Het bewijs van Gods bestaan 1. De weg van veel goden naar geen God

Het bewijs van Gods bestaan 1. De weg van veel goden naar geen God

Het bewijs van Gods bestaan 1. De weg van veel goden naar geen God

Een in het kader van ‘Bijbel en Wetenschap’ telkens weer opduikende vraag is:

kun je Gods bestaan wetenschappelijk bewijzen?

Of heeft de wetenschap juist bewezen dat Hij niet bestaat? Er zijn in principe twee manieren waarop je de beantwoording van zo’n vraag kunt aanpakken. De ene houdt in dat je al je moderne wetenschappelijke inzichten in de strijd gooit, en probeert langs die weg tot een antwoord te komen. De andere is te kijken wat de Bijbel daar zelf over te zeggen heeft.

In deze serie willen we beide benaderingen achtereenvolgens aan een nader onderzoek onderwerpen.

Geen enkele god, of juist te veel?

Bij dit onderwerp moet je dan natuurlijk wel bedenken dat de vraag als zodanig er een van onze tijd is. Gedurende het grootste deel van de geschiedenis was de vraag of God (eventueel: een god) bestaat geen punt van discussie.

Pas in de moderne tijd is de mens daar aan gaan twijfelen. Atheïsme is in zijn huidige vorm bij uitstek iets van de laatste paar eeuwen. In bijbelse tijden was er juist een overvloed aan goden, en de vraag was niet of de God van de Bijbel bestond, maar hoe Die zich verhield tot al die andere: was Hij inderdaad de grootste?

Zelfs de bewering dat Hij de enige was, was toen al een gewaagde uitspraak. Je verwacht dan ook geen teksten in de Bijbel die dat bestaan zouden bewijzen. Vandaar dus de vele historische pogingen om dat bewijs buiten de Schrift om te leveren.
Voor de volledigheid: sommige Griekse profetenscholen hielden er toch al wel atheïstische ideeën op na, zoals die van de Epikureërs in Handelingen 17. Maar zij vertegenwoordigden niet het denken van de grote massa in de Griekse wereld. We zien dan ook dat Paulus in zijn toespraak te Athene veel meer ingaat op de argumenten van die andere filosofische school van zijn dagen: die der Stoïcijnen. Maar ook daarmee krijgt hij weinig voet aan de grond.

Oude wetenschap tegenover moderne

Buste van Socrates in het Louvre in Parijs, Romeinse kopie uit de 1e eeuw n.Chr. van een Grieks origineel in brons.

Buste van Socrates in het Louvre in Parijs, Romeinse kopie uit de 1e eeuw n.Chr. van een Grieks origineel in brons.

Toch zijn er in de volgende eeuwen een aantal vroeg-christelijke schrijvers geweest die hebben geprobeerd aannemelijk te maken dat de grote Griekse filosofen met hun denkbeelden eigenlijk wel op één lijzaten met de bijbelse boodschap. Je hebt het dan over filosofen als Socrates, Plato en Aristoteles (5e-4e eeuw v. Chr.).

Als wij met onze huidige inzichten terugkijken naar de essentie van hun denkbeelden zou je niet echt snel op de gedachte komen daar veel overeenkomsten met de Schrift in te zien, maar zulke pogingen waren vooral bedoeld om het vroege christendom ‘aanvaardbaar’ te maken voor de Griekse denkwereld. Helaas resulteerde dat vooral in een aanpassing van de bijbelse boodschap aan het gangbare Griekse denken, in plaats van omgekeerd zoals eigenlijk had gemoeten. Alles veranderde echter met het aanbreken van de tijd der ‘Verlichting’. Terwijl de oude Griekse benadering van de wetenschap voornamelijk was gebaseerd op redenering, begon nu het inzicht door te breken dat je dingen kunt bestuderen. Dat betekent gericht onderzoek door middel van experimenten en waarnemingen. Uit die waarnemingen kun je dan conclusies trekken die je zo nodig verder kunt onderbouwen met nieuwe experimenten en nog meer waarnemingen. Voor onze vraag had dit twee verschillende soorten gevolg.

De bevrijding uit ‘de slavernij van de natuur’

In de allereerste plaats betekende dit dat de mens steeds meer begon te begrijpen van de natuur en de wereld om hem heen. Allerlei dingen die hij vroeger niet begreep, en daarom toeschreef aan direct goddelijk ingrijpen, kon hij nu meer en meer herleiden tot wetenschappelijk aangetoonde wetmatigheden in de natuur. Natuurlijk heb je daarmee nog geen verklaring voor de oorzaak van die wetmatigheden, maar het tempo waarin het begrip toe nam maakte de mens optimistisch genoeg om aan te nemen dat die oorzaken op een dag ook wel verklaard zouden worden. En daarmee ontstond langzaam de gedachte dat je wellicht de hele wereld zou kunnen verklaren zonder daarvoor te hoeven ‘uitwijken’ naar bovennatuurlijke verklaringen.

De mens begon zich daardoor meer en meer ‘onafhankelijk’ te voelen, hij had God ‘niet langer nodig’. Want begrip van de natuur zou op den duur ook leiden tot beheersing van die natuur. Hij zou er niet langer ondergeschikt aan zijn, maar die natuur ondergeschikt kunnen maken aan zichzelf. Het hele feit dat de waargenomen regelmatigheden in de natuur worden aangeduid als ‘wetten’ symboliseert in feite dat denkbeeld van die ondergeschiktheid van de natuur: zij kan niet zo maar haar gang gaan, maar is onderworpen aan ‘wetten’. En de mens zou van die wetten gebruik kunnen maken om de natuur naar zijn hand te zetten. De mens zag dit in toenemende mate als een bevrijding uit een soort slavernij. En dus begon zich, ook onder de grote massa, een actief atheïsme te ontwikkelen, dat gretig gebruik maakte van de nieuw verworven inzichten. Wat ten onrechte de mening heeft doen post vatten dat een geloof in God in strijd zou zijn met de conclusies van de wetenschap. Een misvatting die bijvoorbeeld de communistische wereld met veel enthousiasme heeft aangewakkerd en in stand gehouden.

Is Gods bestaan wetenschappelijk aantoonbaar?

De andere ontwikkeling leidde juist in de tegenovergestelde richting.

Overtuigde christenen begonnen te overwegen dat het wellicht mogelijk zou zijn om met die nieuw ontwikkelde wetenschappelijke methodieken juist te bewijzen dat God bestaat. Dat stuit uiteraard op het probleem dat je God niet kunt onderwerpen aan wetenschappelijke experimenten, maar met wat speurwerk zou je uit de natuur toch wel voldoende waarnemingen moeten kunnen halen als basis voor een wetenschappelijk aanvaardbare theorie. Op zich geen onlogische gedachtegang, maar in de praktijk bleek het toch moeilijk om het bewijs rond te krijgen. En bovengenoemde partijen, die hun atheïsme waren gaan baseren op diezelfde wetenschap, lieten zich hun nieuw verworven ‘bevrijding’ uiteraard niet zo gemakkelijk weer afnemen. Dat leidde onvermijdelijk tot een merkwaardig soort van godsdienstoorlog tussen beide kampen, waarbij beide partijen gebruik maken van echte ofvermeende wetenschappelijke feiten en conclusies. Met als gevolg dat de modale burger het spoor al lang bijster is.

In de komende afleveringen willen we daarom proberen daar wat klaarheid in te brengen.

R.C.R

+

Voorgaand

Bijbels geloof en heidense filosofie

++

Aansluitende lectuur

  1. 4de Vraag: Wie of wat is God
  2. God of een god
  3. God versus goden
  4. Bestaan en moeilijke herkenning van het Hoogste Godheidswezen
  5. Bijbel – Enige bron van kennis en openbaring van God
  6. Bouwen op het Bijbels fundament 1.Feit of fantasie?
  7. Gods vergeten Woord 16 Geopenbaarde Woord 1 Zoeken naar een god
  8. Gods vergeten Woord 17 Geopenbaarde Woord 2 Geopenbaard licht
  9. Bereshith 2:4-14 Adem en leven plaatsing door de Elohim God
  10. Bereshith 3:1-5 De grote misleiding
  11. Is God drie-eenheid
  12. De Enige Ware God
  13. Drie-eenheidsleer een menselijke dwaling
  14. Aanroepen van Gods Naam
  15. God is een verhaal #2 Voorgangers niet gediend met een Enige God
  16. Betreffende Christus # 2 Goddelijke bron, verband en goddelijk mens
  17. Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 4 De ziel – een Grieks beeld
  18. Christenen vragen atheïsten te bewijzen dat God niet bestaat

++

Aanverwante supplementaire lectuur

  1. Monotheisme – ÉÉN GOD

Bijbels geloof en heidense filosofie

In Handelingen 17 lezen we over Paulus’ ontmoeting met twee filosofische stromingen in Athene: de Epicureïsche en de Stoïcijnse school.

Als we tijd en geografie buiten beschouwing laten, lijkt het alsof wij worden geconfronteerd met de ‘wijsheden’ in ónze tijd. Want het wereldse denken in Paulus’ dagen vertoonde bepaalde overeenkomsten met dat in onze wereld.

De Epicureïsche wijsgeren gingen er in hun dagelijks leven van uit, dat alles door toeval was ontstaan. Slechts in theorie geloofden zij in “de goden”. Deze goden, zo ver weg, konden niet werkelijk geïnteresseerd zijn in de wereld en haar bewoners. Zij waren voor deze wijsgeren geen realiteit. Zij waren eigenlijk atheïsten. Hun uitgangspunten lijken sterk op die van hedendaagse levensgenieters. Zij gaven zich over aan de geneugten van het leven en koesterden het vlees.

De god van de Stoïcijnen was de natuur. De mens maakte daar deel vanuit. Zij bewoog zich in vastgestelde kringlopen, die de mens niet kon veranderen. De Stoïcijnen geloofden dat alles door het noodlot werd bepaald. Dat lot heette dan Gods wil. Aangezien alles wat er gebeurt Gods wil is, zit er niets anders op dan dat de mensen moeten leren alles te accepteren.

Op het moment dat de wereldcyclus ten einde komt, valt alles uiteen in een vuurbal. Dan begint alles weer van voren af aan. Alles wat plaats vindt is van te voren bepaald. Omdat alles vooraf is vastgesteld, kan er niets worden veranderd.

De Stoïcijnen leerden dat het maar het beste is je te schikken in je lot. Je moet dat doen door je te oefenen onafhankelijk te zijn.
Omgaan met het kwaad lukt het beste als je een onverschillige levenshouding probeert aan te nemen. Dit geeft je vrede in je geest. De Stoïcijnen onttrokken zich aan het vlees.

 

De prediking door Paulus

In zo’n denk- en leefwereld verscheen de apostel Paulus met het evangelie. Zijn prediking bestond uit zes hoofdpunten,:

Verzen 24-25

Lucius Annaeus Seneca meest gekende van de stoïcijnse filosofen

In tegenstelling tot de Epicureërs, die leerden dat de goden verwijderd waren van de natuur, of de Stoïcijnen die leerden ‘god is de natuur’, zei Paulus dat God, hoewel ver boven ons verheven, toch zeer betrokken is bij de wereld die Hij maakte. Wat Paulus zei is tevens een les voor alle tijden. Het is maar al te waar dat mensen vaak aanbidden wat hun handen hebben gemaakt.
De ‘god’ van een mens is dat waaraan hij al zijn tijd, geld, energie en aandacht geeft, waardoor deze god belangrijker voor hem is dan zijn Schepper. Dat kan van alles inhouden: sport, studies, hobbies en vermaak.

Vers 26

In contrast met de Epicureërs, die welbeschouwd op atheïstische evolutionisten lijken, en leerden dat de wereld door toeval ontstond, of de Stoïcijnen, wier ‘god’ de wereld was die zichzelf draaiende houdt volgens onveranderlijke wetten en eindeloze herhalingen, predikte Paulus dat God onze Maker is en ons zegent. Niet het noodlot bestuurt ons, maar Gods hand.

Verzen 27-28

De fatalistische Stoïcijnen leerden dat alles zou samensmelten tot een pantheïstische god. De praktisch ingestelde atheïstische Epicureërs leerden dat de goden heel ver van de mens waren verwijderd en al helemaal niet in hen geïnteresseerd. Paulus zei dat God ons zó heeft gemaakt (naar Zijn beeld) dat wij Hem kunnen zoeken. Er is dus met God contact mogelijk.

Griekse dichter Aratus

Paulus haalde twee citaten aan van twee van hun nationale dichters: Aratus en Cleanthes. In elk van hun gedichten komt de zin voor:

“Wij zijn van Zijn geslacht”.

Verzen 29-30

De dagen van donkerheid en onwetendheid zijn nu voorbij en verleden tijd. De wijsgeren hebben ongelijk.

Als het waar is dat God ons heeft gemaakt, dan kan onze opvatting van God niet iets zijn dat wij maken. Zoals wij macht hebben over goud, zilveren steen, zo heeft God macht over ons. God straft ons niet direct als wij afgoden dienen, maar eist wel degelijk bekering.

Zolang de mens op zoek was in de duisternis kon hij God niet leren kennen. God zag vroeger hun dwaasheden en fouten over het hoofd. Nu is het anders:

De ware kennis van God is tot ons gekomen in Christus.

Vers 31a

De oordeelsdag komt naderbij.

Voor de mens is het leven niet een weg die leidt tot vernietiging, zoals de Epicureeërs leerden. Het is evenmin een weg die ons opneemt in een god die Natuur heet, zoals de Stoïcijnen dachten.

Het is een reis naar de Rechterstoel van Christus.

Vers 31b

Het grootste teken van Gods bemoeienis in deze wereld is de opstanding van Jezus Christus. We moeten niet worden verenigd met een Onbekende God, maar met de door de hemelse Vader opgewekte Christus.

 

Gemengde reacties

Paulus had minder succes in Athene dan elders, waar “niet vele wijzen, niet vele invloedrijken” waren (1 Kor. 1:26). De inwoners van Athene zeiden dat zij op zoek waren naar wijsheid. Zij wilden geen actie. Zij waren niet op zoek naar conclusies. Zoals velen tegenwoordig wilden zij alleen maar praten en discussiëren, en niets doen. Sommigen spotten. Zij vonden die enthousiaste joodse Paulus waarschijnlijk maar een vreemde snuiter. Voor hen was het leven een soort grap. Maar grappen eindigen vaak in tragedies. Uiteindelijk worden wij allemaal geconfronteerd met de harde realiteit van het sterven. Sommigen zeiden:

Wij zullen u hierover nog wel eens horen.

Dat zijn mensen die belangrijke beslissingen altijd maar uitstellen. Maar aan het eind van onze levensreis is er geen ‘morgen’ meer.

Dionysius de Areopagiet uit Athene

Sommigen kwamen tot geloof. Dit is de enige veilige weg. Enige mannen sloten zich bij Paulus aan. Er was ook een vrouw, Dámaris, die tot geloof kwam. En dan was er Dionysius, een Areopagiet, lid van het Tribunaal. Het was alsof de rechter van zijn stoel opstond, en zich bij de gevangene aansloot in de afgesloten ruimte van de rechtzaal. Van menselijk standpunt bekeken was zijn bekering een triomf voor de waarheid. Een lid van het Tribunaal genoot de hoogste reputatie onder het volk vanwege zijn intelligentie en voorbeeldige gedrag. Dionysius gooide zijn carrière te grabbel, omdat Christus het waard is!

M.R.

++

Aanverwant

  1. Bereshith 3:1-6 Het bedrog
  2. Dingen laten komen zoals ze zijn geweven in je levenslot
  3. Controleer uw lot of iemand anders zal het doen

Uit de oude doos: Het Judasevangelie

In 2006 was er heel wat ophef over het Evangelie van Judas.

Wij schreven toen

Wie in onze wereld aandacht wil trekken, zit altijd goed met complottheorieën, vooral op christelijk gebied. Jezus zou niet op aan een paal gestorven zijn, en dus ook niet echt uit de dood zijn opgestaan. Paulus zou een Romeins ‘undercover agent’ zijn geweest die, met listige verdraaiingen van Jezus’ boodschap, de christenen zou hebben wijsgemaakt dat ze de (Romeinse) overheid moesten gehoorzamen.

De lijkwade van Turijn zou ’s werelds eerste foto zijn, gemaakt door Leonardo da Vinci, die daarmee het Vaticaan een of andere duistere poets heeft willen bakken. Je kunt het zo gek niet verzinnen of het is verkondigd.

Nu heeft de National Geographic Society (NGS) weer uitgepakt met het verhaal dat Judas juist de ‘goede’ man was en alle andere apostelen slechterikken, of in elk geval domoren. De basis voor dit laatste verhaal is de ‘sensationele’ vondst van ‘het evangelie naar Judas’.
Nu is dat verhaal over de edele bedoelingen van Judas al bijna net zo oud als het christendom zelf, en dus niet echt nieuw. En het bestaan van dit ‘evangelie’ is ook al meer dan 18 eeuwen bekend, zij het alleen uit vermeldingen. Halfweg de vorige eeuw is er echter een late Koptische versie van opgedoken, waar sindsdien een erg schimmig spel mee gespeeld is, met als voornaamste trefwoord: geld.

Eerste pagina van het Evangelie van Judas (Pagina 33 van de Codex Tchacos)

Nu heeft de NGS met een fors bedrag de vertaling van de tekst gesponsord, en uiteraard wil men daar wat van terugzien. Dat wordt nu sensationeel in het nieuws gebracht,met complottheorie: eindelijk komt de echte waarheid aan het licht.
Helaas staat de NGS niet bekend om haar wetenschappelijke benadering van het christendom. Dit geschrift is er een uit een lange reeks van zogenaamde gnostische geschriften. Gnostiek is een leer van ‘ingewijd zijn in verborgen kennis’ (gnostiek is afgeleid van ‘gnosis’ = kennis). Gnostiek maakt gebruik van christelijke, of christelijk klinkende, elementen, maar moet in zijn aard feitelijk als niet-christelijk worden getypeerd. Voor zover de Bijbel al een rol speelt, wordt deze zeer ‘spiritueel’ en symbolisch geïnterpreteerd. Extreme stromingen zien ‘Jehova’ zelfs als de god van het kwaad, die de gangbare leer heeft verspreid als een dekmantel voor zijn negatieve bedoelingen. Een weldenkende christen, die werkelijk gelooft in God en in Zijn almacht, doet er goed aan te bedenken dat God het onmogelijk kan hebben toegelaten, dat de waarheid 2000 jaar lang door welke belang-hebbende partij dan ook kan zijn achtergehouden, en dat de goedwillende gelovige daar dan de dupe van zou zijn. En wie dat niet wil of kan aanvaarden, zou zich ernstig moeten afvragen in wat voor ‘god’ hij dan wel gelooft.

+

Volgende artikel omtrent complottheorieën: Uit de oude doos: De da Vinci code

Fundamenten van het Geloof: De lankmoedigheid van God

Wanneer God zondaars niet direct straft, komt dit voort uit zijn lankmoedigheid, zijn verdraagzaamheid, geduld, afwachting. Zijn lankmoedigheid staat uiteraard in directe relatie tot zijn barmhartigheid (zie volgende arttikel), als uiting van zijn goedertierenheid (zie Fundamenten van het Geloof: De goedertierenheid van God), zijn verbondsliefde, zijn verbondstrouw:

De HERE ging aan hem (Mozes) voorbij en riep: HERE, HERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw … (Exodus 34:6)

Als een Vader voedt God zijn kinderen op. Daarbij is geduld en verdraagzaamheid nodig, want opvoeden is een leerproces, met onderwijs en beproeving, waarin het geleerde in de praktijk gebracht moet worden. Zo heeft God gehandeld met zijn volk:

Vele jaren was U lankmoedig over hen en vermaande hen door uw Geest, door de dienst van uw profeten … (Nehemia 9:30)

In het Hebreeuws wordt het begrip lankmoedigheid omschreven als: het uitstellen, het vertragen van zijn toorn, of de uitbarsting daarvan. God ontziet het volk dus en geeft het nog een kans, zodat het in zijn genade aangenomen kan worden. In die periode wordt van het volk verwacht dat het zijn zonden zal belijden, onder afsmeking van vergiffenis daarvan, en zich vervolgens bekeren, zodat het niet meer zondigt. Petrus schrijft dat om die reden de zondvloed niet direct kwam:

“… toen de lankmoedigheid van God bleef afwachten, in de dagen van Noach, terwijl
de ark in gereedheid werd gebracht. (1 Petrus 3:20)

En Paulus wijst op Gods verdraagzaamheid in de periode van Israëls omzwerving door de woestijn:

… en Hij heeft gedurende een tijd van ongeveer veertig jaren in de woestijn hun eigenaardigheden verdragen. (Handelingen13:18)

Het motief voor Gods afwachten is te vinden in het boek van de profeet Ezechiël:

Zou Ik een welgevallen hebben aan de dood van de goddeloze? Luidt het woord van de Here, HERE. Niet veeleer hieraan, dat hij zich bekere van zijn wegen en leve? (Ezechiël 18:23, 32; 33:11).

Maar ook nu nog luidt het woord van de HERE: Bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en met vasten en met geween en met rouwklacht. Scheurt uw hart en niet uw klederen en bekeert u tot de HERE, uw God. Want genadig en barmhartig is Hij, lankmoedig en groot van goedertierenheid, berouw hebbende over het onheil … (Joël 2:12-14)

In het Nieuwe Testament herinnert Paulus zijn volksgenoten aan Gods lankmoedigheid met hen en roept hen op de tijd die hen nog is vergund goed te benutten:

En als God nu, zijn toorn willende tonen en zijn kracht bekendmaken, de voorwerpen van zijn toorn, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft – juist om de rijkdom van zijn heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid? (Romeinen 9:22-23)

Of veracht u de rijkdom van zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, en beseft u niet, dat de goedertierenheid van God u tot boetvaardigheid leidt? (Romeinen 2:4)

De lange tijd tussen de hemelvaart en de wederkomst van Christus Jezus is een voorbeeld van Gods lankmoedigheid, van zijn wachten met zijn oordeel over tot zonde geneigde mensen. De apostel Petrus herinnert zich kennelijk wat zijn heer eens
tot hem zei, als hij schrijft om het geloof van broeders en zusters te versterken:

De Here talmt niet met de belofte, al zijn er die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen … en houdt de lankmoedigheid van onze Here voor zaligheid … (2 Petrus 3:9).

En u (Petrus), als u eenmaal tot bekering gekomen bent, versterk dan uw broeders. (Lucas 22:32)

Paulus meent God te dienen door de gemeente van Christus te vervolgen. Vol ijver trekt hij door het gehele land, en gaat zelfs daarbuiten, om wie belijden dat zij volgelingen van Christus zijn gevangen te zetten en te (laten) doden. Zelf zegt hij later, dat
hij dat in tomeloze woede deed, verontwaardigd omdat deze mensen durven zeggen dat die vervloekte mens, Jezus van Nazareth, leeft en zelfs in de hemel bij God is.
Maar dan verschijnt hem de levende Jezus zelf en moet hij belijden dat hij, met al zijn kennis van de Schriften, geen inzicht heeft. Maar als Jezus hem uit de wet en de profeten uitlegt wat op Hem betrekking heeft, valt alles op zijn plaats. Dan is hij bereid met positieve ijver, voortkomend uit liefde voor God en de naaste, zoveel mogelijk zondaars te bekeren, zodat zij behouden worden van Gods toorn. Voor hem heeft God zijn grote lankmoedigheid aan hem bewezen, met als doel dat ook anderen die zouden ervaren door zijn prediking van het evangelie:

Maar hiertoe is mij ontferming bewezen, dat Jezus Christus in de eerste plaats in mij zijn ganse lankmoedigheid zou bewijzen, tot een voorbeeld voor hen, die later op Hem zouden vertrouwen ten eeuwigen leven. (1 Timoteüs 1:16)

Ook in dit geval is deze goddelijke eigenschap ook de eigenschap van zijn Zoon. En wanneer wij kinderen van God willen zijn, zal deze eigenschap ook bij ons aanwezig moeten zijn, want God wil dat wij deel krijgen aan zijn natuur (2 Petrus 1:4):

… wij doen onszelf in alles kennen als dienaren van God: in veel dulden, in verdrukkingen, in noden, in gevangenschappen … in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in rechtschapenheid, in de Heilige Geest, in ongeveinsde liefde … (2 Korintiërs 6:3-10)

… de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. (Galaten 5:22)

… vermaan ik u dan te wandelen waardig de roeping waarmee u geroepen bent, met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid en elkaar in liefde te verdragen … (Efeziërs 4:1-5)

Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraagt en vergeeft elkander … (Kolossensen 3:12,13)

God heeft ons mensen tot nu verdragen en vergeven, en de kans gegeven ons te bekeren. Maar zijn geduld duurt niet eeuwig. Daarom is het van het grootste belang te luisteren naar de leraars, die Hij in de wereld gezonden heeft met de woorden:

… verkondig het woord … weerleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting. (2 Timoteüs 4:2)

De lankmoedigheid van God
Vragen ter overdenking:

1. Waaruit blijkt in onze tijd de goedertierenheid van God?
2. Wat gaat u doen om Gods goedertierenheid te mogen ervaren?
3. Waarin heeft God lange tijd met u geduld moeten hebben?
4. Hoe brengt u de eis van God geduld met anderen te hebben in praktijk?
De betrouwbaarheid van God

De namen die God geeft aan mensen, zeggen iets over wat zij zijn of zullen zijn. Hun naam vertelt iets over hun eigenschappen, over hun levenswijze of hun daden. Dat moet dus ook het geval zijn met zijn eigen naam JWHW (Jehovah), die God aan Mozes bekendmaakte volgens Exodus 34. Gezien de eigenschappen die God daar van Zichzelf bekendmaakte in verband met zijn naam, mogen we zeggen dat deze niet alleen vandaag kunnen gelden, maar eeuwig zijn, omdat zij deel zijn van zijn wezen en kenmerkend voor zijn handelen. Goedertierenheid kan nooit voor een korte tijd gelden, omdat bijvoorbeeld zijn verbondsliefde of verbondstrouw zich over lange tijd uitstrekt. Maar ook over lankmoedigheid, ofwel geduld, kan alleen gesproken worden als het over een langere periode gaat. God heeft niet slechts 1 of 3 dagen, of een maand geduld, zoals wij mensen, maar eeuwen, zelfs duizenden jaren. De betekenis van zijn Naam heeft daarom betrekking op het heden, maar ook op het verleden en de toekomst. De God die lang geleden alle leven heeft gewekt, die er heden nog steeds is en er morgen zijn zal tot in alle eeuwigheden. De God die spreekt over toekomstige dingen en van de mens vraagt Hem op dat punt te beproeven, of Hij doet wat Hij heeft gezegd (zie bijvoorbeeld Jesaja 45-48). Daaruit moet blijken of Hij Degene is die Hij zegt te zijn: de  betrouwbare God. En zijn betrouwbaarheid komt aan het licht wanneer het woord dat Hij heeft gesproken waarheid wordt (zie Psalm 19:8 en 93:5). Het woord dat Hij spreekt heeft eeuwigheidswaarde, zoals God zelf eeuwig is. Hij is daarom zowel de God Die is, de Ik ben, als de God die in de toekomst is wat Hij tevoren heeft gezegd te zullen zijn, de Ik zal zijn, ofwel de Ik ben, die Ik zal zijn. We vinden herinneringen aan Exodus 34 in onder andere: Psalm 86:15; Psalm 89; Psalm 103:17-18; Psalm 145:8-10; Joël 2:13; Jona 2:2b; Mattheüs 23:23; Romeinen 2:4. De eeuwen door hebben gelovigen een beroep gedaan op deze openbaring van Gods naam, van de eigenschappen waarmee Hij zijn liefde en trouw wilde bewijzen aan zijn vriend Abraham en allen die in hetzelfde geloof als hij met Hem zouden wandelen.

J.K.D

++

Aanvullende lectuur

  1. Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 7 Omgaan met risico’s
  2. Donkere tijden, droge plekken, hijgende harten, dorstigen, neergeworpenen en geduld
  3. Fundamenten van het Geloof: De goedertierenheid van God
  4. Omgaan met zorgen in ons leven

+++

Gerelateerd

  1. Werk die Heilige Gees in my?
  2. ​As die Wet in die vleeslike karakter sonde uitgewys het, wat wys die Wet in die geestelike karakter? ( PD Conradie )

Zeven sabbatten

Paulus’ verwijzing naar ‘een feestdag, nieuwe maan of sabbat’  in Kolossenzen 2:16 is van speciaal belang voor onze bestudering van de manier waarop de Joodse kalender in de apostolische kerk werd gebruikt. De drie woorden feestdag, nieuwe maan en sjabbat stellen een zich stap voor stap ontwikkelende en uitputtende opsomming van de oudtestamentische heilige tijden voor. Deze drie woorden komen in dezelfde of in omgekeerde volgorde voor, vijf maal in de Septuaginta en verscheidene malen in andere literatuur. In deze gedeelten duiden ze de volgorde van de heilige tijden van de Joodse religieuze kalender aan.
De feestdagen zijn de jaarlijkse hoogtijdagen die in het voor- en najaar worden gevierd. De nieuwe maan is de maandelijkse viering van de eerste dag van de maand. Op deze dag werd in het vroege Israël op de bazuinen geblazen om de mensen aan de naderende Dag van het Bazuingeschal te herinneren (Num. 10:10; Ps. 81:4).
Het was een dag van speciale aanbidding (1 Sam. 20:5), waarop het werk werd onderbroken en extra offers werden gebracht (Num. 29:11-14).
Sjabbat is duidelijk de wekelijkse hoogtijdag die op de zevende dag in acht werd genomen. Het is duidelijk dat de drie woorden een opsomming van de heilige tijden voorstellen die door de Joodse kalender werden bepaald.
Het gebruik dat Paulus in Kolossenzen 2:16 van de speciale benaming ‘nieuwe maan’ (neomenia) maakt, in plaats van de algemene benaming ‘maand’ (men) zoals deze wordt gebruikt in Galaten 4:10), laat duidelijk zien dat hij de heilige tijden van de Joodse kalender voor ogen heeft en niet die van de heidense kalender. De vermelding ‘nieuwe maan’ is van belang voor onze studie van de Dag van Bazuingeschal, aangezien beide in ideologische zin met elkaar in verband stonden. Het blazen op de bazuinen bij nieuwe maan diende als een maandelijkse herinnering aan de naderende Dag van het Bazuingeschal, waarop op een indrukwekkende manier op de bazuinen werd geblazen, om de mensen op te roepen dat ze voor God terecht moesten staan tijdens de tien dagen die aan de Verzoendag voorafgingen. Op deze dag zouden hun zonden uiteindelijk voorgoed weggedaan worden.
Uit: De Najaarsfeesten van Samuele Bacchiocchio

Goedkeuring of afkeuring van hoogtijdagen?

De belangrijke vraag die we in dit opzicht in overweging moeten nemen is of Paulus in Kolossenzen 2:16 de naleving van de heilige tijden van de Joodse kalender goedkeurt dan wel afkeurt. In het verleden is deze tekst, zoals ik in mijn dissertatie Van Sjabbat naar zondag heb aangetoond, geïnterpreteerd als een Paulinische veroordeling van de viering van de oudtestamentische hoogtijdagen. Ondanks het feit dat dit een oude en geliefde interpretatie is, is zij geheel verkeerd, omdat Paulus in dit gedeelte de Kolossenzen niet waarschuwt tegen de inachtneming van de vijf genoemde gebruiken (eten, drinken, feesten, nieuwe maan en sjabbatten), maar tegen ‘wie dan ook’ (tis) die oordeelt hoe ze dit zouden moeten doen.

Er moet worden opgemerkt dat de rechter die oordeelt niet Paulus is, maar de dwaalleraren onder de Kolossenzen die ‘geboden’ opleggen (2:20)wat betreft de manier waarop deze gebruiken in acht genomen zouden moeten worden, om ‘eigendunkelijke godsdienst, nederigheid en kastijding  van het lichaam’ (2:23) te bereiken. D.R. De Lacey geeft, schrijvend in het symposium From Sabbath to Lord’s Day, terecht als commentaar:

‘De rechter is waarschijnlijk een man met ascetische neigingen die bezwaar heeft tegen het eten en drinken tegen het eten en drinken door de Kolossenzen. Het meest begrijpelijk is om de rest van het gedeelte zo op te vatten dat hij niet ook een ritueel van feestdagen oplegt, maar eerder dat hij bezwaar maakt tegen bepaalde elementen van een dergelijke naleving. Vermoedelijk wilde de ‘rechter’, dat wil zeggen de dwaalleraren, dat de gemeente deze praktijken op een meer ascetische manier in acht zouden nemen (‘kastijding van het lichaam’ – 2:23,21). Anders gezegd: de dwaalleraren wilden dat de gelovige Kolossenzen minder zouden feesten en meer zouden vasten.

+

Paulus ging met Barnabas op de sabbat in Antiochië naar de synagoge Hand. 13,14  De eerstvolgende sabbat predikten zij weer in de synagoge. De volgende sabbat kwam bijna de gehele stad bijeen om het woord van God te horen. Vele Joden geloofden niet. Daarna wendden zij op sabbat zich tot de heidenen. Hand. 13, 46 en 48. Dat was op sabbat. In Hand. 14, lezen we opnieuw dat zij naar de synagoge gingen, Daar waren Joden en heidenen in de synagoge. De niet Joden namen het woord van God wel aan. Verder ging de prediking gewoon door in Ikonium Hand. 14, 1. Een grote menigte, zowel Joden als van Grieken, kwam tot het geloof Hand. 14, 1.

In Hand. 15 was niet de sabbat in het geding vers 21.

In Hand. 17 ging Paulus naar Tessalonika waar een synagoge dus geen christelijke kerk was. En Paulus behandelde drie sabbatten achtereen met hen gedeelten uit de Schriften, de Torah, vers 2.

Zo gaat het maar door. En dan komen wij bij de beroemde passage in Hand 20,7 of eigenlijk het gehele hoofdstuk 1 tot en met 16. Het betreft de Zeven Sabbatten waarover Paulus het heeft. De Zeven Sabbatten is een rechtstreekse verwijzing naar Leviticus 23,15,16  DE VOLLE WEKEN d.w.z. 50 dagen tot Pinksterdag waar ook Lukas in Hand. 20,16 over schrijft.

De gemeente was op Pinksterdag begonnen Hand. 2, 1. Dezelfde Pinksterdag het Feest van Sjawoeot dat vermeld wordt in Hand. 20, 16. Het was een Joods Feest, beter Bijbels Feest. De eerste gemeente bestond uitsluitend uit Joden. Heidenen mochten pas in Hand. 10 meedoen.

De `broeders` in Hand. 28,14 waren Joden.

In Antiochië werden de gelovigen ´christenen´ genoemd, maar dat was een bijnaam.

Een geoefend oog merkt op dat de gelovigen Loofhutten hielden in overeenstemming met Zacharia 14.16.

Eigenlijk is het boek Handelingen doortrokken van de Bijbelse feestdagen waarvan Pesach en Sjawoeot getuigen. Het grootste deel van het Evangelie van Johannes betreft het feest der Ongezuurde Broden. Zie ook Lukas 22,7. Het gaat direct terug op Leviticus 23. Leviticus 23 is de spil waar het om draait. Centraal staat de Sabbat.

Groet,

Martin Rozestraten

  • Gepubliceerd op Yom Hey, 13 Nisan 5776 of 21 april 2016

+++

De eerste christenen hun vieringen

De eerste christenen vierden de feesten en sjabbat

Uit: De Najaarsfeesten door de Italiaanse theoloog en professor kerkgeschiedenis Samuele Bacchiocchio.
Het is zeer betreurenswaardig dat een onjuiste exegese van Kolossenzen 2:14-17 christenen eeuwenlang op het verkeerde spoor gebracht heeft, zodat ze geloofden dat de sjabbatdag en de hoogtijdagen aan het kruis genageld waren. Gelukkig heeft recent onderzoek de misvattingen/dwalingen van deze traditionele interpretatie aan het licht gebracht.
Een recent voorbeeld hiervan is het eerder aangehaalde artikel ‘Pagan and Judeo-Christian Time-keeping Schemes in Galatians 4:10 and Colosensians 2:16’ (Heidense en Joods- christelijke stelsels van tijdswaarneming in Galaten 4:10 en Kolossenzen 2:16), geschreven door Troy Martin, professor aan de Saint Xavier University in Chicago. Het artikel verscheen in 1996 in de voorjaarsuitgave van New Testament Studies (Studies van het Nieuwe Testament), een gewaardeerd wetenschappelijk tijdschrift. Martin heeft hierin geschreven:
Der verhandeling verschaft het bewijs dat de Paulinische gemeenschap in Kolosse, niet de tegenstanders, gebruik maakten van de tijdsordening die in Kolossenzen 2:16 in grote trekken wordt weergegeven…. Uit dit onderzoek naar de functie die de opsomming in Kolossenzen 2:16 heeft, blijkt dat de christenen te Kolosse, niet hun critici, deelnamen aan een religieuze kalender die feestdagen, nieuwe manen en sjabbatten omvat’.
Martin brengt naar voren:
‘Het feit dat Paulus en zijn gemeenten de religieuze kalender overnemen, betekent niet noodzakelijkerwijs dat zij ook Joodse religieuze rituelen uitoefenen. Na  de verwoesting van de Joodse tempel in 70 AD blijft het Joodse tijdstelsel intact, zelfs wanneer Joden niet langer in staat zijn de voorgeschreven offers te brengen. Daar komt bij dat de overname van de sjabbatviering door de heidenen waarvan Josephus verslag doet, niet inhoudt dat deze gepaard gaat met de overname van alle Joodse rituelen. Zelfs als Paulus en zijn gemeenten de Joodse religieuze kalender aanvaarden, oefenen ze ofwel de Joodse religieuze rituelen die ermee verbonden zijn uit, ofwel wijzingen of verwerpen ze deze.
Het soort religieuze rituelen dat door Paulus en zijn gemeenten in praktijk werd gebracht, staat los van de erkenning dat ze een Joodse liturgische kalender overnamen.
Martin komt tot dezelfde bevindingen in een eerdere verhandeling over Kolossenzen 2:17 die in het Journal of Biblical Literature verscheen. Hij schreef hierin:
‘Het voorafgaande grammaticale en syntactische onderzoek naar de zin to de soma tou Christou [maar het lichaam is van Christus (SV) in Christus in Kolossenzen suggereert dat de gebruiken die in hoofdstuk 2:16  worden genoemd, die van de christenen te Kolosse zijn en niet die van de tegenstanders…. Hoewel het minder zeker is dat neomenia [de nieuwe maan] wordt gevierd, vieren de eerste christenen zowel de feesten als de sjabbatten.

 

– Martin Rozestraten

+

Voorgaande

Kolossenzen 2:16 en de jaarlijkse feesten

Kolossenzen 2:16 en de jaarlijkse feesten – vervolg

++

Aanvullend

  1. Omtrent het vieren van feesten
  2. Moeten wij ons aan de zondagsplicht houden
  3. Zondag, zonnegodsdag en zonnepartnersdag
  4. Volharden in het Avondmaal regelmatig vieren
  5. Communie en dag des Heren
  6. Do we need to keep the Sabbath
  7. Communion and day of worship

+++

Further related articles

  1. Richard Feldman Writes On Memory, Calendars, and Rituals
  2. The Creation of Jewish Time
  3. A Jewish Calendar – By Ben
  4. Words, Order, and Tisha B’Av
  5. Tisha B’Av: A Day of Remembrance
  6. Separation of Easter computation from Jewish calendar
  7. Reflections of our yesterdays
  8. [Middletown Esoteric Guide] 4. The Celtic Calendar
  9. It’s beginning to look a lot like Winter Solstice!
  10. 10 Ways to Celebrate Yule
  11. The Wheel turns…
  12. God’s Dozen: Twelve Become Thirteen
  13. Cheshvan: Pray for Rain
  14. Sukkot is Here!
  15. Just a little

Jehovah steile rots en vesting, bron van inzicht

Enkele jaren geleden vond ik dat ik meer mensen moest laten delen in mijn geloof in de enige Ware God, die ik aanschouw als mijn Rots in de branding. Mijn leven heeft heel wat stormen moeten doorstaan en ik ben zeker niet gespaard gebleven van enkele keren tegen de golfbreker geslagen te worden.

Met vallen en opstaan moeten wij dingen leren en heb ik zo ook wel meer dan eens iets uit de grond trachten te slaan, sommige succesvol, andere minder en nog ander met falen. zo ook bleek mijn onderneming om in de Bijbel geïnteresseerden bijeen te brengen weinig bijval te verdienen. Mijn poging om een vereniging van Bijbelonderzoekers of voor geïnteresseerden in Bijbelstudie en geschiedenis op te richten, blijkt nu ook op niets uit te draaien. Daarom stop ik met die onderneming om mijn energie meer te richten op het predikingswerk zelf. Hierbij vormen teksten een belangrijk onderdeel en kan het de moeite waard zijn om toch nog enkele teksten van die website te bewaren en te herplaatsen op andere websites.

Hieronder het eerste artikel in de reeks, namelijk het openingswoord bij de publicatie van Bijbelvorsers Webs.

***

Het openingswoord van de Webs site van Bijbelvorsers, Vereniging voor Bijbelstudie, in juni 2010 - The opening speech of the Webs site of Bijbelvorsers, Vereniging voor Bijbelstudie or Bible scholars , Association for Bible study, in June 2010

Het openingswoord van de Webs site van Bijbelvorsers, Vereniging voor Bijbelstudie, in juni 2010 – The opening speech of the Webs site of Bijbelvorsers, Vereniging voor Bijbelstudie or Bible scholars , Association for Bible study, in June 2010

Jehovah mijn steile rots en mijn vesting
bron van inzicht

Back to the Bible Logo Improved“Jehovah is mijn steile rots en mijn vesting en Degene die mij ontkoming verschaft. Mijn God is mijn rots. Tot hem zal ik mijn toevlucht nemen, Mijn schild en mijn hoorn van redding, mijn veilige hoogte.” (2 Samuël 22:2-3)

Openingswoord

 

*
“Degene die lof moet worden toegebracht, Jehovah, zal ik aanroepen,” (Psalm 18:2-3)

“Tot u, o Jehovah, heb ik mijn toevlucht genomen.
O moge ik nimmer beschaamd worden.
Moogt U in uw rechtvaardigheid mij bevrijden en mij ontkoming verschaffen.
Neig uw oor tot mij en red mij.
Word mij tot een rotsvesting waar ik voortdurend kan binnengaan.
U moet gebieden mij te redden,
Want U zijd mijn steile rots en mijn vesting.” (Psalm 71:1-3)

*

De weg van Jehovah is een vesting voor de onberispelijke, maar de ondergang is voor de beoefenaars van wat schadelijk is. (Spreuken 10:29) Daarom is het belangrijk dat mensen weten welke de juiste te volgen weg is. Jezus Christus, de beloofde Messias heeft ons Dé Weg getoond. God, de Vader, Schepper van hemel en aarde, heeft Zijn Woord tot de mensen gebracht in de optekening van de Heilige Schriften, door gewijde mannen. Aan ons ligt het om deze 66 boeken die samen de Bijbel vormen, ter hand te willen nemen om ons te verdiepen in Gods Woord. In die Heilige Geschriften wordt de raad gegeven niet lui te zijn met betrekking tot het bestuderen van Gods voornemens en het verwerven van een dieper begrip daarvan, en ook niet ten aanzien van deelname aan de christelijke bediening. Jezus volgelingen namen hun leermeester zijn woorden ter harte en vervolgden na zijn dood de studie van de Thora en kwamen regelmatig bijeen om dit in gemeenschap te doen en samen het Brood te breken en de Wijn te drinken tot nagedachtenis van de dood des heren.

Toen met Pinksteren 33 G.T. 3000 personen werden gedoopt, werden zij toegevoegd.

„Zij bleven zich toeleggen op het onderwijs van de apostelen en het met elkaar delen”,

legt Lukas uit (Handelingen der apostelen 2:41, 42). In het Nieuwe Testament wordt ons op meerdere plaatsen gewezen op de studie die de gelovigen moesten doen van de Heilige Schrift. Ja, de vroege Christenen kwamen bijeen voor Bijbelstudie en omgang en werden zo toegevoegd aan de christelijke gemeente. Vroege christenen woonden geregeld vergaderingen bij voor geestelijk onderwijs (Hebreeën 10:25).

De apostel Paulus berispte sommige Hebreeuwse Christenen die geen vorderingen maakten, door tot hen te zeggen:

„Gij [zijd] afgestompt [traag] van gehoor . . . geworden. Ja, want ofschoon gij eigenlijk leraren moest zijn met het oog op de tijd, hebt gij wederom iemand nodig die u van het begin af de elementaire dingen van de heilige uitspraken Gods leert; en gij zijd geworden als zij die melk, geen vast voedsel, nodig hebben” (Hebreeën 5:11, 12).

Ook gaf hij de vermaning:

„Doet uw werk niet traag [lui]. Zijd vurig van geest.” (Romeinen 12:11).

Beseffende dat De Weg van Jehovah een vesting is voor de onberispelijke, (Spreuken 10:29) trachten de Bijbelvorsers zich te verenigen en samen het Woord onderzoeken en God te eren. Samen willen zij tot Jehovah zeggen:

„[Gij zijd] mijn toevlucht en mijn vesting, Mijn God, op wie ik wil vertrouwen.” (Psalm 91:1-2)

Ter wille van Gods Naam zal de Allerhoogste ons leiden en geleiden, want Hij is bereid onze steile rots en onze vesting te zijn. (Psalm 31:2-3)

“Gij zult mij uit het net halen dat men voor mij verborgen heeft, Want gij zijd mijn vesting. Aan uw hand vertrouw ik mijn geest toe. U hebt mij verlost, o Jehovah, de God der waarheid.” (Psalm 31:3-5)

Wij moeten ons uiterste best doen om Gods waarheden in onze geest en in die van anderen te scherpen door middel van Bijbelstudie en door geregeld met andere gelovigen op de christelijke vergaderingen aanwezig te zijn. (Deuteronomium 6:5-9; 31:12; Spreuken 22:6).

Eender van welke strekking u bent, komt het er op aan dat u zelf keuzes maakt en er voor kiest om het Woord van God te bestuderen. God is diegene die u hier voor kan aantrekken, leiden en inzicht geven. Mensen zoals wij kunnen slechts een hulpmiddel zijn in de hand van God. In deze moderne wereld van materialisme zijn er misschien niet veel mensen die geïnteresseerd zijn in dat Woord van God maar over de gehele aarde zijn er toch velen die er voor kiezen om nu de smalle weg die naar het leven voert, te volgen en de wedloop trachten te beëindigen met goed gevolg om het Koninkrijk van God binnen te kunnen treden.

Wij als Bijbelvorsers weten dat het echt moeite kan kosten om op de smalle weg te blijven! (Mattheüs 7:13, 14) Maar samen kunnen wij sterk zijn en elkaar steunen zodat wij samen zullen kunnen volharden. Daarom is het belangrijk om kleur te durven bekennen, er voor te gaan en aan te sluiten bij ernstige Bijbelonderzoekers.

Betreft de strijd die wij samen kunnen voeren wees Paulus in zijn welgemeende aansporing:

„Strijd de voortreffelijke strijd van het geloof, grijp het eeuwige leven stevig vast, waartoe gij werd geroepen.”

Wij moeten deze strijd voeren om ’het werkelijke leven stevig vast te grijpen’ (1 Timotheüs 6:12, 19). Dat leven is niet het huidige leven van pijn en verdriet en lijden, over ons gebracht door Adams zonde. Nee, het is het leven in Gods nieuwe wereld, het paradijs, dat weldra werkelijkheid zal worden wanneer Christus’ loskoopoffer na de verwijdering van dit samenstel van dingen wordt aangewend ten behoeve van allen die Jehovah God en zijn Zoon liefhebben. Mogen wij allemaal het leven kiezen — „het werkelijke leven” — eeuwig leven in Gods glorierijke nieuwe wereld.

Dat wij allemaal samen durven uitroepen:

“Tot u, o Jehovah, heb ik mijn toevlucht genomen.
O moge ik nimmer beschaamd worden.
Moogt gij in uw rechtvaardigheid mij bevrijden en mij ontkoming verschaffen.
Neig uw oor tot mij en red mij.
Word mij tot een rotsvesting waar ik voortdurend kan binnengaan.
U moet gebieden mij te redden,
Want U zijd mijn steile rots en mijn vesting. (Psalm 71:1-3)

Tot uw dienst

Naast deze website kan u ook nog terecht op de persoonlijke website van de Belgische Bijbelvorser.

De vereniging van de Bijbelvorsers voorzag reeds voor deze website het Bijbelvorsers Blog, waar wij u ook van hartelijk welkom heten.

Graag nodigen wij u ook uit op ons Multiply Platform: Bijbelonderzoekers.

Affiliatie

Wij zijn geaffilieerd met Christadelphia – We are affiliated with Christadelphia worldbible2

+++