Als de tijd ten einde loopt … De geest van Nimrod

“U hebt uw schatkamers gevuld, hoewel de tijd ten einde loopt”(Jac.5:3)

De geest van Nimrod

Nimrod was de eerste machthebber op aarde …
De kern van zijn rijk werd gevormd door Babel, Uruk, Akkad en Kalne, in Sinear.
Vanuit dat land trok hij naar Assyrië, waar hij Nineve, Rechobot–Ir en Kalach bouwde, en ook de grote stad Resen, tussen Nineve en Kalach. (Gen. 10:8-12)

Toen Kaïn was vervloekt om de moord op zijn broer Abel, trok hij weg uit de streek Eden naar het land Nod. En een van de eerste dingen die hij daar deed, was een stad bouwen. Dit is de eerste keer dat wij dat woord ‘stad’ in de Bijbel tegen komen. Het Hebreeuwse woord is ‘ir’(zie Rechoboth-Ir in het citaat hierboven). Het betekent: ‘een bewaakte plaats’, en het is afgeleid van yare, dat ‘angst’ betekent, of ‘bevreesd zijn’. Nu lezen we in Gen. 4:14 dat Kaïn inderdaad vreesde voor zijn leven, dus helemaal onlogisch was dat niet. Maar het was het begin van een kenmerkende gewoonte van de goddelozen.

Imperium vorming

Bij ziggoerats werden reeds bakstenen toegepast (de foto toont een reconstructie)

Toen de mensheid zich, na de vloed, opnieuw begon te verspreiden en naar de vlakte van Sinear (Mesopotamië) trok, begon zij daar onmiddellijk weer steden te bouwen. Volgens Gen.11:3 gebruikte zij daarvoor een nieuwe bouwtechniek. In plaats van het stapelen van (al of niet bewerkte) natuursteen, ging zij nu uit van handgevormde stenen (een vorm van baksteen), die ze met natuurlijk asfalt (bij wijze van cement) aan elkaar metselde. De archeologie bevestigt ons, dat zij daarmee enorme bouwwerken konden optrekken. Dat is dan ook de achtergrond van de stad Babel en zijn befaamde toren.

De Toren van Babel, schilderij van Pieter Bruegel. De koning op de voorgrond (linksonder) stelt waarschijnlijk Nimrod voor.

De tekst geeft duidelijk aan dat de bouw daarvan werd gemotiveerd door de wens onafhankelijk te worden van God, en een alternatieve veiligheid te vinden. Dat gold niet alleen voor de toren, maar voor de stad als geheel, want het is de bouw van de stad, niet alleen die van de toren, die door Gods ingrijpen wordt stilgelegd. Maar we hoeven dit niet te beperken tot alleen deze stad; Babel wordt ons duidelijk getoond als voorbeeld voor de hele streek. Voor deze steden wordt opnieuw het woord ir gebruikt. We vinden het maar liefst 5 maal genoemd in deze twee hoofdstukken (Gen. 10 en 11). Let op dat het woord niet zomaar een aanduiding is van een plaats met een groter aantal huizen dan een dorp; het duidt altijd een ommuurde plaats aan. Ommuren doe je alleen wanneer je bang bent voor vijanden. En die vijanden ontstonden doordat zij, uit zelfverdediging, die andere volken juist aanvielen en onderwierpen.

Nimrod volgens het Promptuarii Iconum Insigniorum – “de tegenstrever” of “de zich verontwaardigende”, zoon van Kus en een achterkleinzoon van Noach.

Nimrod wordt ons genoemd als de eerste van dergelijke heersers, en het is tekenend dat hij ons tevens wordt geschilderd als ‘een groot jager’ (Gen. 10:9). Waar de generaties van vóór de vloed ons aanvankelijk nog worden geschilderd als herders en bezitters van kudden – dus hoeders van dieren – is nu het jagen en doden van dieren – dus bloedvergieten – het teken van ‘ware mannelijkheid’. Eenzelfde onderscheid vinden we later in Gen. 25 tussen Jakob en Esau, en het is niet zonder betekenis dat dit de eerstvolgende keer is dat we het begrip jacht in Genesis vinden (jacht en jachtbuit komen in Gen. 25 en 27 maar liefst 10 maal voor, tegen nog maar 7 maal daarna!).

Uitgaan uit de stad

Het is uit deze wereld van menselijke heerszucht en menselijke ‘veiligheid’ dat Abraham wordt weggeroepen, om verder als nomade te leven in het land Kanaän. Maar de menselijke schijnveiligheid van de ommuurde stad blijft ook dan een rol spelen in het verhaal. Wanneer Abraham en zijn neef Lot besluiten elk een kant uit te gaan, omdat hun gezamenlijke kudden te groot zijn geworden om nog in dezelfde streek te weiden, kiest Lot voor zichzelf de vruchtbare omgeving van ‘de steden van de vlakte’ (dat is de vallei ten zuiden van de Dode Zee). En na verloop van tijd vestigt hij zich in één daarvan. Dit is, na Gen. 10+11, de eerstvolgende keer dat we het woord ‘stad’ (ir) weer tegenkomen. De eerste crisis komt wanneer een confederatie van Mesopotamische heersers die steden aanvalt en de bevolking, inclusief Lot, als slaven mee terug wil nemen naar Mesopotamië. Alleen door tussenkomst van Abraham en enkele medestanders kan Lot daaraan ontsnappen. Toch vestigt hij zich opnieuw in de stad Sodom. De volgende crisis komt wanneer God besluit die steden te vernietigen wegens hun verregaande goddeloosheid. God is bereid Lot daarbij te sparen, maar die moet dan wel kiezen tussen Gods belofte van bescherming en de schijnveiligheid van een ommuurde stad. In deze hoofdstukken 18+19 komen we dat woord stad dan ook maar liefst 14 keer tegen. Lot blijkt echter slechts met moeite te bewegen de stad Sodom te ontvluch-ten, en ziet ook dan zijn veiligheid toch allereerst nog in Soar, een andere,nabij gelegen stad. Pas later besluit hij ook die achter zich te laten en zijn veiligheid te zoeken in de bergen, maar blijkbaar nog steeds niet in een vertrouwen op de God die hem toch tot tweemaal toe had gered.

De muren om de ‘vestingen’ van het christendom

Onze christelijke wereld kent, naast de ‘grote’ kerken, een uitgebreid palet van bewegingen en sekten; elk met een eigen versie van de christelijke boodschap die in hun visie het ware bijbelse christendom vertegenwoordigt.

Het lijkt wel alsof er een aparte Bijbel bestaat voor elk van hen, omdat elk dat Boek op een geheel eigen manier leest. Vele daarvan ontlenen hun bestaansrecht aan de nadruk die ze leggen op een bepaald aspect van de bijbelse boodschap, waar ze de rest in belangrijke mate aan ondergeschikt maken. En dat komt weer doordat velen voor eigen consumptie een slecht gebalanceerd menu samenstellen uit het totale Bijbelse aanbod. Het Oude Testament blijkt vaak zeer slecht gelezen, en dus gekend, te worden. En vervolgens wordt de tekst veel te veel met moderne westerse ogen gelezen, wat vaak leidt tot een-zijdige of zelfs ronduit onjuiste interpretatie van de bedoeling ervan. Nu is de gemiddelde Bijbellezer op zulke punten een leek en dus kun je hem deze neiging ook weer niet al te kwalijk nemen. Maar toch rust er ook op die leek-lezer wel degelijk een verantwoordelijkheid om rekening te houden met de mogelijkheid dat zijn begrip van de tekst wellicht gekleurd is door zijn ‘voorgeprogrammeerde’ denkwijze. En wanneer hij voldoende reden heeft aan te nemen dat een uitleg die probeert dat te corrigeren, wellicht juist zou kunnen zijn, moet hij bereid zijn die te aanvaarden, of in elk geval in overweging te nemen. De praktijk blijkt echter maar al te vaak anders te zijn. Dan wordt de eigen opvatting als onaantastbaar beschouwd (‘het staat er toch’) en wordt de geboden alternatieve uitleg opgevat als een infame poging de eigen identiteit van de betrokken geloofsrichting te ondermijnen, of als het bewijs van een apert gebrek aan nederigheid om de ‘duidelijke’ leer van de Schrift te erkennen. Maar ook daar blijft het niet bij. De ware fundamentalist neemt niet alleen zijn medegelovigen de maat door hem langs de lat van juist dit soort uitleg te leggen, hij toont naar buiten toe ook zijn geloofsijver door te ijveren voor, en het verplicht stellen van, het aanhangen van deze opvattingen door al zijn medeburgers, ook diegenen die niet tot zijn eigen kring behoren. Want waar het ten diepste op neerkomt, is angst. En zijn overtuiging is zijn bescherming, de ‘muur’ tussen hemzelf en de goddeloze wereld daarbuiten, die hem moet beschermen tegen de aanvallen van de vijandige wereld rond-om. En wie niet van zijn eigen ‘stad’ is, moet overheerst worden, gedwongen de heerschappij van die overtuiging te erkennen. Daarin ligt zijn hele gevoel van veiligheid. En die overtuiging, die muur, zal hij dus ook nooit ter discussie willen stellen. En daarom zijn er zoveel geloofs-koninkrijkjes, gescheiden door zulke muren. Maar al die muren zijn nog steeds gebouwd van door mensenhanden gevormde ‘stenen’, en niet door God.

Je eigen kruis opnemen

Bij Lukas, die meer dan de andere evangelisten de eisen van discipelschap benadrukt, lezen we:

‘Wie niet zijn kruis draagt en mij op mijn weg volgt, kanniet mijn leerling zijn’ (Luk. 14:27).

Voor een Jood uit de 1e eeuw zou ‘een kruis dragen’ maar één betekenis hebben: op weg zijn naar de plaats van je executie. ‘Je kruis dragen en Jezus volgen’ zou voor hem betekenen: Hem volgen naar Golgotha om daar met hem gekruisigd te worden. Dit gaat over het opofferen van je eigen leven in navolging van je meester. Dat hoeft niet altijd te betekenen dat je voor het geloof moet sterven (al moet je die bereidheid wel te allen tijde hebben), het kan ook betekenen dat je juist je leven in zijn dienst stelt. Maar het gaat in elk geval over opoffering. De ware volgeling van Christus leeft zonder eigen muren. Hij vertrouwt op God, dat Hij die bescherming biedt. Maar fundamentalistische ijveraars zien liever dat anderen zich aan ‘de regels’ houden. Zij dwingen het ‘heiligen’ van de sabbat af, ook voor niet-christenen (zonder zich er verder om te bekommeren hoe die dag dan infeite wordt doorgebracht). Ze lopen te hoop tegen iedere suggestie dat de aarde ouder zou zijn dan 6000 jaar (zonder zich ooit af te vragen wat nu in feite de werkelijke boodschap is van Gen. 1). Ze oefenen druk uit op de overheid om ook voor niet-christenen elk ingrijpen in het menselijk leven te verbieden (zonder zich ooit te hebben verzet tegen militair ingrijpen in andermans land of, aan de overkant van de oceaan, tegen particulier wapenbezit). Ze gaan tewerk als diegenen uit de Farizeeën, die tot geloof waren gekomen, maar die er tegelijkertijd op aandrongen dat de gelovigen uit de heidenen zich zouden laten besnijden. Over hen schrijft Paulus:

‘Ze zijn voor de besnijdenis, maar leven zelf niet volgens de wet; ze willen dat u zich laat besnijden om zich daarop te kunnen laten voorstaan. Maar ik – ik wil me op niets anders laten voorstaan dan het kruis van Jezus Christus (Gal. 6:13-14).

Dit alles is uiteindelijk nog steeds de geest van Nimrod: heersen over anderen. Weliswaar gebeurt dat zogenaamd voor de glorie van God, maar het is toch niet wat Jezus van zijn volgelingen vroeg. Hij verlangde dat zij hun eigen leven in zijn dienst stelden, niet dat van anderen. Wat er met die anderen gebeurt, zouden zij volledig aan God moeten over laten; dat is niet hun zaak. We vinden dat aan het eind van het evangelie van Johannes: op de vraag

‘En wat gebeurt er met hem, Heer?’

is Jezus’ antwoord:

‘Het is niet jouw zaak (wat er met hem zal gebeuren): jijmoet mij volgen.’ (Joh. 21:21-22).

De gelovige die zich temidden van al deze imperiumvorming nog staande wil houden, doet er daarom goed aan zich te concentreren op wat er van hemzelf wordt gevraagd. Het lot van zijn medemens kan hij met een gerust hart aan God overlaten.

R.C.R.

+

Voorgaande

Als de tijd ten einde loopt …… Vragen naar het goede

 

++

Aanverwant

  1. Fragiliteit en actie #10 Voor het nageslacht
  2. De nacht is ver gevorderd 4 Studie 1 Zijn het de laatste dagen? 3 Hoe pakken we het aan?
  3. De nacht is ver gevorderd 6 Studie 2 Schrik of troost 2 Sodom en Gomorra
  4. De nacht is ver gevorderd 18 Studie 3 Lessen uit het verleden 7 Conclusie
  5. God meester van goed en kwaad
  6. De Dag is nabij #8 Overzicht

Problemen bij vele Christenen aan de boodschap ‘God is liefde’

Het is algemeen geweten dat vele niet-gelovigen of atheïsten er over spreken dat als er een god zou bestaan deze zeker niet een van liefde kan zijn, want er gebeuren zo veel afgrijselijke dingen in deze wereld. Velen vergeten hierbij wie eigenlijk de schuldige is voor die vele wreedheden en wie de eigenlijke veroorzaker is van de vele natuurrampen.

“Overal in kerken hoor je dat ‘God liefde is’.

Aan die drie woorden wordt vaak het woordje ‘onvoorwaardelijk’ toegevoegd. Juist dat woord zorgt voor veel schade,”

vertelt David Pawson, die hier aan toe voegt

“Jezus en de apostelen noemden de liefde van God niet in hun publiekelijke prediking.”

David Pawson sprak twee weken geleden in Zuid-Afrika tijdens een conferentie voor voorgangers en predikanten.

“Wat begrijpt een ongelovige van deze ‘onvoorwaardelijke liefde’? In Engeland kregen twee homoseksuelen door middel van een draagmoeder een kind. Nadat ze hun tweede kind kregen gingen ze daar mee naar de Church of England, om de baby te laten dopen. De vicaris twijfelde over het dopen van de baby’s. Een van de mannen reageerde hierop en zei: ‘Gods liefde is toch onvoorwaardelijk? Die liefde veroordeelt niet.’ De man zei dit omdat hij ergens de toevoeging ‘onvoorwaardelijk’ had opgepikt.”

Vandaag vinden wij wel zeer veel gelovigen die zeer veroordelend zijn. Meer en meer beginnen zogenaamd Christenen te kappen op andere mensen, en vooral op diegenen die niet van hun land zijn. Vreemdelingen moeten het overal ontgelden. zou liefde niet alles moeten overtreffen en boosheid en veroordelingsdrang uit de wereld moeten helpen?

David Pawson:

“Wanneer we ongelovigen vertellen dat God liefde is, nodigen we mensen uit tot criticisme. Want als God liefde is, waarom lijden er dan zoveel mensen?
Voor een ongelovige betekent dit woordje ook dat God nooit oordeelt. Dat betekent dan ook dat God nooit iemand naar de hel stuurt. Toen ik eens een boek had geschreven over de hel werd ik overal in Engeland geïnterviewd. De interviewer vroeg mij:

‘hoe kan een God die liefde is iemand naar de hel sturen?'”

Hierbij werd dan heel duidelijk hoe de bevrager en Pawson zelf een vertekend beeld hebben van wat de hel volgens de Bijbel eigenlijk is. Pawson antwoordde door een vraag terug te stellen:

‘waar heb je het idee vandaan dat God een God van liefde is’.

‘Zei Jezus dat niet?’

antwoordde de presentator. Ik vertelde hem dat alles wat ik over de hel had geschreven in mijn boek, mij is geleerd door Jezus. Het was Jezus die de mensen over de hel vertelde. Op twee waarschuwingen over de hel na, gaf hij deze zelfs aan zijn discipelen. Toen hij de zeventig uitzond zei hij:

‘Wees niet bang voor hen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden. Wees liever bang voor hem die in staat is én ziel én lichaam om te laten komen in de Gehenna.'”

Volgens Pawson is de liefde van was niet de apostelen hun Evangelie, terwijl wij van die liefde het centrum maken.

Het is een feit dat Jezus, noch de apostelen de liefde van God noemde in hun publiekelijke prediking. En toch horen wij het overal.

Ik sprak eens voor een paar honderd evangelisten in Noorwegen en vertelde hen over dit probleem met de zin ‘God is liefde’ in evangelisatie. Een meisje kwam na afloop in tranen naar me toe en zei:

u nam mijn Evangelie weg.

‘Maar Jezus vertelde hen over God zonder de liefde van God te vertellen,’ antwoordde ik. Waarom zouden wij dat niet kunnen? Omdat we het misschien niet hebben begrepen?”

Moeten we dan vertellen dat God ‘goed’ is? Dat komt wat dichter bij de waarheid. Het woordje ‘goed’ gebruiken we als het gaat over onze hond, het weer. Het zou een belediging zijn om het met die achterliggende betekenis te gebruiken als het om God gaat. Jezus zei eens tegen iemand: ‘Waarom noem je mij goed? Er is niemand goed dan God.’ Als we die uitspraak serieus nemen gebruiken we het woordje ‘goed’ alleen maar voor God, zodat we Hem een speciale plek geven.

Nochtans zouden wij moeten beseffen dat God wel degelijk Zijn schepping lief heet. Maar God heeft de mens ook dat gegeven wat de mens verlangde. De mens ging in verzet tegen God en twijfelde over Zijn rechtschapenheid en Zijn recht om alles te beheren. Aldus heeft God de wereld in de handen van de mens gegeven. Uit liefde gaat Hij niet in tegen de mens, maar laat Hij die zijn gang gaan. Ook al doet de mens heel wat slecht tegenover het milieu. Het klimaatprobleem is ontegensprekelijk het gevolg van menselijk wanbeheer.

David Pawson haalt aan

We kunnen in plaats van ‘God is goed’, en ‘God is liefde’ beter het woord ‘rechtvaardig’ gebruiken.

Jezus noemde God niet lieve, of goede Vader. Hij noemde Hem ‘rechtvaardige Vader.’ God is rechtvaardig. Dat betekent dat alles wat Hij doet goed is, en juist daar zit een zekerheid in.
Ik schreef eens op een vel papier alle dingen die God niet kan doen. Uiteindelijk vond ik 31 dingen die God niet kon doen. ‘Hij kan niet een leugen vertellen. Hij kan niemand dwingen van Hem te houden. Hij kan geen belofte breken.’ Toen ik dat opschreef, realiseerde ik me dat de dingen die Hij niet kon doen, ik wel had gedaan. Ik realiseerde mij dat ik mij zo machtiger wilde maken dan God. De Heer heeft de kracht om alles te doen, maar zijn natuur voorkomt dat Hij slechte dingen doet.”

Dit is goed en slecht nieuws, stelt Pawson.

“God houdt meer van rechtvaardigheid dan van mensen, vanwege wie Hij is. Kijk maar naar wat er bij Noach gebeurde. Een hele generatie werd overspoeld vanwege hun ongerechtigheid. God houdt meer van rechtvaardigheid dan van mensen. Anders had hij nooit de vloed kunnen sturen. Dit vindt de wereld moeilijk om te accepteren. Het laat zien dat Hij niet alleen de Schepper is, en de God die er nu is, maar ook dat hij de Rechter is van alle mensen. Er zal een dag komen dat God rekeningen op maakt. Dat is het feit wat lijkt te verdwijnen wanneer het over onvoorwaardelijke liefde gaat. Op een dag zal God al het kwaad vergelden en dit bovendien weg doen. Dan zal Hij een nieuw universum, een nieuwe hemel maken, en daarin zal rechtvaardigheid zijn. Hij wil ons daar voor klaar maken.”

Vandaag is er de mens die meer en meer laat zien dat hij de Liefde van God niet in zich draagt. Velen die zich Christen noemen dragen ook de liefde van Christus niet in zich. Waar Jezus het op nam voor de armen en minst bedeelden, willen de huidige Christenen veelal zichzelf verrijken en zitten zij helemaal niet in met mensen van andere streken die zij liefst niet in hun eigen streek zien belanden. voor hen is hun eigen stekje heilig en is er geen plaats voor immigranten of voor anders gelovigen.
Daar waar Jezus open stond voor vele andere mensen, is er in hun hart geen plaats voor die ander.

Fundamenten van het Geloof: De lankmoedigheid van God

Wanneer God zondaars niet direct straft, komt dit voort uit zijn lankmoedigheid, zijn verdraagzaamheid, geduld, afwachting. Zijn lankmoedigheid staat uiteraard in directe relatie tot zijn barmhartigheid (zie volgende arttikel), als uiting van zijn goedertierenheid (zie Fundamenten van het Geloof: De goedertierenheid van God), zijn verbondsliefde, zijn verbondstrouw:

De HERE ging aan hem (Mozes) voorbij en riep: HERE, HERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw … (Exodus 34:6)

Als een Vader voedt God zijn kinderen op. Daarbij is geduld en verdraagzaamheid nodig, want opvoeden is een leerproces, met onderwijs en beproeving, waarin het geleerde in de praktijk gebracht moet worden. Zo heeft God gehandeld met zijn volk:

Vele jaren was U lankmoedig over hen en vermaande hen door uw Geest, door de dienst van uw profeten … (Nehemia 9:30)

In het Hebreeuws wordt het begrip lankmoedigheid omschreven als: het uitstellen, het vertragen van zijn toorn, of de uitbarsting daarvan. God ontziet het volk dus en geeft het nog een kans, zodat het in zijn genade aangenomen kan worden. In die periode wordt van het volk verwacht dat het zijn zonden zal belijden, onder afsmeking van vergiffenis daarvan, en zich vervolgens bekeren, zodat het niet meer zondigt. Petrus schrijft dat om die reden de zondvloed niet direct kwam:

“… toen de lankmoedigheid van God bleef afwachten, in de dagen van Noach, terwijl
de ark in gereedheid werd gebracht. (1 Petrus 3:20)

En Paulus wijst op Gods verdraagzaamheid in de periode van Israëls omzwerving door de woestijn:

… en Hij heeft gedurende een tijd van ongeveer veertig jaren in de woestijn hun eigenaardigheden verdragen. (Handelingen13:18)

Het motief voor Gods afwachten is te vinden in het boek van de profeet Ezechiël:

Zou Ik een welgevallen hebben aan de dood van de goddeloze? Luidt het woord van de Here, HERE. Niet veeleer hieraan, dat hij zich bekere van zijn wegen en leve? (Ezechiël 18:23, 32; 33:11).

Maar ook nu nog luidt het woord van de HERE: Bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en met vasten en met geween en met rouwklacht. Scheurt uw hart en niet uw klederen en bekeert u tot de HERE, uw God. Want genadig en barmhartig is Hij, lankmoedig en groot van goedertierenheid, berouw hebbende over het onheil … (Joël 2:12-14)

In het Nieuwe Testament herinnert Paulus zijn volksgenoten aan Gods lankmoedigheid met hen en roept hen op de tijd die hen nog is vergund goed te benutten:

En als God nu, zijn toorn willende tonen en zijn kracht bekendmaken, de voorwerpen van zijn toorn, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft – juist om de rijkdom van zijn heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid? (Romeinen 9:22-23)

Of veracht u de rijkdom van zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, en beseft u niet, dat de goedertierenheid van God u tot boetvaardigheid leidt? (Romeinen 2:4)

De lange tijd tussen de hemelvaart en de wederkomst van Christus Jezus is een voorbeeld van Gods lankmoedigheid, van zijn wachten met zijn oordeel over tot zonde geneigde mensen. De apostel Petrus herinnert zich kennelijk wat zijn heer eens
tot hem zei, als hij schrijft om het geloof van broeders en zusters te versterken:

De Here talmt niet met de belofte, al zijn er die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen … en houdt de lankmoedigheid van onze Here voor zaligheid … (2 Petrus 3:9).

En u (Petrus), als u eenmaal tot bekering gekomen bent, versterk dan uw broeders. (Lucas 22:32)

Paulus meent God te dienen door de gemeente van Christus te vervolgen. Vol ijver trekt hij door het gehele land, en gaat zelfs daarbuiten, om wie belijden dat zij volgelingen van Christus zijn gevangen te zetten en te (laten) doden. Zelf zegt hij later, dat
hij dat in tomeloze woede deed, verontwaardigd omdat deze mensen durven zeggen dat die vervloekte mens, Jezus van Nazareth, leeft en zelfs in de hemel bij God is.
Maar dan verschijnt hem de levende Jezus zelf en moet hij belijden dat hij, met al zijn kennis van de Schriften, geen inzicht heeft. Maar als Jezus hem uit de wet en de profeten uitlegt wat op Hem betrekking heeft, valt alles op zijn plaats. Dan is hij bereid met positieve ijver, voortkomend uit liefde voor God en de naaste, zoveel mogelijk zondaars te bekeren, zodat zij behouden worden van Gods toorn. Voor hem heeft God zijn grote lankmoedigheid aan hem bewezen, met als doel dat ook anderen die zouden ervaren door zijn prediking van het evangelie:

Maar hiertoe is mij ontferming bewezen, dat Jezus Christus in de eerste plaats in mij zijn ganse lankmoedigheid zou bewijzen, tot een voorbeeld voor hen, die later op Hem zouden vertrouwen ten eeuwigen leven. (1 Timoteüs 1:16)

Ook in dit geval is deze goddelijke eigenschap ook de eigenschap van zijn Zoon. En wanneer wij kinderen van God willen zijn, zal deze eigenschap ook bij ons aanwezig moeten zijn, want God wil dat wij deel krijgen aan zijn natuur (2 Petrus 1:4):

… wij doen onszelf in alles kennen als dienaren van God: in veel dulden, in verdrukkingen, in noden, in gevangenschappen … in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in rechtschapenheid, in de Heilige Geest, in ongeveinsde liefde … (2 Korintiërs 6:3-10)

… de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. (Galaten 5:22)

… vermaan ik u dan te wandelen waardig de roeping waarmee u geroepen bent, met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid en elkaar in liefde te verdragen … (Efeziërs 4:1-5)

Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraagt en vergeeft elkander … (Kolossensen 3:12,13)

God heeft ons mensen tot nu verdragen en vergeven, en de kans gegeven ons te bekeren. Maar zijn geduld duurt niet eeuwig. Daarom is het van het grootste belang te luisteren naar de leraars, die Hij in de wereld gezonden heeft met de woorden:

… verkondig het woord … weerleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting. (2 Timoteüs 4:2)

De lankmoedigheid van God
Vragen ter overdenking:

1. Waaruit blijkt in onze tijd de goedertierenheid van God?
2. Wat gaat u doen om Gods goedertierenheid te mogen ervaren?
3. Waarin heeft God lange tijd met u geduld moeten hebben?
4. Hoe brengt u de eis van God geduld met anderen te hebben in praktijk?
De betrouwbaarheid van God

De namen die God geeft aan mensen, zeggen iets over wat zij zijn of zullen zijn. Hun naam vertelt iets over hun eigenschappen, over hun levenswijze of hun daden. Dat moet dus ook het geval zijn met zijn eigen naam JWHW (Jehovah), die God aan Mozes bekendmaakte volgens Exodus 34. Gezien de eigenschappen die God daar van Zichzelf bekendmaakte in verband met zijn naam, mogen we zeggen dat deze niet alleen vandaag kunnen gelden, maar eeuwig zijn, omdat zij deel zijn van zijn wezen en kenmerkend voor zijn handelen. Goedertierenheid kan nooit voor een korte tijd gelden, omdat bijvoorbeeld zijn verbondsliefde of verbondstrouw zich over lange tijd uitstrekt. Maar ook over lankmoedigheid, ofwel geduld, kan alleen gesproken worden als het over een langere periode gaat. God heeft niet slechts 1 of 3 dagen, of een maand geduld, zoals wij mensen, maar eeuwen, zelfs duizenden jaren. De betekenis van zijn Naam heeft daarom betrekking op het heden, maar ook op het verleden en de toekomst. De God die lang geleden alle leven heeft gewekt, die er heden nog steeds is en er morgen zijn zal tot in alle eeuwigheden. De God die spreekt over toekomstige dingen en van de mens vraagt Hem op dat punt te beproeven, of Hij doet wat Hij heeft gezegd (zie bijvoorbeeld Jesaja 45-48). Daaruit moet blijken of Hij Degene is die Hij zegt te zijn: de  betrouwbare God. En zijn betrouwbaarheid komt aan het licht wanneer het woord dat Hij heeft gesproken waarheid wordt (zie Psalm 19:8 en 93:5). Het woord dat Hij spreekt heeft eeuwigheidswaarde, zoals God zelf eeuwig is. Hij is daarom zowel de God Die is, de Ik ben, als de God die in de toekomst is wat Hij tevoren heeft gezegd te zullen zijn, de Ik zal zijn, ofwel de Ik ben, die Ik zal zijn. We vinden herinneringen aan Exodus 34 in onder andere: Psalm 86:15; Psalm 89; Psalm 103:17-18; Psalm 145:8-10; Joël 2:13; Jona 2:2b; Mattheüs 23:23; Romeinen 2:4. De eeuwen door hebben gelovigen een beroep gedaan op deze openbaring van Gods naam, van de eigenschappen waarmee Hij zijn liefde en trouw wilde bewijzen aan zijn vriend Abraham en allen die in hetzelfde geloof als hij met Hem zouden wandelen.

J.K.D

++

Aanvullende lectuur

  1. Gods vergeten Woord 18 De Wet van Christus 7 Omgaan met risico’s
  2. Donkere tijden, droge plekken, hijgende harten, dorstigen, neergeworpenen en geduld
  3. Fundamenten van het Geloof: De goedertierenheid van God
  4. Omgaan met zorgen in ons leven

+++

Gerelateerd

  1. Werk die Heilige Gees in my?
  2. ​As die Wet in die vleeslike karakter sonde uitgewys het, wat wys die Wet in die geestelike karakter? ( PD Conradie )