Fundamenten van het Geloof 9 De hoop op eeuwig leven door opstanding uit de doden

Toestand van de doden

De gedachten over de toestand van de doden, zoals we die vinden in het Oude Testament, komen velen erg deprimerend over. Het valt echter niet te ontkennen dat God de mens, na zijn zonde, de toegang heeft ontzegd tot eeuwig leven. Dat vertelt God ons ten minste in het boek Genesis. Zijn doodvonnis gaat daarom verder dan over het algemeen wordt aangeno-men. Want waaruit blijkt dat de mens iets inherent onsterfelijks in zich heeft? Is niet eerder sprake van het tegendeel?

“Laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven.” (Genesis 3:22)

Maar hadden gelovigen in het Oude Testament dan geen hoop, geen enkel vooruitzicht op wat na de dood zou gebeuren? Gelukkig is het antwoord positief! Ja, gelovigen hebben altijd uitgezien naar de toekomst. Niet alleen voor hun nageslacht, maar ook voor henzelf, over dood en het graf heen. Juist door de zekerheid dat de dood het einde van alles betekent, vertrouwden zij volkomen op God, en was hun verwachting dat Hij Zijn beloften aan hen alleen kon vervullen door hen uit de dood op te wekken. Hun geloof richtte zich niet op dit leven, maar op een opstandingsdag in de toekomst:

“Maar God zal mijn leven verlossen uit de macht van het dodenrijk, want Hij zal mij opnemen” (Psalm 49:16).

“Doden herleven niet … herleven zullen uw doden – ook mijn lijk – opstaan zullen zij. Ontwaakt en jubelt, u, die woont in het stof.” (Jes. 26:14 en 19)

In het boek Ezechiël wordt, in het visioen van het weer ‘tot leven komen’ van het volk Israël (37:1-10), op plastische wijze een indruk gegeven van de opstanding van doden, in de vorm van de herschepping van gestorvenen. Een prachtig beeld van wat God in staat is te doen: iets dat er eens was, maar waarvan niets meer te vinden is dan verdroogde beenderen en stof, opnieuw tot bestaan en leven brengen. En dat was het geloof van Abraham:

“… het geloof van Abraham … voor het aangezicht van die God, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept.” (Romeinen 4:17)

“Hij (Abraham) heeft overwogen, dat God bij machte was hem (zijn zoon Isaak) zelfs uit de doden op te wekken …” (Hebreeën 11:17-19)

God van levenden

God houdt Zijn geliefden altijd in herinnering, ook al zijn zij duizenden jaren geleden gestorven. Toen Jezus eens werd gevraagd naar de opstanding, gaf hij als bewijs daarvan de relatie die God met hen aanging:

“Wat nu de opstanding van de doden betreft, hebt u niet gelezen, wat door God tot u gesproken is, toen Hij zei: Ik ben de God van Abraham, en de God van Isaak en de God van Jakob? Hij is niet een God van doden, maar van levenden.” (Mattheüs 22:31-33)

Zij leefden niet letterlijk op aarde of in de hemel, maar God herinnerde Zich hen, alsof zij nog leefden, en zal hen gedenken op de dag dat Hij Zijn Zoon zendt om de doden op te wekken tot eeuwig leven. In het Nieuwe Testament vinden we echter uitspraken die, wanneer we ze niet goed in hun verband lezen, lijken te zeggen dat wie gelooft nu al eeuwig leven heeft:

“Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven.” (Johannes 3:36)

“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven.” (Johannes 5:24; zie ook 6:47 en 54)

Na de eerste komst van Christus is er echter geen zichtbare verandering gekomen in de toestand van de doden: nog steeds sterven goeden en slechten. Deze woorden opvatten als: leeft nu al eeuwig, zou ook in tegenspraak zijn met de belofte van één opstandingsdag voor alle gelovigen van alle tijden:

Jezus zei tot haar (Maria): Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven; gelooft u dat?” (Johannes 11:25)

“Want dit is de wil van mijn Vader, dat een ieder die gelooft, eeuwig leven zal hebben, en Ik zal hem opwekken op de jongste dag.” (Johannes 6:39-40 en44; vergelijk 11:24)

In een van zijn brieven gaf de apostel Johannes een verduidelijking van wat hiermee bedoeld wordt:

God heeft Zijn Zoon opgewekt tot eeuwig leven en wie Hem toebehoren, mogen het zelfde verwachten:

“En dit is het getuigenis: God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet.” (1 Johannes 5:11-12)

De apostel Paulus legde uit dat Christus Jezus als eerste mens eeuwig leven ontving, en dat allen die geloven in hem inbegrepen zijn. In hun verbondenheid met zijn dood en opstanding, uitgedrukt in de doop en een leven naar Gods wil, bezitten zij wat hij nu bezit. Het is hen alleen nog niet gegeven. Zij moeten daarop wachten tot alle gelovigen samen zullen opstaan bij zijn wederkomst. De zekerheid dat dit zal gebeuren is de opstanding van Christus Jezus. Zonder zijn opstanding is er geen hoop op leven:

“Indien Christus niet is opgewekt … dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn, verloren.” (1 Korintiërs 15:17 en 18)

“Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst.” (1 Korintiërs 15:22-23)

“Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zo hen, die ontslapen zijn, door Jezus wederbrengen met Hem … en zij die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan.” (1 Thessalonicenzen 4:14)

“Want u bent gestorven (in de doop) en uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid.” (Kolossenzen 3:3 en 4)

***

Vraag ter overdenking: Wat is de zin van een opstanding wanneer de overledenen in de hemel zijn?

Het boek des levens

Dat God gelovigen, die in verbondenheid met Hem en met Zijn Zoon leefden, nooit vergeet, wordt in de Bijbel voorgesteld alsof God hen opschrijft in een boek. Boeken over mensen zijn bedoeld hen te blijven herinneren, en dat is wat God doet (Ex. 32:32-33; Openb. 3:5; vergelijk Psalm 56:9; 139:16). Zo geeft Hij ons de zekerheid, dat Hij aan allen zal denken die lang of kort geleden gestorven zijn. Bij de komst van Christus Jezus in heerlijkheid, zal Zijn boek worden geopend en de gestorven gelovigen, van wie de namen, en alles wat zij gedaan en gezegd hebben, staan opgetekend, worden opgewekt, en ontvangen samen met de nog levenden, eeuwig leven (Dan. 12:1; Fil. 4:3;Openb. 20:12). Vanaf die tijd is er alleen nog plaats voor hen die het waard zijn en ge-schikt zijn voor het nieuwe, volmaakte leven dat dan aanbreekt (Ps. 69:29; Dan. 7:10; Openb. 13:8; 17:8; 20:15; 21:27).

Doden zonder toekomst

De doden die niet herleven in Jesaja 26:14 zijn mensen die zonder God leefden. Zij zullen voor eeuwig afgesneden blijven van de boom des levens. Dit inzicht doet ons beseffen dat de totale mens sterfelijk is, en er bij de dood een einde aan ons gehele bestaan komt. Niet alleen aan ons fysieke leven, maar ook aan onze geest, onze persoonlijkheid, die vaak ziel (in dat geval niet in de betekenis van levensadem ofl evend wezen) wordt genoemd (Ez. 18:4 en 20; 1 Joh. 3:15). De Schepper, die de mens met al zijn capaciteiten schiep, heeft ook de macht die zelfde mens in het niets te laten verdwijnen (Matth. 10:28). Over de toestand van goddelozen en hardnekkige zondaars is de Bijbel dan ook zeer duidelijk: er zal niets van hen overblijven (Mal. 4:1; Matth.3:10 en 12)

J.K.D

+

Voorgaande

Oorzaak lijden en dood

Fundamenten van het Geloof: De lankmoedigheid van God

Fundamenten van het Geloof 2: De levende en waarachtige God

Fundamenten van geloof 3: De Persoonlijkheid van God

Fundamenten van het Geloof 4: Engelen. Gods volmaakte dienaren

Fundamenten van het Geloof 5: De mens, geschapen naar Gods beeld en als Zijn gelijkenis

Fundamenten van het Geloof 6: Beproeving van het geloof

Fundamenten van het Geloof: 7. Zonde. Overtreding van Gods wil

Fundamenten van het Geloof 8 De dood. Gods vonnis over de zonde

++

Verder aanbevolen literatuur

  1. Keuze van levende zielen tot de dood
  2. Voorzieningen voor de keuzes van de mens
  3. Bereshith 3:1-6 Het bedrog
  4. Bereshith 3:7-13 De Zondeval
  5. Eerste stappen die leidden naar een loskoopoffer 2 Lot na daad van ongehoorzaamheid
  6. Uitspraak van straf over de mens
  7. Betreft de Mens
  8. Beperktheid van de mens tot in zijn dood
  9. Dagen en jaren die voorbij gaan maar het Woord blijft bestaan
  10. Dood
  11. Een prins en de dood
  12. Leven gedefinieerd door de dood
  13. Tot bewust zijn komen voor huidig leven
  14. Onsterfelijkheid – Immortaliteit
  15. Decomposition, decay – vergaan, afsterven, ontbinding
  16. Al of niet onsterfelijkheid
  17. Wat gebeurt er als wij sterven
  18. Wij zijn sterfelijk en zullen tot stof vergaan
  19. Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 1 Levensadem en ziel
  20. Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 4 De ziel – een Grieks beeld
  21. Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 5 Griekse bezwaren tegen de opstanding
  22. Lichaam en ziel één
  23. Vindt er een transfer plaats na de dood?
  24. Het Geschreven Woord: Pijnigen
  25. Sheol, Sheool, Sjeool, Hades, Hel, Graf, Sepulcrum
  26. Begrippen satan en duivel in de Bijbel
  27. De staat van onze doden
  28. In leven na dood gelovende Duitsers
  29. Hoe zullen de doden weer levend gemaakt worden?
  30. De wereld van onbijbelse leer #3
  31. Als God bestaat
  32. Bijbels antwoord op uw vraag: Wat gebeurt er met ons na het sterven?
  33. Aanwijzingen voor redding te vinden
  34. Gedachte voor 3 januari 2018
  35. Is er meer in het leven dan dit
  36. Plan van de goddelijke Maker
  37. Een veel voorkomende vraag: Waarom moest Jezus of God naar de hel?
  38. Glimlach raam naar je ziel
  39. Vergieten van Bloed, een Oud en een Nieuw Verbond
  40. Dagelijkse keus betreffende de houding die wij voor die dag zullen maken
  41. Twee soorten mensen
  42. Zo maar gerechtvaardigd?
  43. God liefhebbenden gerechtvaardigd
  44. Aan een betere opstanding deelhebben

Fundamenten van het Geloof 4: Engelen. Gods volmaakte dienaren

Gelooft u het getuigenis van God, zijn Zoon en zijn dienaren?

Engelen. Gods volmaakte dienaren

Wie het antwoord zoekt op de vraag

‘wie of wat zijn engelen?’

merkt al snel dat de Bijbel weinig tot niets vertelt over hun natuur en bestaanswijze. De reden is dat het in de Bijbel gaat om de verhouding tussen God en mensen. En juist in verband daarmee vinden we een belangrijke uitspraak, die ons helpt bij het begrijpen van de rol die zij spelen in Gods werk:

“Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen, die het heil zullen beërven?”. (Hebr. 1: 14; vergelijk 1:7 en Psalm 103:20)

Ondanks dat deze woorden niet bedoeld waren om de natuur van engelen te beschrijven, leren we dat zij ‘geesten’ zijn. Paulus schreef dat er ‘natuurlijke lichamen’ zijn (van vlees en bloed, zoals wij nu zijn) en ‘geestelijke lichamen’. Mensen die overgaan van natuurlijk naar geestelijk leven worden ‘uit de hemel’ of ‘hemelsen’ genoemd, in tegenstelling tot wie ‘uit de aarde’, ‘stoffelijk’, zijn. Dat ‘natuurlijke lichaam’ kan het eeuwige leven niet binnengaan, omdat het aardsgezind, ongeestelijk is. Alleen het volmaakte en onvergankelijke (zoals engelen) kan in Gods nabijheid verblijven (1 Kor. 15:35-50).

“35  Maar, zal iemand vragen, hoe verrijzen de doden? Met wat voor lichaam?
36 Een dwaze vraag!
Ook wat gij zelf zaait moet eerst sterven voor het tot leven komt, 37 en wat gij zaait is slechts een graankorrel of iets dergelijks, en heeft nog niet de vorm die het zal krijgen. 38 God geeft er een lichaam aan zoals Hij dat gewild heeft, en wel aan elk zaad zijn eigen lichaam. 39 Ook is niet alle vlees hetzelfde, er is verschil tussen het vlees van mensen en dat van dieren en dat van vogels en van vissen.

40 En er zijn hemelse lichamen en aardse lichamen, maar de glans der hemelse is anders dan die van de aardse.
41 De luister van de zon is anders dan die van de maan, en die van de sterren is weer anders; zelfs de ene ster verschilt van de andere in schittering. 42 Zo is het ook met de opstanding van de doden; wat gezaaid wordt in vergankelijkheid, verrijst in onvergankelijkheid; 43 wat gezaaid wordt in geringheid en zwakte, verrijst in heerlijkheid en kracht. 44 Een natuurlijk lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam verrijst. Zoals er een natuurlijk lichaam bestaat, bestaat er ook een geestelijk lichaam. 45 In deze zin staat er geschreven: De eerste mens, Adam, werd een levens wezen. De laatste Adam werd een levendmakende Geest. 46 Maar het geestelijke komt niet het eerst; het natuurlijke gaat vooraf, daarna komt het geestelijke. 47 De eerste mens, uit de aarde genomen, is aards; de tweede is uit de hemel. 48 Zoals die eerste mens van aarde zijn alle aardse mensen, zoals de hemelse mens zullen alle hemelsen zijn. 49 En gelijk wij het beeld van de aardse hebben gedragen, zo zullen wij ook het beeld dragen van de hemelse mens. 50 Ik bedoel dit, broeders: vlees en bloed kunnen niet delen in het koninkrijk van God en het vergankelijke heeft geen aandeel in de onvergankelijkheid.” (1Co 15:35-50 WV78)

Dit komt overeen met wat Jezus zei:

“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnen gaan. Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest”. (Johannes 3:5-6)

“Maar wie waardig gekeurd zijn deel te verkrijgen aan die eeuw en aan de opstanding uit de doden, huwen niet en worden niet ten huwelijk genomen. Want zij kunnen niet meer sterven; immers, zij zijn aan de engelen gelijk en zij zijn kinderen van God, omdat zij kinderen van de opstanding zijn”. (Luc. 20:35-36)

Hieruit leiden wij af dat zij volmaakt en onsterfelijk zijn en dat wij, als wij eeuwig leven ontvangen, een volmaakt ‘hemels lichaam’ zullen hebben,en in die zin aan hen gelijk zullen zijn. De schrijver van de brief aan de Hebreeën herinnert, door Psalm 8 te citeren, aan het hoge doel van God met de schepping van de mens en de vervulling daarvan in Christus Jezus:

“Want niet aan engelen heeft Hij de toekomende wereld, waarvan wij spreken, onderworpen. Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat U hem gedenkt, of de mensenzoon, dat U naar hem omziet? U hebt hem voor een korte tijd beneden de engelen gesteld, met heerlijkheid en eer hebt u hem gekroond … wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden van de dood … met heerlijkheid gekroond” (Hebreeën 2:5-9).

Gelooft u het getuigenis van God, zijn Zoon en zijn dienaren?

Christus Jezus is de eerste van allen die behoren tot de geestelijke schepping, meer geworden dan de engelen:

“Tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Mijn Zoon bent U … Zet U aan mijn rechterhand…”. (Hebreeën 1:5 en 13)

“Jezus Christus, die aan de rechterhand van God is, naar de hemel gegaan,terwijl engelen en machten en krachten Hem onderworpen zijn”. (1 Petrus3:21-22)

“En Hem moeten alle engelen van God huldigen”. (Hebreeën 1:6)

De Nazareense leermeester Jezus zei dat de engelen voortdurend het aangezicht zien van God (Mattheüs 18:10). In Openbaring 5:11-13 zien we hen dan ook rondde troon van God in de hemel, in lofprijzing tot Hem en zijn Zoon.

“11 En terwijl ik keek, hoorde ik de stem van talloze engelen rondom de troon en de dieren en de oudsten; en hun getal was tienduizenden tienduizenden en duizenden duizendtallen; 12 en zij riepen luid:

‘Waardig is het Lam dat geslacht werd, te ontvangen de macht en de rijkdom, de wijsheid en de kracht, en eer en heerlijkheid en lof.’

13 En elk schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde en in de zee, het ganse heelal hoorde ik roepen:

‘Aan Hem die gezeten is op de troon en aan het Lam zij de lof en de eer en de roem en de kracht in de eeuwen der eeuwen!’” (Opb 5:11-13 WV78)

Wij mensen kunnen Gods aangezicht niet zien vanwege onze onreinheid door de zonde (Exodus 33:20). Dat engelen dat wel kunnen, houdt in dat zij zonder zonde zijn en dus volmaakt (vergelijk dit met Christus Jezus in Hebreeën 7:26).

“ Zulk een hogepriester hadden wij ook nodig: een die heilig is, schuldeloos, onbesmet, afgescheiden van de zondaars, hoog verheven boven de hemelen;” (Heb 7:26 WV78)

Vervulling van Gods belofte

God zendt engelen uit als zijn betrouwbare dienaren ten behoeve van mensen. Zij doen voor Hem vele taken in verband met de voltooiing van zijn scheppingswerk en zijn heilswerk ten behoeve van mensen. Het uitzenden van zijn Geest kan daarom ook betrekking hebben op het zenden van een engel, in wie God zijn macht en kracht legde:

“Toen riepen wij tot de Here, en Hij hoorde onze stem, zond een engel en leidde ons uit Egypte”. (Numeri 20:16)

“In al hun benauwdheid was ook Hij (God) benauwd, en de Engel van zijn aangezicht heeft hen gered”. (Jesaja 63:9)

“… u, die de wet ontvangen hebt op beschikking van engelen”. (Hand. 7:53)

“Ik ben Gabriël, die voor Gods aangezicht sta, en ik ben gekomen om tot u (Maria) te spreken en deze blijmare te verkondigen”. (Lucas 1:18-29)

Een voorbeeld van het uitzenden van engelen ten dienste van hen die het heil zullen beërven, vinden we in het leven van de Heer Jezus. Na de verzoeking in de woestijn dienden engelen hem (Mattheüs 4:11). Maar al eerder in zijn leven waren zij werkzaam om te zorgen dat hem niets overkwam, voordat de bestemde tijd was gekomen (Mattheüs 2:13). Dit zijn vervullingen van Gods beloften in Psalm 91:

“Aan zijn engelen zal Hij opdracht geven aangaande U, en op handen zullen zij u dragen, opdat U uw voet niet aan een steen stoot”. (Mattheüs 4:6; Lucas 4:10; Psalm 91:11-12)

Maar ook anderen hebben de vervulling van Gods belofte van bijstand ervaren, door de nabijheid van engelen, op momenten dat er menselijkerwijs gesproken geen redding meer mogelijk was:

“De engel van de Here legert Zich rondom wie Hem vrezen, en redt hen”. (Psalm 34:8)

“… zij die bij ons zijn, zijn talrijker dan zij, die bij hen zijn … en zie, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa”. (2 Kon. 6:15-17)

“Maar een engel van de Here opende ’s nachts de deuren van de gevangenis en leidde hen naar buiten…”. (Hand. 5:19; vergelijk 12:7 en Daniël 6:23)

Soms moeten zij destructief werk doen, om de vervulling van Gods plan voortgang te kunnen laten vinden. Want wanneer God dit niet zou doen, zouden zijn kinderen ten onder gaan door het geweld van hun vijanden. De tijd van Noach laat dit duidelijk zien. Zij redden gelovigen uit de macht van de ongelovigen of straffen ongehoorzamen.

“Hij zond tegen hen zijn brandende toorn, verbolgenheid en angstwekkende gramschap, een schare van verderfengelen” (Psalm 78:49; vergelijk 1 Kron. 21:12 en 15; 2 Sam. 24:16-17).

Het werk van de engelen zal in ieder geval doorgaan tot de wederkomst van Christus Jezus uit de hemel. Hij heeft hen van God tot zijn beschikking gekregen om hem te helpen Gods wil uit te voeren, zoals mensen wakker roepen uit hun doodsslaap:

“…bij de openbaring van de Here Jezus van de hemel met de engelen van zijn kracht”. (2 Thessalonicenzen 1:7)

“En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere”. (Mattheüs 24:31)

“De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Koninkrijk verzamelen al wat tot zonde verleidt”. (Mattheüs 13:41)

Hun werk ten behoeve van het heil van mensen zal waarschijnlijk in grote lijnen ten einde zijn gekomen, wanneer het Koninkrijk van God op aarde is gekomen. Want dan zullen er mensen zijn die volmaakt en onsterfelijk zijn geworden als de engelen, en dus op dezelfde wijze werk voor Christus kunnen doen als de engelen voor God.


Vraag ter overdenking:

Denkt u dat het mogelijk is dat engelen hebben gezondigd?


+

Voorgaande

Fundamenten van het Geloof: De lankmoedigheid van God

Fundamenten van het Geloof 2: De levende en waarachtige God

Fundamenten van geloof 3: De Persoonlijkheid van God