Fundamenten van het Geloof 8 De dood. Gods vonnis over de zonde

Geschapen mens

God heeft de mens geschapen naar Zijn beeld en als Zijn gelijkenis. Maar hij werd niet zo geprogrammeerd, dat hij alleen maar kon doen wat God wilde. De mens werd geschapen met een vrije wil en heeft dus keuzevrijheid. God stelt ons door middel van Zijn opvoedingsproces voor keuzes. Uit wat wij kiezen, blijkt of wij in Hem geloven, en of wij Hem echt willen gehoorzamen. De eerste mensen gaven toe aan de verleiding iets te doen dat God hen had verboden. Zij meenden Gods doel met hun schepping in en door het vlees te kunnen bereiken, in plaats van zich van Hem afhankelijk te stellen en geduld te tonen.

Het lag niet aan God dat zij Zijn wil overtraden maar aan de mens. God was heel duidelijk geweest, en de mens had de boodschap begrepen. Zij waren geheel vrij in de hof, op één kleine beperking na: het eten van één bepaalde boom was niet toegestaan:

“Van alle bomen in de hof mag u vrij eten, maar van de boom van de kennis van goed en kwaad zult u niet eten, want ten dage, dat u daarvan eet, zult uvoorzeker sterven.” (Genesis 2:17; vergelijk 3:3)

De slang echter verleidde Eva met schoonklinkende woorden, die suggereerden dat zij niet zou sterven, maar als God zijn en zelf zou weten wat goed en kwaad is, en vanuit die kennis zelf in staat zijn de juiste keuzes te maken (Gen. 3:4-5). Iets dat overigens in de kern van de zaak neer kwam op de vervulling van hun mogelijk diep verlangen zelf te mogen uitmaken wat goed en kwaad is. Het valt inderdaad niet te ontkennen, dat zij niet stierf op het moment dat zij van de vrucht van die boom at. Dit neemt echter niet weg dat de dood, als de straf op de overtreding van Gods gebod, haar en Adam uiteindelijk daadwerkelijk trof.

Het sterven is een proces dat begint bij de eerste zonde. Paulus zag zichzelf in eenzelfde positie als Adam: toen hij jong was, wist hij niet wat zonde was. Maar toen hij ouder werd en geacht werd de wet te kennen, begon hij te sterven door de zonde:

“Ik heb eertijds geleefd zonder wet; toen echter het gebod kwam, begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven, en het gebod dat ten leven moest leiden, bleek voor mij juist ten dode te zijn; want de zonde heeft uitgaande van het gebod, mij misleid en door middel daarvan gedood.” (Romeinen 7:7-12)“

… als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort.” (Jakobus 1:15)

“Want het loon dat de zonde geeft is de dood.” (Romeinen 6:23; vergelijk Spreuken 12:28)

“Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede.” (Romeinen 8:6)

Zondig nageslacht

De dood trof niet alleen Adam en Eva, maar allen die uit hen voortkwamen (zie Gen. 5). Alle mensen volgden hen na in hun zonde aan God gelijk te willen zijn, zonder in Hem te geloven. En zoals Adam en Eva alle zondaars vertegenwoordigen, werden allen inbegrepen in Gods doodvonnis over hen:

“Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben.” (Romeinen 5:12)

“Want, omdat de dood er is door een mens … Want evenals in Adam allen sterven …” (1 Korintiërs 15:21-22)

Sterven wij, dan wordt het scheppingsproces als het ware omgekeerd: bij zijn schepping werd de levensadem in de neus van de mens geblazen, zodat hij leefde; wanneer wij sterven, blazen wij onze laatste adem uit en vergaan vervolgens weer tot het stof waaruit wij gemaakt zijn:

“… totdat u tot de aardbodem wederkeert, omdat u daaruit genomen bent; want stof bent u en tot stof zult u wederkeren.” (Genesis 3:19)“

… neemt U hun adem weg, zij sterven en keren weder tot hun stof.”(Psalm 104:29; zie 90:3; 146:4).“

… alles is geworden uit stof, en alles keert weder tot stof … zoals het geweest is, en de geest (levensgeest, adem) wederkeert tot God, die hem geschonken heeft” (Prediker 3:19-20 en 12:7).

In dit opzicht verschilt een mens niet van de dieren. Die zijn zich niet bewust van een God die voor hen zorgt, maar leven een korte tijd en verdwijnen daarna voor altijd in het niets. Alle schepselen hebben van God dezelfde levensadem gekregen, en Hij neemt die op Zijn tijd terug. Voor wie geen rekening met God houdt, is er, net als voor de redeloze dieren, geen enkele hoop:

“… zo stijgt wie in het dodenrijk nederdaalt, niet weer op.” (Job 7:9; in de betekenis van: keert niet weer)

“… de mens met al zijn praal houdt geen stand; hij is gelijk aan de beesten, die vergaan … Als schapen zinken zij in het dodenrijk, de dood weidt hen.” (Psalm 49:13 en 15/21)

Wie in het graf ligt, is zich van niets bewust. Hij kan niets meer doen en nergens meer over nadenken. Ook de goddeloze kan zijn jaloerse haat ten opzichte van wie geloven niet meer uitleven:

“De levenden weten ten minste, dat zij sterven moeten, maar de doden weten niets … want er is geen werk of overleg of kennis of wijsheid in het dodenrijk, waarheen u gaat.” (Prediker 9:5 en 10)

“Want in de dood is aan U geen gedachtenis; wie zou U loven in het dodenrijk?” (Psalm 6:6; 115:17; Jesaja 38:18)

De dood is als een onverzadigbaar roofdier dat zijn prooi grijpt en niet meer loslaat. Of als een koning, die mensen rooft en met strenge hand over hen regeert, alsof het slaven zijn die hij niet wil laten gaan. Zij zitten in een gevangenis, een kerker, waaruit zij niet meer kunnen ontsnappen:

“… doet het dodenrijk zijn keel wijd open en spert het zijn muil op, mateloos…” (Jesaja 5:14; Hab. 2:5)

“Droogte en hitte roven het sneeuwwater weg, zo het dodenrijk hen die zondigen.” (Job 24:19)

“… heeft de dood als koning geheerst … Want, indien door de overtreding van de ene de dood als koning is gaan heersen door die ene …” (Rom 5:14 en 17)

“Weet u niet, dat u hem, in wiens dienst u zich stelt als slaven … ook moet gehoorzamen als slaven, hetzij … van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid?” (Romeinen 6:16)

De dood wordt daarom door gelovigen in de Bijbel terecht gezien als de grote vijand van de mens, uit wiens macht zij hun geliefden, laat staan zichzelf, niet kunnen bevrijden:

“Welk mens leeft er, die de dood niet zien zal, die zijn ziel zal redden uit de macht van het dodenrijk?” (Psalm 89:49; vergelijk 8:5 en 116:3)

“Niemand kan ooit een broeder loskopen, noch God zijn losprijs betalen … dat hij voor immer zou voortleven, de groeve niet zou zien.” (Psalm 49:8-13).

***

Vraag ter overdenking: Is de toestand van de doden veranderd sinds de komst van Jezus?

Wie sterven na een leven van geloof, blijven niet eeuwig dood. Hun toestand wordt in de Bijbel voorgesteld als een slaap, waaruit het mogelijk is te ontwaken bij het aanbreken van een nieuwe dag. Zij zijn ontslapen (ingeslapen), zijn de rust van de doodslaap ingegaan en wachten in het stof tot Jehovah hen wekt: Marc. 5:39/Luc.8:52; Joh. 11:11-13; 1 Kor. 15:17-18; 1 Thess. 4:14-15; Dan 12:2/13; Hand. 13:36; Jes. 26:19/Efez. 5:14; Joh. 11:24.

.J.K.D

+

Voorgaande:

Fundamenten van het Geloof 5: De mens, geschapen naar Gods beeld en als Zijn gelijkenis

Fundamenten van het Geloof: 7. Zonde. Overtreding van Gods wil

++

Aansluitende lectuur

  1. De Schepper achter eerste levende wezens
  2. Terugblikkend op de eerste mens en eerste gebeurtenissen 1 Ontstaan en plaatsing eerste mens
  3. Voorziening van leven
  4. Bereshith 2:4-14 Adem en leven plaatsing door de Elohim God
  5. Bereshith 2:15-25 De mens geplaatst in de tuin van Eden
  6. Bereshith 3:1-5 De grote misleiding
  7. Bereshith 3:1-6 Het bedrog
  8. Keuze van levende zielen tot de dood
  9. Terugblikkend op de eerste mens en eerste gebeurtenissen 2 Daad van ongehoorzaamheid eerste mens
  10. Fundamenten van het Geloof: De goedertierenheid van God
  11. Al of niet onsterfelijkheid
  12. Dood
  13. Beperktheid van de mens tot in zijn dood
  14. Wat gebeurt er als wij sterven
  15. Vindt er een transfer plaats na de dood?
  16. Wij zijn sterfelijk en zullen tot stof vergaan
  17. Ontbinding
  18. Decomposition, decay – vergaan, afsterven, ontbinding

Als de tijd ten einde loopt …… Vragen naar het goede

Vragen naar het goede

Nu kwam er iemand naar Jezus toe met de vraag:

‘Meester,wat voor goed moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?’

Hij antwoordde:

‘Waarom vraag je me naar het goede?
Er is er maar één die goed is.
Als je het leven wilt binnengaan, houd je dan aan zijn geboden’. (Matt. 19:16-17)

In de evangeliën lezen we van een jongeman, die tot Jezus komt met de vraag wat hij moet doen om het eeuwige leven te verwerven. Kennelijk is hij van goede wil, en Jezus erkent dat, want het parallelverslag in Markus vertelt ons dat hij sympathie voor hem opvatte (Mark. 10:21). Toch berispt hij hem in zijn antwoord:

‘Waarom vraag je me naar het goede’.

Want er zit verborgen kritiek in zijn vraag:

‘God verlangt wel dat we het goede doen, maar vertelt er niet bij wat dat goede dan is’.

Velen denken vandaag de dag precies zo:

je kunt God niet kennen, dus je moet het zelf maar bedenken.

Alleen wordt dat nu gezien als een vorm van ‘vrijheid’; je mag het naar eigen goeddunken zelf invullen.

Wat is goed?

Maar Jezus wijst onmiddellijk op de enige echte bron van kennis. Dat is God zelf:

‘Er is er maar één die goed is’.

En hij somt vervolgens de geboden op. Letterlijk zegt hij:

als God zelf niet goed is (d.w.z. niet goed genoeg), dan is niemand het.

Alleen Hij is de bron van ware kennis. Let op dat ‘goed’ hier dus betekent: betrouwbaar als bron van kennis. Dat verklaart ook de wat andere weergave in de parallelverslagen van Markus en Lukas. Daar luidt de vraag:

‘goede meester, wat moet ik doen om …’.

En Jezus’ antwoord is:

‘wat noemt u mij goed?’

Je hoort vaak zeggen dat Jezus hier ontkent dat hij zelf goed zou zijn, althans vergeleken met God zelf. Maar dat is niet wat hij bedoelt. Het gaat om zijn betrouwbaarheid als bron voor de juiste kennis. En zelfs dan mag je er niet uit afleiden dat hij zichzelf in dat opzicht minder betrouwbaar zou vinden. Waar hij de nadruk op legt, is dat God zelf uiteindelijk de Enige Ware Bron van kennis is, als het gaat om de vraag hoe wij moeten leven. Uiteraard is het woord dat Jezus predikt betrouwbaar, maar alleen omdat het is afgeleid van Gods eigen woord. Jezus is zelf geen onafhankelijke bron van kennis.

Gods woord als enige bron van ware kennis

Dit incident illustreert overduidelijk dat Jezus zelf God, en dus Diens Woord, als enige betrouwbare bron van kennis wil zien. Maar wie in deze tijd om zich heen kijkt, ziet maar al te duidelijk dat het christendom allang niet meer op die koers zit. Enerzijds is er de huidige theologische tendens om de Schrift te zien als achterhaald en ‘niet meer van deze tijd’, waarna er van alles voor in de plaats wordt gesteld, afhankelijk van de mode van het moment. Anderzijds is er de orthodoxie die vasthoudt aan ‘het christelijk erfgoed’ maar zonder zich ooit af te vragen of dat ‘erfgoed’ destijds misschien evenzeer, al was het maar voor een deel, zou kunnen zijn ingekleurd door opvattingen of kerkelijke belangen van destijds. Zoals een radiospreker ooit eens zei:

“er zijn er die alles maar willen aanpassen, alsof alle verandering altijd verbetering is, en anderzijds zijn er die willen vasthouden aan ‘het geloof van de vaderen’, waarmee zij de ‘vaderen’ meer lijken te eren dan God”.

En daar tussendoor dartelen dan zij die de mond vol hebben van ‘Jezus toelaten in je hart’ zonder er zich om te bekommeren waar dat eigenlijk op neer zou moeten komen.

Het is tekenend voor die ‘middenweg’ dat iemand uit die kringen, die daarin wordt gezien als ‘wegwijzer’, pas toen hij werd geconfronteerd met een probleem waar hij echt niet meer uitkwam, zich terugtrok in een blokhut in de Rocky Mountains en daar de hele Bijbel van kaft tot kaft doorlas, zich (blijkbaar voor het eerst van zijn leven) afvragend wat het Boek Zelf nu eigenlijk te vertellen had. Zijn conclusie was:

“Het trof me met ongewone kracht dat het idee dat wij over het algemeen van God hebben, wel eens heel anders zou kunnen zijn dan het beeld dat de Bijbel van God schildert”.

Ik vrees dat dit niet alleen juist is, maar dan bovendien ook nog voor een veel breder deel van het hedendaagse ‘christendom’ dan alleen zijn eigen geloofsrichting. Veel, heel veel christenen hebben zich allang een eigen ‘God’ en een eigen ‘Christus’ geschapen, en zij lezen in hun Bijbel alleen die passages die dat beeld bevestigen.

De wereld van de aantrekkelijke schijn

Toch komt dit niet onverwacht. Jezus en de apostelen Paulus, Petrus, en Johannes waarschuwen allemaal voor de verwaarlozing van het ware woord en de ‘gezonde leer’, en het vervangen daarvan door een leer naar eigen smaak:

• Er zullen talrijke valse profeten komen die velen zullen misleiden …

Want er zullen valse messiassen en valse profeten komen, die indrukwekkende tekenen en wonderen zullen verrichten om ook Gods uitverkorenen zo mogelijk te misleiden. Let op, ik heb jullie dit van tevoren gezegd. (Jezus in Matt. 24:11,24-25)

• Want er komt een tijd dat de mensen de heilzame leer niet meer verdragen, maar leraren om zich heen verzamelen die aan hun verlangens tegemoetkomen en hen naar de mond praten. Ze zullen niet meer naar de waarheid luisteren, maar naar verzinsels. (Paulus in 2 Tim. 4:3)

• Zo zullen er ook onder u dwaalleraren verschijnen. Ze zullen met verderfelijke ketterijen komen en zelfs de meester die hen heeft vrijgekocht verloochenen. Daarmee bewerken ze spoedig hun eigen ondergang. (2 Pet. 2:1)

• Geliefde broeders en zusters, vertrouw niet elke geest. Onderzoek altijd of een geest van God komt, want er zijn veel valse profeten in de wereld verschenen … Die valse profeten komen uit de wereld voort. Daarom spreken zij de taal van de wereld en luistert de wereld naar hen. (1 Joh. 4:1,5)

De sleutel is hier het voorvoegsel ‘pseudo’, vertaald als ‘vals’, in valse profeten (pseudoprofeten) en valse messiassen (pseudochristussen), maar ook in valse broeders, als ‘dwaal’ in dwaalleraars, als ‘schijn’ in schijnapostelen en als ‘ten onrecht zo genoemde kennis’ (pseudokennis). Het beschrijft een wereld vol valse schijn. En we moeten helaas constateren dat dat past op onze wereld als op geen andere. Daaraan kunnen wij zien dat dit de laatste dagen zijn, en dat de tijd inderdaad ten einde loopt.

De ‘antichrist’

Johannes noemt die valse profeten eveneens pseudoprofeten, maar de pseudo-christussen heten bij hem anti-christussen (wat echter hetzelfde betekent:

ze ‘doen zich voor als’, maar ‘zijn’ het niet)

en zegt daarover:

• Onderzoek altijd of een geest [nl: van profetie] van God komt, want er zijn veel valse profeten in de wereld verschenen. De Geest van God herkent uhieraan: iedere geest [van profetie] die belijdt dat Jezus Christus als mens gekomen is, komt van God. Iedere geest [van profetie] die dit niet belijdt, komt niet van God; dat is de geest van de antichrist, waarvan u hebt gehoord dat hij zal komen. (1 Joh. 4:1-3)

In deze verzen heeft Johannes het overduidelijk over zijn eigen tijd:

• Kinderen, het laatste uur is aangebroken. U hebt gehoord dat de antichrist zal komen. Nu al treden er veel antichristen op, en daardoor weten we dat dit het laatste uur is. Ze zijn uit ons midden voortgekomen maar ze hoorden niet bij ons, want als ze werkelijk bij ons hadden gehoord, zouden ze bij ons gebleven zijn. Maar het moest aan het licht komen dat niemand van hen bij ons hoorde. (1 Joh. 2:18-19)

Hij gebruikt het begrip antichrist dus in het meervoud, en heeft het duidelijkover een (valse) leer van mensen uit hun eigen midden, die in verband daarmee de gemeente hebben verlaten. Maar de ‘christelijke’ wereld is er vast van overtuigd dat er één enkele antichrist zal komen, en dan niet in zijn tijd maar in die van ons, die zich zal manifesteren als een wereldheerser, en die de strijd zal aangaan met Christus bij zijn wederkomst. Recentelijk hebben enkele orthodoxe theologen zelfs nadrukkelijk verklaard dat de komst van die ‘antichrist’ aanstaande is. Terwijl ook deze hele uitleg alleen maar kan berusten op slecht lezen.

1 Johannes 4:1-3

Het gevaar van zulke opvattingen is dat ze de schuld voor wat er mis is met onze wereld bij een externe macht probeert te leggen, zoals Eva de schuld van haar overtreding bij de slang probeerde te leggen, terwijl we de oorzaak van het probleem in werkelijkheid bij ons zelf moeten zoeken, en bij de verwaarlozing van Gods Woord als enige bron van kennis.

Een geschiedenis die zich herhaalt

Dit illustreert helaas de moderne ‘bijbellezer’, die in de Bijbel niet alleen maar zijn favoriete passages opslaat, maar daarin dan ook nog alleen dat leest wat hij er in wil zien. En dan wordt Openbaring gelezen alsof het een soort goddelijke horoscoop is, waarin we kunnen lezen wat ons (of eigenlijk anderen) in de wereld te wachten staat, in plaats van een dringende waarschuwing en oproep tot bekering. Want wie werkelijk vertrouwd is met de rest van de Bijbel kan het eenvoudig niet ontgaan dat de situatie die hier wordt beschreven een exacte kopie is van die waaraan de wereld van het volk van het Oude Verbond ten onder is gegaan. Ook toen meenden de ‘ijveraars’ en de zelfbewuste ‘zonen der gerechtigheid’ dat hun niets kon gebeuren omdat al die aangekondigde oordelen er alleen maar waren voor anderen. Terwijl er mede door hun toedoen van alles mis was met hun wereld. Zo is er nu ook van alles mis met onze ‘christelijke’ wereld.

We hebben de aarde die ons in bruikleen was gegeven, uitgeplunderd en verwoest, in plaats van die als goede rentmeesters te beheren. We hebben volkeren aan ons onderworpen om over hen te heersen en ze uit te buiten, zelfs als slaven te verkopen, in plaats van ze als medeschepselen te benaderen met de zorg en liefde waarmee God ons heeft benaderd. We hebben in ongebreideld materialisme gouden kalveren opgericht voor onze afgod: de Mammon. En nu aan dat goede leven een einde dreigt tekomen, zien we vol vertrouwen uit naar het moment waarop Christus ons komt halen om ons te vrijwaren voor ‘de grote verdrukking’ door die antichrist die zal komen heersen over de puinhopen die wij dan achter ons hebben gelaten en over onze ‘schuldige’ medemensen die wij al die tijd hebben verwaarloosd. Maar dat zelfde boek Openbaring vertelt ons overduidelijk dat de behoudenis er alleen is voor hen

‘die gedood waren om het getuigenis van Jezus en om het woord van God’ (Op. 20:4, NBG’51).

Dus net als die rijke jongeman kunnen we weten wat er in werkelijkheid van ons wordt gevraagd.

R.C.R

+

Voorgaand

Twijfelende aan de werkelijkheid, echtheid en de effectiviteit van Gods liefde

Op zoek naar spiritualiteit 3 Zin van Christus

Bijbels geloof en heidense filosofie

++

Vindt ook om te lezen

  1. Geloven in God
  2. God meester van goed en kwaad
  3. Wonder van voorzienigheid
  4. De nacht is ver gevorderd 22 Studie 4 Nu actueel: Nut van tekenen
  5. Vertrouwen op God
  6. Betreffende Christus # 2 Goddelijke bron, verband en goddelijk mens
  7. Woord van God
  8. Gods vergeten Woord 24 Getuigen 4 Jezus’ laatste boodschap
  9. De Bijbel als instructieboek #1 Lezen van de Bijbel
  10. De Bijbel als instructieboek #2 Effectief Bijbellezen
  11. De Bijbel als instructieboek #3 De Taal van de Bijbel
  12. Wanneer u een ware volger van Jezus wil zijn #3 Groeiende beweging uit Joodse sekte De Weg
  13. Valse profeten en leraren als roofzuchtige wolven in schaapskleren #1 Stromen van gelovigen
  14. Valse profeten en leraren als roofzuchtige wolven in schaapskleren #2 Een Zoon als gids en Geschriften als leidraad
  15. Valse profeten en leraren als roofzuchtige wolven in schaapskleren #3 Van een bepaalde wereld zijnde
  16. Valse profeten en leraren als roofzuchtige wolven in schaapskleren #4 Ambitieuze mannen, verdraaide woorden en akkoorden met wereldleiders
  17. Valse profeten en leraren als roofzuchtige wolven in schaapskleren #5 Valse leraren en afvalligen
  18. Addendum 1: de leer van de “antichrist”
  19. De Ekklesia #11 Addendum 2: Een antichrist
  20. Misleid door valse opwekkingen
  21. De Meest gehate familie in America – inleiding tot vervolg
  22. Tekenen te herkennen in Tijden der Laatste dagen
  23. Tekenen van de laatste dagen wanneer moeilijke tijden zullen komen
  24. De Kerk waar de mens der wetteloosheid zich nestelt
  25. Wie zijt Gij, Here?

Het bewijs van Gods bestaan 1. De weg van veel goden naar geen God

Het bewijs van Gods bestaan 1. De weg van veel goden naar geen God

Het bewijs van Gods bestaan 1. De weg van veel goden naar geen God

Een in het kader van ‘Bijbel en Wetenschap’ telkens weer opduikende vraag is:

kun je Gods bestaan wetenschappelijk bewijzen?

Of heeft de wetenschap juist bewezen dat Hij niet bestaat? Er zijn in principe twee manieren waarop je de beantwoording van zo’n vraag kunt aanpakken. De ene houdt in dat je al je moderne wetenschappelijke inzichten in de strijd gooit, en probeert langs die weg tot een antwoord te komen. De andere is te kijken wat de Bijbel daar zelf over te zeggen heeft.

In deze serie willen we beide benaderingen achtereenvolgens aan een nader onderzoek onderwerpen.

Geen enkele god, of juist te veel?

Bij dit onderwerp moet je dan natuurlijk wel bedenken dat de vraag als zodanig er een van onze tijd is. Gedurende het grootste deel van de geschiedenis was de vraag of God (eventueel: een god) bestaat geen punt van discussie.

Pas in de moderne tijd is de mens daar aan gaan twijfelen. Atheïsme is in zijn huidige vorm bij uitstek iets van de laatste paar eeuwen. In bijbelse tijden was er juist een overvloed aan goden, en de vraag was niet of de God van de Bijbel bestond, maar hoe Die zich verhield tot al die andere: was Hij inderdaad de grootste?

Zelfs de bewering dat Hij de enige was, was toen al een gewaagde uitspraak. Je verwacht dan ook geen teksten in de Bijbel die dat bestaan zouden bewijzen. Vandaar dus de vele historische pogingen om dat bewijs buiten de Schrift om te leveren.
Voor de volledigheid: sommige Griekse profetenscholen hielden er toch al wel atheïstische ideeën op na, zoals die van de Epikureërs in Handelingen 17. Maar zij vertegenwoordigden niet het denken van de grote massa in de Griekse wereld. We zien dan ook dat Paulus in zijn toespraak te Athene veel meer ingaat op de argumenten van die andere filosofische school van zijn dagen: die der Stoïcijnen. Maar ook daarmee krijgt hij weinig voet aan de grond.

Oude wetenschap tegenover moderne

Buste van Socrates in het Louvre in Parijs, Romeinse kopie uit de 1e eeuw n.Chr. van een Grieks origineel in brons.

Buste van Socrates in het Louvre in Parijs, Romeinse kopie uit de 1e eeuw n.Chr. van een Grieks origineel in brons.

Toch zijn er in de volgende eeuwen een aantal vroeg-christelijke schrijvers geweest die hebben geprobeerd aannemelijk te maken dat de grote Griekse filosofen met hun denkbeelden eigenlijk wel op één lijzaten met de bijbelse boodschap. Je hebt het dan over filosofen als Socrates, Plato en Aristoteles (5e-4e eeuw v. Chr.).

Als wij met onze huidige inzichten terugkijken naar de essentie van hun denkbeelden zou je niet echt snel op de gedachte komen daar veel overeenkomsten met de Schrift in te zien, maar zulke pogingen waren vooral bedoeld om het vroege christendom ‘aanvaardbaar’ te maken voor de Griekse denkwereld. Helaas resulteerde dat vooral in een aanpassing van de bijbelse boodschap aan het gangbare Griekse denken, in plaats van omgekeerd zoals eigenlijk had gemoeten. Alles veranderde echter met het aanbreken van de tijd der ‘Verlichting’. Terwijl de oude Griekse benadering van de wetenschap voornamelijk was gebaseerd op redenering, begon nu het inzicht door te breken dat je dingen kunt bestuderen. Dat betekent gericht onderzoek door middel van experimenten en waarnemingen. Uit die waarnemingen kun je dan conclusies trekken die je zo nodig verder kunt onderbouwen met nieuwe experimenten en nog meer waarnemingen. Voor onze vraag had dit twee verschillende soorten gevolg.

De bevrijding uit ‘de slavernij van de natuur’

In de allereerste plaats betekende dit dat de mens steeds meer begon te begrijpen van de natuur en de wereld om hem heen. Allerlei dingen die hij vroeger niet begreep, en daarom toeschreef aan direct goddelijk ingrijpen, kon hij nu meer en meer herleiden tot wetenschappelijk aangetoonde wetmatigheden in de natuur. Natuurlijk heb je daarmee nog geen verklaring voor de oorzaak van die wetmatigheden, maar het tempo waarin het begrip toe nam maakte de mens optimistisch genoeg om aan te nemen dat die oorzaken op een dag ook wel verklaard zouden worden. En daarmee ontstond langzaam de gedachte dat je wellicht de hele wereld zou kunnen verklaren zonder daarvoor te hoeven ‘uitwijken’ naar bovennatuurlijke verklaringen.

De mens begon zich daardoor meer en meer ‘onafhankelijk’ te voelen, hij had God ‘niet langer nodig’. Want begrip van de natuur zou op den duur ook leiden tot beheersing van die natuur. Hij zou er niet langer ondergeschikt aan zijn, maar die natuur ondergeschikt kunnen maken aan zichzelf. Het hele feit dat de waargenomen regelmatigheden in de natuur worden aangeduid als ‘wetten’ symboliseert in feite dat denkbeeld van die ondergeschiktheid van de natuur: zij kan niet zo maar haar gang gaan, maar is onderworpen aan ‘wetten’. En de mens zou van die wetten gebruik kunnen maken om de natuur naar zijn hand te zetten. De mens zag dit in toenemende mate als een bevrijding uit een soort slavernij. En dus begon zich, ook onder de grote massa, een actief atheïsme te ontwikkelen, dat gretig gebruik maakte van de nieuw verworven inzichten. Wat ten onrechte de mening heeft doen post vatten dat een geloof in God in strijd zou zijn met de conclusies van de wetenschap. Een misvatting die bijvoorbeeld de communistische wereld met veel enthousiasme heeft aangewakkerd en in stand gehouden.

Is Gods bestaan wetenschappelijk aantoonbaar?

De andere ontwikkeling leidde juist in de tegenovergestelde richting.

Overtuigde christenen begonnen te overwegen dat het wellicht mogelijk zou zijn om met die nieuw ontwikkelde wetenschappelijke methodieken juist te bewijzen dat God bestaat. Dat stuit uiteraard op het probleem dat je God niet kunt onderwerpen aan wetenschappelijke experimenten, maar met wat speurwerk zou je uit de natuur toch wel voldoende waarnemingen moeten kunnen halen als basis voor een wetenschappelijk aanvaardbare theorie. Op zich geen onlogische gedachtegang, maar in de praktijk bleek het toch moeilijk om het bewijs rond te krijgen. En bovengenoemde partijen, die hun atheïsme waren gaan baseren op diezelfde wetenschap, lieten zich hun nieuw verworven ‘bevrijding’ uiteraard niet zo gemakkelijk weer afnemen. Dat leidde onvermijdelijk tot een merkwaardig soort van godsdienstoorlog tussen beide kampen, waarbij beide partijen gebruik maken van echte ofvermeende wetenschappelijke feiten en conclusies. Met als gevolg dat de modale burger het spoor al lang bijster is.

In de komende afleveringen willen we daarom proberen daar wat klaarheid in te brengen.

R.C.R

+

Voorgaand

Bijbels geloof en heidense filosofie

++

Aansluitende lectuur

  1. 4de Vraag: Wie of wat is God
  2. God of een god
  3. God versus goden
  4. Bestaan en moeilijke herkenning van het Hoogste Godheidswezen
  5. Bijbel – Enige bron van kennis en openbaring van God
  6. Bouwen op het Bijbels fundament 1.Feit of fantasie?
  7. Gods vergeten Woord 16 Geopenbaarde Woord 1 Zoeken naar een god
  8. Gods vergeten Woord 17 Geopenbaarde Woord 2 Geopenbaard licht
  9. Bereshith 2:4-14 Adem en leven plaatsing door de Elohim God
  10. Bereshith 3:1-5 De grote misleiding
  11. Is God drie-eenheid
  12. De Enige Ware God
  13. Drie-eenheidsleer een menselijke dwaling
  14. Aanroepen van Gods Naam
  15. God is een verhaal #2 Voorgangers niet gediend met een Enige God
  16. Betreffende Christus # 2 Goddelijke bron, verband en goddelijk mens
  17. Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 4 De ziel – een Grieks beeld
  18. Christenen vragen atheïsten te bewijzen dat God niet bestaat

++

Aanverwante supplementaire lectuur

  1. Monotheisme – ÉÉN GOD

Bijbels geloof en heidense filosofie

In Handelingen 17 lezen we over Paulus’ ontmoeting met twee filosofische stromingen in Athene: de Epicureïsche en de Stoïcijnse school.

Als we tijd en geografie buiten beschouwing laten, lijkt het alsof wij worden geconfronteerd met de ‘wijsheden’ in ónze tijd. Want het wereldse denken in Paulus’ dagen vertoonde bepaalde overeenkomsten met dat in onze wereld.

De Epicureïsche wijsgeren gingen er in hun dagelijks leven van uit, dat alles door toeval was ontstaan. Slechts in theorie geloofden zij in “de goden”. Deze goden, zo ver weg, konden niet werkelijk geïnteresseerd zijn in de wereld en haar bewoners. Zij waren voor deze wijsgeren geen realiteit. Zij waren eigenlijk atheïsten. Hun uitgangspunten lijken sterk op die van hedendaagse levensgenieters. Zij gaven zich over aan de geneugten van het leven en koesterden het vlees.

De god van de Stoïcijnen was de natuur. De mens maakte daar deel vanuit. Zij bewoog zich in vastgestelde kringlopen, die de mens niet kon veranderen. De Stoïcijnen geloofden dat alles door het noodlot werd bepaald. Dat lot heette dan Gods wil. Aangezien alles wat er gebeurt Gods wil is, zit er niets anders op dan dat de mensen moeten leren alles te accepteren.

Op het moment dat de wereldcyclus ten einde komt, valt alles uiteen in een vuurbal. Dan begint alles weer van voren af aan. Alles wat plaats vindt is van te voren bepaald. Omdat alles vooraf is vastgesteld, kan er niets worden veranderd.

De Stoïcijnen leerden dat het maar het beste is je te schikken in je lot. Je moet dat doen door je te oefenen onafhankelijk te zijn.
Omgaan met het kwaad lukt het beste als je een onverschillige levenshouding probeert aan te nemen. Dit geeft je vrede in je geest. De Stoïcijnen onttrokken zich aan het vlees.

 

De prediking door Paulus

In zo’n denk- en leefwereld verscheen de apostel Paulus met het evangelie. Zijn prediking bestond uit zes hoofdpunten,:

Verzen 24-25

Lucius Annaeus Seneca meest gekende van de stoïcijnse filosofen

In tegenstelling tot de Epicureërs, die leerden dat de goden verwijderd waren van de natuur, of de Stoïcijnen die leerden ‘god is de natuur’, zei Paulus dat God, hoewel ver boven ons verheven, toch zeer betrokken is bij de wereld die Hij maakte. Wat Paulus zei is tevens een les voor alle tijden. Het is maar al te waar dat mensen vaak aanbidden wat hun handen hebben gemaakt.
De ‘god’ van een mens is dat waaraan hij al zijn tijd, geld, energie en aandacht geeft, waardoor deze god belangrijker voor hem is dan zijn Schepper. Dat kan van alles inhouden: sport, studies, hobbies en vermaak.

Vers 26

In contrast met de Epicureërs, die welbeschouwd op atheïstische evolutionisten lijken, en leerden dat de wereld door toeval ontstond, of de Stoïcijnen, wier ‘god’ de wereld was die zichzelf draaiende houdt volgens onveranderlijke wetten en eindeloze herhalingen, predikte Paulus dat God onze Maker is en ons zegent. Niet het noodlot bestuurt ons, maar Gods hand.

Verzen 27-28

De fatalistische Stoïcijnen leerden dat alles zou samensmelten tot een pantheïstische god. De praktisch ingestelde atheïstische Epicureërs leerden dat de goden heel ver van de mens waren verwijderd en al helemaal niet in hen geïnteresseerd. Paulus zei dat God ons zó heeft gemaakt (naar Zijn beeld) dat wij Hem kunnen zoeken. Er is dus met God contact mogelijk.

Griekse dichter Aratus

Paulus haalde twee citaten aan van twee van hun nationale dichters: Aratus en Cleanthes. In elk van hun gedichten komt de zin voor:

“Wij zijn van Zijn geslacht”.

Verzen 29-30

De dagen van donkerheid en onwetendheid zijn nu voorbij en verleden tijd. De wijsgeren hebben ongelijk.

Als het waar is dat God ons heeft gemaakt, dan kan onze opvatting van God niet iets zijn dat wij maken. Zoals wij macht hebben over goud, zilveren steen, zo heeft God macht over ons. God straft ons niet direct als wij afgoden dienen, maar eist wel degelijk bekering.

Zolang de mens op zoek was in de duisternis kon hij God niet leren kennen. God zag vroeger hun dwaasheden en fouten over het hoofd. Nu is het anders:

De ware kennis van God is tot ons gekomen in Christus.

Vers 31a

De oordeelsdag komt naderbij.

Voor de mens is het leven niet een weg die leidt tot vernietiging, zoals de Epicureeërs leerden. Het is evenmin een weg die ons opneemt in een god die Natuur heet, zoals de Stoïcijnen dachten.

Het is een reis naar de Rechterstoel van Christus.

Vers 31b

Het grootste teken van Gods bemoeienis in deze wereld is de opstanding van Jezus Christus. We moeten niet worden verenigd met een Onbekende God, maar met de door de hemelse Vader opgewekte Christus.

 

Gemengde reacties

Paulus had minder succes in Athene dan elders, waar “niet vele wijzen, niet vele invloedrijken” waren (1 Kor. 1:26). De inwoners van Athene zeiden dat zij op zoek waren naar wijsheid. Zij wilden geen actie. Zij waren niet op zoek naar conclusies. Zoals velen tegenwoordig wilden zij alleen maar praten en discussiëren, en niets doen. Sommigen spotten. Zij vonden die enthousiaste joodse Paulus waarschijnlijk maar een vreemde snuiter. Voor hen was het leven een soort grap. Maar grappen eindigen vaak in tragedies. Uiteindelijk worden wij allemaal geconfronteerd met de harde realiteit van het sterven. Sommigen zeiden:

Wij zullen u hierover nog wel eens horen.

Dat zijn mensen die belangrijke beslissingen altijd maar uitstellen. Maar aan het eind van onze levensreis is er geen ‘morgen’ meer.

Dionysius de Areopagiet uit Athene

Sommigen kwamen tot geloof. Dit is de enige veilige weg. Enige mannen sloten zich bij Paulus aan. Er was ook een vrouw, Dámaris, die tot geloof kwam. En dan was er Dionysius, een Areopagiet, lid van het Tribunaal. Het was alsof de rechter van zijn stoel opstond, en zich bij de gevangene aansloot in de afgesloten ruimte van de rechtzaal. Van menselijk standpunt bekeken was zijn bekering een triomf voor de waarheid. Een lid van het Tribunaal genoot de hoogste reputatie onder het volk vanwege zijn intelligentie en voorbeeldige gedrag. Dionysius gooide zijn carrière te grabbel, omdat Christus het waard is!

M.R.

++

Aanverwant

  1. Bereshith 3:1-6 Het bedrog
  2. Dingen laten komen zoals ze zijn geweven in je levenslot
  3. Controleer uw lot of iemand anders zal het doen

Uit de oude doos: Het Judasevangelie

In 2006 was er heel wat ophef over het Evangelie van Judas.

Wij schreven toen

Wie in onze wereld aandacht wil trekken, zit altijd goed met complottheorieën, vooral op christelijk gebied. Jezus zou niet op aan een paal gestorven zijn, en dus ook niet echt uit de dood zijn opgestaan. Paulus zou een Romeins ‘undercover agent’ zijn geweest die, met listige verdraaiingen van Jezus’ boodschap, de christenen zou hebben wijsgemaakt dat ze de (Romeinse) overheid moesten gehoorzamen.

De lijkwade van Turijn zou ’s werelds eerste foto zijn, gemaakt door Leonardo da Vinci, die daarmee het Vaticaan een of andere duistere poets heeft willen bakken. Je kunt het zo gek niet verzinnen of het is verkondigd.

Nu heeft de National Geographic Society (NGS) weer uitgepakt met het verhaal dat Judas juist de ‘goede’ man was en alle andere apostelen slechterikken, of in elk geval domoren. De basis voor dit laatste verhaal is de ‘sensationele’ vondst van ‘het evangelie naar Judas’.
Nu is dat verhaal over de edele bedoelingen van Judas al bijna net zo oud als het christendom zelf, en dus niet echt nieuw. En het bestaan van dit ‘evangelie’ is ook al meer dan 18 eeuwen bekend, zij het alleen uit vermeldingen. Halfweg de vorige eeuw is er echter een late Koptische versie van opgedoken, waar sindsdien een erg schimmig spel mee gespeeld is, met als voornaamste trefwoord: geld.

Eerste pagina van het Evangelie van Judas (Pagina 33 van de Codex Tchacos)

Nu heeft de NGS met een fors bedrag de vertaling van de tekst gesponsord, en uiteraard wil men daar wat van terugzien. Dat wordt nu sensationeel in het nieuws gebracht,met complottheorie: eindelijk komt de echte waarheid aan het licht.
Helaas staat de NGS niet bekend om haar wetenschappelijke benadering van het christendom. Dit geschrift is er een uit een lange reeks van zogenaamde gnostische geschriften. Gnostiek is een leer van ‘ingewijd zijn in verborgen kennis’ (gnostiek is afgeleid van ‘gnosis’ = kennis). Gnostiek maakt gebruik van christelijke, of christelijk klinkende, elementen, maar moet in zijn aard feitelijk als niet-christelijk worden getypeerd. Voor zover de Bijbel al een rol speelt, wordt deze zeer ‘spiritueel’ en symbolisch geïnterpreteerd. Extreme stromingen zien ‘Jehova’ zelfs als de god van het kwaad, die de gangbare leer heeft verspreid als een dekmantel voor zijn negatieve bedoelingen. Een weldenkende christen, die werkelijk gelooft in God en in Zijn almacht, doet er goed aan te bedenken dat God het onmogelijk kan hebben toegelaten, dat de waarheid 2000 jaar lang door welke belang-hebbende partij dan ook kan zijn achtergehouden, en dat de goedwillende gelovige daar dan de dupe van zou zijn. En wie dat niet wil of kan aanvaarden, zou zich ernstig moeten afvragen in wat voor ‘god’ hij dan wel gelooft.

+

Volgende artikel omtrent complottheorieën: Uit de oude doos: De da Vinci code

Fundamenten van het Geloof: De lankmoedigheid van God

Wanneer God zondaars niet direct straft, komt dit voort uit zijn lankmoedigheid, zijn verdraagzaamheid, geduld, afwachting. Zijn lankmoedigheid staat uiteraard in directe relatie tot zijn barmhartigheid (zie volgende arttikel), als uiting van zijn goedertierenheid (zie Fundamenten van het Geloof: De goedertierenheid van God), zijn verbondsliefde, zijn verbondstrouw:

De HERE ging aan hem (Mozes) voorbij en riep: HERE, HERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw … (Exodus 34:6)

Als een Vader voedt God zijn kinderen op. Daarbij is geduld en verdraagzaamheid nodig, want opvoeden is een leerproces, met onderwijs en beproeving, waarin het geleerde in de praktijk gebracht moet worden. Zo heeft God gehandeld met zijn volk:

Vele jaren was U lankmoedig over hen en vermaande hen door uw Geest, door de dienst van uw profeten … (Nehemia 9:30)

In het Hebreeuws wordt het begrip lankmoedigheid omschreven als: het uitstellen, het vertragen van zijn toorn, of de uitbarsting daarvan. God ontziet het volk dus en geeft het nog een kans, zodat het in zijn genade aangenomen kan worden. In die periode wordt van het volk verwacht dat het zijn zonden zal belijden, onder afsmeking van vergiffenis daarvan, en zich vervolgens bekeren, zodat het niet meer zondigt. Petrus schrijft dat om die reden de zondvloed niet direct kwam:

“… toen de lankmoedigheid van God bleef afwachten, in de dagen van Noach, terwijl
de ark in gereedheid werd gebracht. (1 Petrus 3:20)

En Paulus wijst op Gods verdraagzaamheid in de periode van Israëls omzwerving door de woestijn:

… en Hij heeft gedurende een tijd van ongeveer veertig jaren in de woestijn hun eigenaardigheden verdragen. (Handelingen13:18)

Het motief voor Gods afwachten is te vinden in het boek van de profeet Ezechiël:

Zou Ik een welgevallen hebben aan de dood van de goddeloze? Luidt het woord van de Here, HERE. Niet veeleer hieraan, dat hij zich bekere van zijn wegen en leve? (Ezechiël 18:23, 32; 33:11).

Maar ook nu nog luidt het woord van de HERE: Bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en met vasten en met geween en met rouwklacht. Scheurt uw hart en niet uw klederen en bekeert u tot de HERE, uw God. Want genadig en barmhartig is Hij, lankmoedig en groot van goedertierenheid, berouw hebbende over het onheil … (Joël 2:12-14)

In het Nieuwe Testament herinnert Paulus zijn volksgenoten aan Gods lankmoedigheid met hen en roept hen op de tijd die hen nog is vergund goed te benutten:

En als God nu, zijn toorn willende tonen en zijn kracht bekendmaken, de voorwerpen van zijn toorn, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft – juist om de rijkdom van zijn heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid? (Romeinen 9:22-23)

Of veracht u de rijkdom van zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, en beseft u niet, dat de goedertierenheid van God u tot boetvaardigheid leidt? (Romeinen 2:4)

De lange tijd tussen de hemelvaart en de wederkomst van Christus Jezus is een voorbeeld van Gods lankmoedigheid, van zijn wachten met zijn oordeel over tot zonde geneigde mensen. De apostel Petrus herinnert zich kennelijk wat zijn heer eens
tot hem zei, als hij schrijft om het geloof van broeders en zusters te versterken:

De Here talmt niet met de belofte, al zijn er die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen … en houdt de lankmoedigheid van onze Here voor zaligheid … (2 Petrus 3:9).

En u (Petrus), als u eenmaal tot bekering gekomen bent, versterk dan uw broeders. (Lucas 22:32)

Paulus meent God te dienen door de gemeente van Christus te vervolgen. Vol ijver trekt hij door het gehele land, en gaat zelfs daarbuiten, om wie belijden dat zij volgelingen van Christus zijn gevangen te zetten en te (laten) doden. Zelf zegt hij later, dat
hij dat in tomeloze woede deed, verontwaardigd omdat deze mensen durven zeggen dat die vervloekte mens, Jezus van Nazareth, leeft en zelfs in de hemel bij God is.
Maar dan verschijnt hem de levende Jezus zelf en moet hij belijden dat hij, met al zijn kennis van de Schriften, geen inzicht heeft. Maar als Jezus hem uit de wet en de profeten uitlegt wat op Hem betrekking heeft, valt alles op zijn plaats. Dan is hij bereid met positieve ijver, voortkomend uit liefde voor God en de naaste, zoveel mogelijk zondaars te bekeren, zodat zij behouden worden van Gods toorn. Voor hem heeft God zijn grote lankmoedigheid aan hem bewezen, met als doel dat ook anderen die zouden ervaren door zijn prediking van het evangelie:

Maar hiertoe is mij ontferming bewezen, dat Jezus Christus in de eerste plaats in mij zijn ganse lankmoedigheid zou bewijzen, tot een voorbeeld voor hen, die later op Hem zouden vertrouwen ten eeuwigen leven. (1 Timoteüs 1:16)

Ook in dit geval is deze goddelijke eigenschap ook de eigenschap van zijn Zoon. En wanneer wij kinderen van God willen zijn, zal deze eigenschap ook bij ons aanwezig moeten zijn, want God wil dat wij deel krijgen aan zijn natuur (2 Petrus 1:4):

… wij doen onszelf in alles kennen als dienaren van God: in veel dulden, in verdrukkingen, in noden, in gevangenschappen … in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in rechtschapenheid, in de Heilige Geest, in ongeveinsde liefde … (2 Korintiërs 6:3-10)

… de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. (Galaten 5:22)

… vermaan ik u dan te wandelen waardig de roeping waarmee u geroepen bent, met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid en elkaar in liefde te verdragen … (Efeziërs 4:1-5)

Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraagt en vergeeft elkander … (Kolossensen 3:12,13)

God heeft ons mensen tot nu verdragen en vergeven, en de kans gegeven ons te bekeren. Maar zijn geduld duurt niet eeuwig. Daarom is het van het grootste belang te luisteren naar de leraars, die Hij in de wereld gezonden heeft met de woorden:

… verkondig het woord … weerleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting. (2 Timoteüs 4:2)

De lankmoedigheid van God
Vragen ter overdenking:

1. Waaruit blijkt in onze tijd de goedertierenheid van God?
2. Wat gaat u doen om Gods goedertierenheid te mogen ervaren?
3. Waarin heeft God lange tijd met u geduld moeten hebben?
4. Hoe brengt u de eis van God geduld met anderen te hebben in praktijk?
De betrouwbaarheid van God

De namen die God geeft aan mensen, zeggen iets over wat zij zijn of zullen zijn. Hun naam vertelt iets over hun eigenschappen, over hun levenswijze of hun daden. Dat moet dus ook het geval zijn met zijn eigen naam JWHW (Jehovah), die God aan Mozes bekendmaakte volgens Exodus 34. Gezien de eigenschappen die God daar van Zichzelf bekendmaakte in verband met zijn naam, mogen we zeggen dat deze niet alleen vandaag kunnen gelden, maar eeuwig zijn, omdat zij deel zijn van zijn wezen en kenmerkend voor zijn handelen. Goedertierenheid kan nooit voor een korte tijd gelden, omdat bijvoorbeeld zijn verbondsliefde of verbondstrouw zich over lange tijd uitstrekt. Maar ook over lankmoedigheid, ofwel geduld, kan alleen gesproken worden als het over een langere periode gaat. God heeft niet slechts 1 of 3 dagen, of een maand geduld, zoals wij mensen, maar eeuwen, zelfs duizenden jaren. De betekenis van zijn Naam heeft daarom betrekking op het heden, maar ook op het verleden en de toekomst. De God die lang geleden alle leven heeft gewekt, die er heden nog steeds is en er morgen zijn zal tot in alle eeuwigheden. De God die spreekt over toekomstige dingen en van de mens vraagt Hem op dat punt te beproeven, of Hij doet wat Hij heeft gezegd (zie bijvoorbeeld Jesaja 45-48). Daaruit moet blijken of Hij Degene is die Hij zegt te zijn: de  betrouwbare God. En zijn betrouwbaarheid komt aan het licht wanneer het woord dat Hij heeft gesproken waarheid wordt (zie Psalm 19:8 en 93:5). Het woord dat Hij spreekt heeft eeuwigheidswaarde, zoals God zelf eeuwig is. Hij is daarom zowel de God Die is, de Ik ben, als de God die in de toekomst is wat Hij tevoren heeft gezegd te zullen zijn, de Ik zal zijn, ofwel de Ik ben, die Ik zal zijn. We vinden herinneringen aan Exodus 34 in onder andere: Psalm 86:15; Psalm 89; Psalm 103:17-18; Psalm 145:8-10; Joël 2:13; Jona 2:2b; Mattheüs 23:23; Romeinen 2:4. De eeuwen door hebben gelovigen een beroep gedaan op deze openbaring van Gods naam, van de eigenschappen waarmee Hij zijn liefde en trouw wilde bewijzen aan zijn vriend Abraham en allen die in hetzelfde geloof als hij met Hem zouden wandelen.

J.K.D

++

Aanvullende lectuur

  1. Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 7 Omgaan met risico’s
  2. Donkere tijden, droge plekken, hijgende harten, dorstigen, neergeworpenen en geduld
  3. Fundamenten van het Geloof: De goedertierenheid van God
  4. Omgaan met zorgen in ons leven

+++

Gerelateerd

  1. Werk die Heilige Gees in my?
  2. ​As die Wet in die vleeslike karakter sonde uitgewys het, wat wys die Wet in die geestelike karakter? ( PD Conradie )

Zeven sabbatten

Paulus’ verwijzing naar ‘een feestdag, nieuwe maan of sabbat’  in Kolossenzen 2:16 is van speciaal belang voor onze bestudering van de manier waarop de Joodse kalender in de apostolische kerk werd gebruikt. De drie woorden feestdag, nieuwe maan en sjabbat stellen een zich stap voor stap ontwikkelende en uitputtende opsomming van de oudtestamentische heilige tijden voor. Deze drie woorden komen in dezelfde of in omgekeerde volgorde voor, vijf maal in de Septuaginta en verscheidene malen in andere literatuur. In deze gedeelten duiden ze de volgorde van de heilige tijden van de Joodse religieuze kalender aan.
De feestdagen zijn de jaarlijkse hoogtijdagen die in het voor- en najaar worden gevierd. De nieuwe maan is de maandelijkse viering van de eerste dag van de maand. Op deze dag werd in het vroege Israël op de bazuinen geblazen om de mensen aan de naderende Dag van het Bazuingeschal te herinneren (Num. 10:10; Ps. 81:4).
Het was een dag van speciale aanbidding (1 Sam. 20:5), waarop het werk werd onderbroken en extra offers werden gebracht (Num. 29:11-14).
Sjabbat is duidelijk de wekelijkse hoogtijdag die op de zevende dag in acht werd genomen. Het is duidelijk dat de drie woorden een opsomming van de heilige tijden voorstellen die door de Joodse kalender werden bepaald.
Het gebruik dat Paulus in Kolossenzen 2:16 van de speciale benaming ‘nieuwe maan’ (neomenia) maakt, in plaats van de algemene benaming ‘maand’ (men) zoals deze wordt gebruikt in Galaten 4:10), laat duidelijk zien dat hij de heilige tijden van de Joodse kalender voor ogen heeft en niet die van de heidense kalender. De vermelding ‘nieuwe maan’ is van belang voor onze studie van de Dag van Bazuingeschal, aangezien beide in ideologische zin met elkaar in verband stonden. Het blazen op de bazuinen bij nieuwe maan diende als een maandelijkse herinnering aan de naderende Dag van het Bazuingeschal, waarop op een indrukwekkende manier op de bazuinen werd geblazen, om de mensen op te roepen dat ze voor God terecht moesten staan tijdens de tien dagen die aan de Verzoendag voorafgingen. Op deze dag zouden hun zonden uiteindelijk voorgoed weggedaan worden.
Uit: De Najaarsfeesten van Samuele Bacchiocchio

Goedkeuring of afkeuring van hoogtijdagen?

De belangrijke vraag die we in dit opzicht in overweging moeten nemen is of Paulus in Kolossenzen 2:16 de naleving van de heilige tijden van de Joodse kalender goedkeurt dan wel afkeurt. In het verleden is deze tekst, zoals ik in mijn dissertatie Van Sjabbat naar zondag heb aangetoond, geïnterpreteerd als een Paulinische veroordeling van de viering van de oudtestamentische hoogtijdagen. Ondanks het feit dat dit een oude en geliefde interpretatie is, is zij geheel verkeerd, omdat Paulus in dit gedeelte de Kolossenzen niet waarschuwt tegen de inachtneming van de vijf genoemde gebruiken (eten, drinken, feesten, nieuwe maan en sjabbatten), maar tegen ‘wie dan ook’ (tis) die oordeelt hoe ze dit zouden moeten doen.

Er moet worden opgemerkt dat de rechter die oordeelt niet Paulus is, maar de dwaalleraren onder de Kolossenzen die ‘geboden’ opleggen (2:20)wat betreft de manier waarop deze gebruiken in acht genomen zouden moeten worden, om ‘eigendunkelijke godsdienst, nederigheid en kastijding  van het lichaam’ (2:23) te bereiken. D.R. De Lacey geeft, schrijvend in het symposium From Sabbath to Lord’s Day, terecht als commentaar:

‘De rechter is waarschijnlijk een man met ascetische neigingen die bezwaar heeft tegen het eten en drinken tegen het eten en drinken door de Kolossenzen. Het meest begrijpelijk is om de rest van het gedeelte zo op te vatten dat hij niet ook een ritueel van feestdagen oplegt, maar eerder dat hij bezwaar maakt tegen bepaalde elementen van een dergelijke naleving. Vermoedelijk wilde de ‘rechter’, dat wil zeggen de dwaalleraren, dat de gemeente deze praktijken op een meer ascetische manier in acht zouden nemen (‘kastijding van het lichaam’ – 2:23,21). Anders gezegd: de dwaalleraren wilden dat de gelovige Kolossenzen minder zouden feesten en meer zouden vasten.

+

Paulus ging met Barnabas op de sabbat in Antiochië naar de synagoge Hand. 13,14  De eerstvolgende sabbat predikten zij weer in de synagoge. De volgende sabbat kwam bijna de gehele stad bijeen om het woord van God te horen. Vele Joden geloofden niet. Daarna wendden zij op sabbat zich tot de heidenen. Hand. 13, 46 en 48. Dat was op sabbat. In Hand. 14, lezen we opnieuw dat zij naar de synagoge gingen, Daar waren Joden en heidenen in de synagoge. De niet Joden namen het woord van God wel aan. Verder ging de prediking gewoon door in Ikonium Hand. 14, 1. Een grote menigte, zowel Joden als van Grieken, kwam tot het geloof Hand. 14, 1.

In Hand. 15 was niet de sabbat in het geding vers 21.

In Hand. 17 ging Paulus naar Tessalonika waar een synagoge dus geen christelijke kerk was. En Paulus behandelde drie sabbatten achtereen met hen gedeelten uit de Schriften, de Torah, vers 2.

Zo gaat het maar door. En dan komen wij bij de beroemde passage in Hand 20,7 of eigenlijk het gehele hoofdstuk 1 tot en met 16. Het betreft de Zeven Sabbatten waarover Paulus het heeft. De Zeven Sabbatten is een rechtstreekse verwijzing naar Leviticus 23,15,16  DE VOLLE WEKEN d.w.z. 50 dagen tot Pinksterdag waar ook Lukas in Hand. 20,16 over schrijft.

De gemeente was op Pinksterdag begonnen Hand. 2, 1. Dezelfde Pinksterdag het Feest van Sjawoeot dat vermeld wordt in Hand. 20, 16. Het was een Joods Feest, beter Bijbels Feest. De eerste gemeente bestond uitsluitend uit Joden. Heidenen mochten pas in Hand. 10 meedoen.

De `broeders` in Hand. 28,14 waren Joden.

In Antiochië werden de gelovigen ´christenen´ genoemd, maar dat was een bijnaam.

Een geoefend oog merkt op dat de gelovigen Loofhutten hielden in overeenstemming met Zacharia 14.16.

Eigenlijk is het boek Handelingen doortrokken van de Bijbelse feestdagen waarvan Pesach en Sjawoeot getuigen. Het grootste deel van het Evangelie van Johannes betreft het feest der Ongezuurde Broden. Zie ook Lukas 22,7. Het gaat direct terug op Leviticus 23. Leviticus 23 is de spil waar het om draait. Centraal staat de Sabbat.

Groet,

Martin Rozestraten

  • Gepubliceerd op Yom Hey, 13 Nisan 5776 of 21 april 2016

+++