Darwin

Helaas kwam deze conclusie wat op de tocht te staan toen Charles Darwin halfweg die eeuw met de (wetenschappelijk gezien) interessante hypothese kwam dat het leven in staat zou zijn zich aan zijn omgeving aan te passen. In het belang van de wetenschappelijke objectiviteit moeten we hier misschien eerst enkele broodjes aap opruimen.

• Darwin heeft nooit getracht te ‘bewijzen’ dat dergelijke aanpassing heeft kunnen leiden tot de totale diversiviteit aan levensvormen die wij op aarde vinden. Hij heeft slechts een hypothese opgesteld voor hoe dat zou kunnen zijn gebeurd, en het aan anderen over gelaten de bewijzen daarvoor te verzamelen.

• Darwin heeft nooit de bedoeling gehad met zijn hypothese de Bijbel te weerleggen. Hoewel zijn naam voor huidige creationisten zo ongeveer de belichaming is van het kwaad in eigen persoon, heeft de man zelf juist geworsteld met de vermeende theologische consequenties van zijn ideeën.

• Darwins hypothese bevatte geen enkel element voor het ontstaan van het leven zelf. Dat is er later door anderen aan toegevoegd.

De tekortkomingen van de beschrijving

Wanneer we ons echter losmaken van de traditionele controverse (op zichzelf al moeilijk genoeg) en ons eerlijk en objectief proberen af te vragen, wat dit alles ons nu leert, dan moeten we constateren dat Darwins ideeën, ongeacht wat ze waard zijn, wel degelijk een zwakte in de beschrijving van de levende natuur als mechanisme hebben blootgelegd, namelijk dat die onvoldoende rekening houdt met de specifieke eigenschappen van levende organismen. Anders gezegd: hij is veel te beperkt!

Het werktuigbouwkundig mechanisme was destijds het meest geavanceerde dat de mens zelf kon voortbrengen, maar daarmee heb je nog niet Gods werk in voldoende mate beschreven. Jesaja hekelt de neiging van zijn tijdgenoten hun goden gelijk te stellen aan het meest volmaakte dat zij kennen: een ‘pronkstuk van een mens’, vervaardigd met de meest geavanceerde technieken van destijds. Maar eigenlijk deed de 19e eeuwse mens niet anders toen hij Gods handwerk verge-leek met het beste dat hijzelf kon voortbrengen, terwijl de werkelijkheid die verre overtrof.

De huidige maatschappij heeft overigens op gelijke wijze de neiging alles om zich heen te beschrijven als een soort supercomputer. De neiging van de mens om Gods handwerk te beschrijven als het meest geavanceerde dat hijzelf op dat moment kan produceren, is kennelijk onuitroeibaar. En dat zou je wantrouwig moeten maken: zo’n beschrijving is blijkbaar nogal modegevoelig. Een mechanisme is echter star: het kan alleen dat doen waarvoor het is ontworpen, en zal dat nooit kunnen veranderen of verbeteren. Het is tot aan het einde van zijn levensduur gebonden aan die ene ingebouwde functie of groep van functies. Terwijl een levend organisme zich kan ontwikkelen, kan leren, beslissingen kan nemen, kan kiezen, en zich-zelf in bepaalde mate zelfs kan herstellen van opgelopen schade. Dat maakt het tot iets oneindig veel groters dan Paleys horloge.

Wanneer het zich werkelijk, over vele generaties, ook nog zou kunnen aanpassen aan zijn omgeving, zou dat het alleen maar nog grootser maken. Vanuit dat oogpunt gezien is het daarom eigenlijk uiterst merkwaardig dat zoveel orthodoxe christenen dat juist met alle macht proberen te ontkennen; nota bene met het argument dat dat afbreuk zou doen aan Gods grootheid, terwijl in feite het omgekeerde het geval is. Maar zoals we in de serie over Intelligent Design al zagen: deze houding is een onvermijdelijk gevolg van de poging op deze manier het bestaan van God te willen bewijzen. En dat brengt ons dus tot de conclusie dat die goedbedoelde poging zo dat bewijs te leveren in de praktijk juist leidt tot een afbreuk aan de grootheid van Gods werk, dat we dan immers verlagen tot het niveau van menselijk ambachtswerk.

R.C.R.

+

Voorgaande

Wetenschappers, filosofen hun zeggen, geloven en waarheden

Fundamenten van het Geloof 2: De levende en waarachtige God

Fundamenten van geloof 3: De Persoonlijkheid van God

Schepping, intelligent design, evolutie (3) – Godsbewijzen van heidense filosofen en horlogemakers

Schepping, intelligent design, evolutie (4) Het ontstaan van het universum

Bijbel en Wetenschap: Schepping, intelligent design, evolutie (6) De Boodschap van de Bijbel zelf

Het bewijs van Gods bestaan 1. De weg van veel goden naar geen God

Bijbel en Wetenschap – Geloof en onderzoek 1: Een wetenschappelijke benadering

Bijbel en Wetenschap: Geloof en onderzoek 2: Het bewijs van Gods bestaan (2)

Bijbel en Wetenschap: Schepping, intelligent design, evolutie (6) De Boodschap van de Bijbel zelf

Een meer dan Grote God om naar op zoek te gaan

El Shaddai Die verscheen voor Abraham

++

Aanvullend

  1. Onzeker over relevantie Bijbel
  2. Filosofen, theologen en ogen naar de ware kennisgever van bestaan van God
  3. Hoge herkenningen. . . . Het hele licht van het universum
  4. Begrijpend Zingen: Psalm 8: Heerschappij mens en luister
  5. Wonder van openbaring
  6. Uitdagende vordering 4 Goddelijk geïnspireerd 3 Zelf-consistente Woord van God
  7. Gedachte bij de Bijbellezing van 27 december: Elihu verklaart de majesteit van God
  8. Een moment van Bezinning, even maar