Fundamenten van het Geloof 8 De dood. Gods vonnis over de zonde

Geschapen mens

God heeft de mens geschapen naar Zijn beeld en als Zijn gelijkenis. Maar hij werd niet zo geprogrammeerd, dat hij alleen maar kon doen wat God wilde. De mens werd geschapen met een vrije wil en heeft dus keuzevrijheid. God stelt ons door middel van Zijn opvoedingsproces voor keuzes. Uit wat wij kiezen, blijkt of wij in Hem geloven, en of wij Hem echt willen gehoorzamen. De eerste mensen gaven toe aan de verleiding iets te doen dat God hen had verboden. Zij meenden Gods doel met hun schepping in en door het vlees te kunnen bereiken, in plaats van zich van Hem afhankelijk te stellen en geduld te tonen.

Het lag niet aan God dat zij Zijn wil overtraden maar aan de mens. God was heel duidelijk geweest, en de mens had de boodschap begrepen. Zij waren geheel vrij in de hof, op één kleine beperking na: het eten van één bepaalde boom was niet toegestaan:

“Van alle bomen in de hof mag u vrij eten, maar van de boom van de kennis van goed en kwaad zult u niet eten, want ten dage, dat u daarvan eet, zult uvoorzeker sterven.” (Genesis 2:17; vergelijk 3:3)

De slang echter verleidde Eva met schoonklinkende woorden, die suggereerden dat zij niet zou sterven, maar als God zijn en zelf zou weten wat goed en kwaad is, en vanuit die kennis zelf in staat zijn de juiste keuzes te maken (Gen. 3:4-5). Iets dat overigens in de kern van de zaak neer kwam op de vervulling van hun mogelijk diep verlangen zelf te mogen uitmaken wat goed en kwaad is. Het valt inderdaad niet te ontkennen, dat zij niet stierf op het moment dat zij van de vrucht van die boom at. Dit neemt echter niet weg dat de dood, als de straf op de overtreding van Gods gebod, haar en Adam uiteindelijk daadwerkelijk trof.

Het sterven is een proces dat begint bij de eerste zonde. Paulus zag zichzelf in eenzelfde positie als Adam: toen hij jong was, wist hij niet wat zonde was. Maar toen hij ouder werd en geacht werd de wet te kennen, begon hij te sterven door de zonde:

“Ik heb eertijds geleefd zonder wet; toen echter het gebod kwam, begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven, en het gebod dat ten leven moest leiden, bleek voor mij juist ten dode te zijn; want de zonde heeft uitgaande van het gebod, mij misleid en door middel daarvan gedood.” (Romeinen 7:7-12)“

… als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort.” (Jakobus 1:15)

“Want het loon dat de zonde geeft is de dood.” (Romeinen 6:23; vergelijk Spreuken 12:28)

“Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede.” (Romeinen 8:6)

Zondig nageslacht

De dood trof niet alleen Adam en Eva, maar allen die uit hen voortkwamen (zie Gen. 5). Alle mensen volgden hen na in hun zonde aan God gelijk te willen zijn, zonder in Hem te geloven. En zoals Adam en Eva alle zondaars vertegenwoordigen, werden allen inbegrepen in Gods doodvonnis over hen:

“Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben.” (Romeinen 5:12)

“Want, omdat de dood er is door een mens … Want evenals in Adam allen sterven …” (1 Korintiërs 15:21-22)

Sterven wij, dan wordt het scheppingsproces als het ware omgekeerd: bij zijn schepping werd de levensadem in de neus van de mens geblazen, zodat hij leefde; wanneer wij sterven, blazen wij onze laatste adem uit en vergaan vervolgens weer tot het stof waaruit wij gemaakt zijn:

“… totdat u tot de aardbodem wederkeert, omdat u daaruit genomen bent; want stof bent u en tot stof zult u wederkeren.” (Genesis 3:19)“

… neemt U hun adem weg, zij sterven en keren weder tot hun stof.”(Psalm 104:29; zie 90:3; 146:4).“

… alles is geworden uit stof, en alles keert weder tot stof … zoals het geweest is, en de geest (levensgeest, adem) wederkeert tot God, die hem geschonken heeft” (Prediker 3:19-20 en 12:7).

In dit opzicht verschilt een mens niet van de dieren. Die zijn zich niet bewust van een God die voor hen zorgt, maar leven een korte tijd en verdwijnen daarna voor altijd in het niets. Alle schepselen hebben van God dezelfde levensadem gekregen, en Hij neemt die op Zijn tijd terug. Voor wie geen rekening met God houdt, is er, net als voor de redeloze dieren, geen enkele hoop:

“… zo stijgt wie in het dodenrijk nederdaalt, niet weer op.” (Job 7:9; in de betekenis van: keert niet weer)

“… de mens met al zijn praal houdt geen stand; hij is gelijk aan de beesten, die vergaan … Als schapen zinken zij in het dodenrijk, de dood weidt hen.” (Psalm 49:13 en 15/21)

Wie in het graf ligt, is zich van niets bewust. Hij kan niets meer doen en nergens meer over nadenken. Ook de goddeloze kan zijn jaloerse haat ten opzichte van wie geloven niet meer uitleven:

“De levenden weten ten minste, dat zij sterven moeten, maar de doden weten niets … want er is geen werk of overleg of kennis of wijsheid in het dodenrijk, waarheen u gaat.” (Prediker 9:5 en 10)

“Want in de dood is aan U geen gedachtenis; wie zou U loven in het dodenrijk?” (Psalm 6:6; 115:17; Jesaja 38:18)

De dood is als een onverzadigbaar roofdier dat zijn prooi grijpt en niet meer loslaat. Of als een koning, die mensen rooft en met strenge hand over hen regeert, alsof het slaven zijn die hij niet wil laten gaan. Zij zitten in een gevangenis, een kerker, waaruit zij niet meer kunnen ontsnappen:

“… doet het dodenrijk zijn keel wijd open en spert het zijn muil op, mateloos…” (Jesaja 5:14; Hab. 2:5)

“Droogte en hitte roven het sneeuwwater weg, zo het dodenrijk hen die zondigen.” (Job 24:19)

“… heeft de dood als koning geheerst … Want, indien door de overtreding van de ene de dood als koning is gaan heersen door die ene …” (Rom 5:14 en 17)

“Weet u niet, dat u hem, in wiens dienst u zich stelt als slaven … ook moet gehoorzamen als slaven, hetzij … van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid?” (Romeinen 6:16)

De dood wordt daarom door gelovigen in de Bijbel terecht gezien als de grote vijand van de mens, uit wiens macht zij hun geliefden, laat staan zichzelf, niet kunnen bevrijden:

“Welk mens leeft er, die de dood niet zien zal, die zijn ziel zal redden uit de macht van het dodenrijk?” (Psalm 89:49; vergelijk 8:5 en 116:3)

“Niemand kan ooit een broeder loskopen, noch God zijn losprijs betalen … dat hij voor immer zou voortleven, de groeve niet zou zien.” (Psalm 49:8-13).

***

Vraag ter overdenking: Is de toestand van de doden veranderd sinds de komst van Jezus?

Wie sterven na een leven van geloof, blijven niet eeuwig dood. Hun toestand wordt in de Bijbel voorgesteld als een slaap, waaruit het mogelijk is te ontwaken bij het aanbreken van een nieuwe dag. Zij zijn ontslapen (ingeslapen), zijn de rust van de doodslaap ingegaan en wachten in het stof tot Jehovah hen wekt: Marc. 5:39/Luc.8:52; Joh. 11:11-13; 1 Kor. 15:17-18; 1 Thess. 4:14-15; Dan 12:2/13; Hand. 13:36; Jes. 26:19/Efez. 5:14; Joh. 11:24.

.J.K.D

+

Voorgaande:

Fundamenten van het Geloof 5: De mens, geschapen naar Gods beeld en als Zijn gelijkenis

Fundamenten van het Geloof: 7. Zonde. Overtreding van Gods wil

++

Aansluitende lectuur

  1. De Schepper achter eerste levende wezens
  2. Terugblikkend op de eerste mens en eerste gebeurtenissen 1 Ontstaan en plaatsing eerste mens
  3. Voorziening van leven
  4. Bereshith 2:4-14 Adem en leven plaatsing door de Elohim God
  5. Bereshith 2:15-25 De mens geplaatst in de tuin van Eden
  6. Bereshith 3:1-5 De grote misleiding
  7. Bereshith 3:1-6 Het bedrog
  8. Keuze van levende zielen tot de dood
  9. Terugblikkend op de eerste mens en eerste gebeurtenissen 2 Daad van ongehoorzaamheid eerste mens
  10. Fundamenten van het Geloof: De goedertierenheid van God
  11. Al of niet onsterfelijkheid
  12. Dood
  13. Beperktheid van de mens tot in zijn dood
  14. Wat gebeurt er als wij sterven
  15. Vindt er een transfer plaats na de dood?
  16. Wij zijn sterfelijk en zullen tot stof vergaan
  17. Ontbinding
  18. Decomposition, decay – vergaan, afsterven, ontbinding

Bijbel, zwaard van de Geest in de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God om tot een volkomen mens te komen

 

 

“Een psalm van David, voor den opperzangmeester. {1} (19-2) De hemelen vertellen {2} Gods eer, en het uitspansel {3} verkondigt Zijner handen werk.” (Psalmen 19:1 STV)

“1  Toen sprak God {1} al deze woorden, {2} zeggende: 2 Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, {3} uitgeleid heb. 3 Gij zult geen andere goden {4} voor Mijn aangezicht hebben.” (Exodus 20:1-3 STV)

“Alzo zegt de Heere HEERE: Het zal niet bestaan, {22} en het zal niet geschieden.” (Jesaja 7:7 STV)

“En de HEERE stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; {20} en de HEERE zeide tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond. {21}” (Jeremia 1:9 STV)

“Gelooft gij niet, dat Ik in den Vader [ben], en de Vader in Mij is? De woorden, {20} die Ik tot ulieden spreek, spreek Ik van Mijzelven niet, maar de Vader, Die in Mij blijft, {21} Dezelve doet de werken. {22}” (Johannes 14:10 STV)

“En neemt den helm der zaligheid, {40} en het zwaard des Geestes, {41} hetwelk is Gods Woord.” (Efeziërs 6:17 STV)

“Hij zeide voorts: Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezicht, {10} want hij vreesde God aan te zien.” (Exodus 3:6 STV)

“Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, {54} dat wij den Waarachtige kennen; {55} en wij zijn in den Waarachtige, {56} [namelijk] in Zijn {57} Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige {58} God, en het eeuwige Leven. {59}” (1 Johannes 5:20 STV)

“Gij Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, {24} en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil zijn zij, {25} en zijn zij geschapen.” (Openbaring 4:11 STV)

“2 (6-1) Verder sprak God tot Mozes, en zeide tot hem: Ik ben de HEERE, {1} 3 (6-2) En Ik ben aan Abraham, Izak, en Jakob verschenen, als God {2} de Almachtige; {3} doch met Mijn Naam HEERE ben Ik hun niet bekend geweest. {4}” (Exodus 6:2-3 STV)

“13 Daarom zegt gij: {23} Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid {24} oordelen? 14 De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt {25} den omgang der hemelen.” (Job 22:13-14 STV)

“5 En de Levieten, Jesua, en Kadmiel, Bani, Hasabneja; Serebja, Hodia, Sebanja, Petahja, zeiden: Staat op, looft den HEERE, {9} uw God, van eeuwigheid tot in eeuwigheid; en men love {10} den Naam Uwer heerlijkheid, {11} die verhoogd is boven allen lof en prijs! {12} 6 Gij zijt die HEERE alleen, Gij hebt gemaakt den hemel, den hemel der hemelen, {13} en al hun heir, {14} de aarde en al wat daarop is, de zeeën en al wat daarin is, en Gij maakt die allen levend; {15} en het heir der hemelen {16} aanbidt U. {17} 7 Gij zijt die HEERE, de God, Die Abram hebt verkoren, en hem uit Ur der Chaldeën uitgevoerd; en Gij hebt zijn naam gesteld Abraham.” (Nehemia 9:5-7 STV)

“7  Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israël! en Ik zal onder u betuigen; {14} Ik, God, ben uw God. {15} 8 Om uw {16} offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij. 9 Ik zal uit uw huis geen var nemen, [noch] bokken uit uw kooien; 10 Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend {17} bergen. 11 Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij. {18} 12 Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid. {19} 13 Zou Ik stierenvlees {20} eten, of bokkenbloed drinken? 14 Offert Gode dank, {21} en betaalt den Allerhoogste uw geloften. 15 En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren. 16  Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond? 17 Dewijl gij de kastijding {22} haat, en Mijn woorden achter {23} u henenwerpt.” (Psalmen 50:7-17 STV)

“11 En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, {26} en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, {27} en sommigen tot herders {28} en leraars; 12 Tot de volmaking {29} der heiligen, tot het werk {30} der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus; 13 Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid {31} des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen {32} man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus; 14 Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij {33} der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen;” (Efeziërs 4:11-14 STV)

“En ik, broeders, als ik tot u ben gekomen, ben niet gekomen met uitnemendheid {1} van woorden, of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis {2} van God.” (1 Corinthiërs 2:1 STV)

“9 Maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des {22} mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben. 10 Doch God heeft [het] ons geopenbaard {23} door Zijn Geest; {24} want de Geest onderzoekt alle {25} dingen, ook de diepten Gods. {26}” (1 Corinthiërs 2:9-10 STV)

“14 Maar de natuurlijke mens {35} begrijpt niet de {36} dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij {37} kan ze niet {38} verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. {39} 15 Doch de geestelijke [mens] {40} onderscheidt wel alle dingen, maar {41} hij zelf wordt van niemand {42} onderscheiden. {43} 16 Want wie heeft den zin des Heeren {44} gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben den zin van Christus. {45}” (1 Corinthiërs 2:14-16 STV)

“Wie heeft den Geest {52} des HEEREN bestierd, {53} en [wie] heeft Hem [als] Zijn raadsman onderwezen? {54}” (Jesaja 40:13 STV)

“5 Welke in andere {9} eeuwen den {10} kinderen der mensen niet is bekend gemaakt, gelijk zij nu {11} is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten, {12} door den Geest; 6 [Namelijk] dat de heidenen zijn medeërfgenamen, {13} en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus, door het Evangelie;” (Efeziërs 3:5-6 STV)

“Opdat hun harten {5} vertroost mogen {6} worden, en zij samengevoegd {7} zijn in de liefde, en [dat] tot allen rijkdom der volle verzekerdheid {8} des verstands, tot kennis der {9} verborgenheid van God en den Vader, en van Christus;” (Colossenzen 2:2 STV)

“Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand {21} uwer woorden verachten.” (Spreuken 23:9 STV)

“1  Voorts zijn dit de laatste woorden van David. {1} David, de zoon van Isaï zegt, en de man, die hoog is opgericht, {2} de gezalfde van Jakobs God, en liefelijk [in] psalmen van Israël, {3} zegt: 2 De Geest des HEEREN heeft door mij gesproken, en Zijn rede is op mijn tong geweest.” (2 Samuël 23:1-2 STV)

“Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door den mond Davids voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is dergenen, die Jezus vingen;” (Handelingen 1:16 STV)

“En tegen elkander oneens zijnde, scheidden zij; {42} als Paulus [dit] ene woord {43} gezegd had, [namelijk]: Wel heeft de Heilige Geest {44} gesproken door Jesaja, den profeet, tot onze vaderen,” (Handelingen 28:25 STV)

“Onderzoekende, op welken of hoedanigen tijd {37} de Geest van {38} Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, [dat] op Christus [komen] [zou], en de heerlijkheid daarna {39} [volgende].” (1 Petrus 1:11 STV)

“20 Dit eerst wetende, {73} dat geen profetie {74} der Schrift is van eigen uitlegging; {75} 21 Want de profetie is {76} voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, {77} maar de heilige mensen Gods, {78} van den Heiligen Geest {79} gedreven zijnde, {80} hebben [ze] gesproken. {81}” (2 Petrus 1:20-21 STV)

“Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken {53} alles, wat Ik u gezegd heb.” (Johannes 14:26 STV)

“16 Al de Schrift is {57} van God ingegeven, {58} en is nuttig tot lering, tot {59} wederlegging, tot {60} verbetering, tot {61} onderwijzing, die {62} in de rechtvaardigheid is; 17 Opdat de mens Gods {63} volmaakt zij, tot {64} alle goed werk volmaaktelijk toegerust. {65}” (2 Timotheüs 3:16-17 STV)

“Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat, als gij het Woord der prediking {23} van God van ons ontvangen {24} hebt, gij dat aangenomen {25} hebt, niet [als] der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) [als] Gods Woord, dat ook {26} werkt in u, die gelooft.” (1 Thessalonicen 2:13 STV)

“Want al wat te voren geschreven is, {17} dat is tot onze lering te voren geschreven, {18} opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, {19} hoop hebben zouden. {20}” (Romeinen 15:4 STV)

“En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; {19} en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der {20} eeuwen gekomen zijn. {21}” (1 Corinthiërs 10:11 STV)

“49  Zain. Gedenk des woords, {54} tot Uw knecht [gesproken], op hetwelk Gij mij hebt doen hopen. 50  Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.” (Psalmen 119:49-50 STV)

“7 De wijsheid is het voornaamste; {13} verkrijg [dan] wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting. {14} 8 Verhef ze, {15} en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, {16} als gij haar omhelzen zult. 9 Zij zal uw hoofd een aangenaam {17} toevoegsel geven, een sierlijke kroon {18} zal zij u leveren.” (Spreuken 4:7-9 STV)

“Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid {29} gevoed {30} worden.” (Spreuken 15:14 STV)

“Die nu in de goede aarde bezaaid is, {23} deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, {24} de een honderd-, de ander zestig-, en de ander dertig [voud].” (Mattheüs 13:23 STV)

“Maar der volmaakten is {33} de vaste spijze, {34} die door de gewoonheid {35} de zinnen geoefend hebben, {36} tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads.” (Hebreeën 5:14 STV)

“Aan deze vier jongelingen nu gaf God wetenschap en verstand {56} in alle boeken, {57} en wijsheid; maar Daniël {58} gaf Hij verstand in allerlei gezichten en dromen. {59}” (Daniël 1:17 STV)

“Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE. {69}” (Spreuken 21:30 STV)

“Hoor raad, {54} en ontvang tucht, {55} opdat gij in uw laatste {56} wijs zijt.” (Spreuken 19:20 STV)

“7 Merk, hetgeen ik zeg; {17} doch de Heere geve {18} u verstand in alle dingen. 8  Houd in gedachtenis, {19} dat Jezus Christus uit {20} de doden is opgewekt, Welke is uit den zade Davids, naar mijn Evangelie; {21} 9 Om hetwelk ik verdrukkingen {22} lijde tot de banden toe, {23} als een kwaaddoener; {24} maar het Woord Gods is niet gebonden. {25} 10 Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen, {26} opdat ook zij de {27} zaligheid zouden verkrijgen, die in Christus Jezus is, {28} met eeuwige heerlijkheid.” (2 Timotheüs 2:7-10 STV)

“Gelijkerwijs Gij Hem macht gegeven hebt over alle vlees, {4} opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, {5} Hij hun het eeuwige leven geve.” (Johannes 17:2 STV)

“Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, {54} dat wij den Waarachtige kennen; {55} en wij zijn in den Waarachtige, {56} [namelijk] in Zijn {57} Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige {58} God, en het eeuwige Leven. {59}” (1 Johannes 5:20 STV)

“2 Voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust {4} en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en {5} eerbaarheid. 3 Want dat is goed en {6} aangenaam voor God, onzen Zaligmaker; 4 Welke wil, dat alle mensen zalig {7} worden, en tot kennis der waarheid {8} komen.” (1 Timotheüs 2:2-4 STV)

*

 

 

Bijbel Staten Generaal der Verenigde Nederlanden 1926

Bijbel Staten Generaal der Verenigde Nederlanden 1926

+

Voorgaand:

Coming to understanding from sayings written long ago

Bibel, Schwert des Geistes, in die Einheit des Glaubens und der Erkenntnis des Sohnes Gotte

Vervolg:

Bible, épée de l’Esprit à venir dans l’unité de la foi et de la connaissance du Fils de Dieu

Bible, sword of the Spirit to come into the unity of the faith and of the knowledge of the Son of God, unto a perfect man

++

Aanvullende lectuur:

  1. Bijbel, Gods Woord ingegeven nuttig tot lering, tot bestraffing, tot verbetering en tot onderwijzing
  2. Het woord van de Ware God gegeven voor wijsheid te vergaren
  3. Bijbel, Gods Woord tot opvoeding (NBG51)
  4. De heilige geest zal alle dingen welke gezegd zijn in herinnering terugbrengen
  5. Bijbel, helm van de zaligheid en het zwaard van de Geest ter onderricht
  6. Bibel, Helm des Heils und das Schwert des Geistes

+++

Misschien ook boeiend om onder ogen te nemen, maar welke niet steeds onze goedkeuring dragen of hetzelfde geloven als wij: