Fundamenten van het Geloof 5: De mens, geschapen naar Gods beeld en als Zijn gelijkenis

De mens, geschapen naar Gods beeld en als Zijn gelijkenis

De mens is voortdurend op zoek naar zijn identiteit:

‘Wie zijn wij en waar komen wij vandaan?’.

Voor wie niet gelooft in de Schepper is dit een nooit eindigende zoektocht. Maar in plaats van het wetenschappelijk bewijs voor onze oorsprong in de natuurwereld te zoeken, zou onderzoek naar de plaats van de mens, te midden van alle andere wezens, tot een ander resultaat kunnen leiden. Want het valt niet te ontkennen dat de mens uniek is in de natuurwereld.

De Bijbel vertelt dat wij hier niet toevallig zijn, als het product van een langzame ontwikkeling uit andere, primitievere wezens, maar dat God de mens naar Zijn plan heeft gemaakt:

“En God zei: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen in de zee en over het gevogelte aan de hemel en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipende gedierte dat op de aardbodem kruipt. En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen”. (Genesis 1:26; vergelijk 9:6)

Dat dit geen primitief idee is, uit een ver verleden, toont het geloof van Jezus en de apostelen. Zij geloofden dat God verantwoordelijk is voor alle leven en dat alle mensen zijn voortgekomen uit dit eerste mensenpaar (Matth. 19:4; 1 Kor. 11 :7; Jac. 3:9). Maar wat wordt er bedoeld met:

‘naar ons beeld, als onze gelijkenis’?

De mens heeft in bepaalde opzichten een gelijkenis met zijn Schepper. Met de schepping van de mens heeft God iets van Zichzelf ‘gereproduceerd’ en er moet iets van God in de mens te herkennen zijn. Wanneer deze later zelf nageslacht voortbrengt, legt hij op zijn beurt zijn eigenschappen daarin; het zijn afdrukken van zijn wezen:

“Adam … verwekte (een zoon) naar zijn gelijkenis, als zijn beeld”. (Genesis 5:3)

Hiermee worden echter niet meer het beeld en gelijkenis van God bedoeld, maar de mens zoals Adam geworden is: zondig in het vlees, zodat hij de heerlijkheid van God niet in zich draagt. Wanneer dit voor altijd was voortgegaan, zou Gods scheppingswerk een hopeloze mislukking zijn. God zei echter dat het goed was wat Hij had geschapen. In zijn alwetendheid moet Hij gezien hebben dat er uiteindelijk wel mensen met de heerlijkheid van zijn beeld en gelijkenis zouden zijn:

“Want allen hebben gezondigd en derven (lopen mis) de heerlijkheid van God”.

“… juist om de rijkdom van zijn heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid”. (Romeinen 9:23)

“Wij dan … hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, door wie wij ook de toegang hebben verkregen tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop op de heerlijkheid van God”. (Romeinen 5:1-2)

Het natuurlijke nageslacht van Adam kan Gods heerlijkheid niet weerspiegelen. Dit is een voortdurend vraagpunt van gelovigen aan God. David vroeg zich in een Psalm af welke verklaring er is voor die hoge plaats van de mens in Gods onmetelijke heelal, en de schrijver van de brief aan de Hebreeën wijst op de vervulling van Gods plan met ons in Christus Jezus:

“Wat is de mens, dat U aan hem denkt, en het mensenkind, dat U naar hem omziet? Toch hebt U hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond”. (Psalm 8:4-9)

“… maar wij zien Jezus … met heerlijkheid en eer gekroond”. (Hebreeën 2:6-9)

In de persoon van Jezus heeft God uit de mensheid een nieuwe mens verwekt, die deze heerlijkheid van God wel draagt en weerspiegelt. De apostelen getuigen in de evangelieverslagen en brieven van wat zij hebben gezien en ervaren van deze ‘zoon des mensen’, de mens bij uitnemendheid:

“Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid”. (Johannes 1:14)

“Deze de afstraling van zijn heerlijkheid, en de afdruk van zijn wezen”(Hebreeën 1:3)

Zij hebben twee kanten van hem gezien: zijn gestalte als dienstknecht, die volmaakt de wil van God deed, en zijn verheerlijkte gestalte toen zij met hem op de berg waren (Luc. 9:29; 2 Petr. 1:16). Zijn verheerlijking was een voorproef van wat hij zou ontvangen, wanneer hij de wil van zijn Vader tot het laatst zou doen. Hierin is hij het voorbeeld voor wie in hem gelooft:

“Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die in de gestalte van God zijnde, het God gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen … heeft Hij zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de kruisdood. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd” (Filippenzen 2:5-9; vergelijk Romeinen 8:5-7).

Door verbondenheid met Christus Jezus, en in hun leven dezelfde gezindheid te tonen als hij, kunnen ook andere mensen deel krijgen aan dezelfde natuur en dezelfde heerlijkheid weerspiegelen als hij:

“Want het voegde Hem…dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman van hun behoudenis door lijden zou volmaken”. (Hebreeën 2:10)

“Daartoe heeft Hij u ook door ons evangelie geroepen tot het verkrijgen van de heerlijkheid van onze Here Jezus Christus”. (2 Thess. 2:14; 1 Thess. 2:12;vergelijk 2 Timotheüs 2:10)

“En wij allen, die … de heerlijkheid van de Here weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid …”. (2 Korintiërs 3:18)

Wanneer dit werkelijkheid is geworden, zal Gods doel met de schepping zijn bereikt. Dan zijn de mensen als Zijn zonen, dragen zij Zijn beeld en zal de aarde van Zijn heerlijkheid vol worden:

“En gelijk wij het beeld van de stoffelijke (Adam) gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse (Christus) dragen”. (1 Korintiërs 15:49)

“… met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden van de zonen van God … maar ook wij zelf…zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap… Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van zijn Zoon, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen”. (Romeinen 8:19-30)

“Ik zal hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn”. (Openbaring 21:7)

“Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat, als Hij (Christus) zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen …”. (1 Johannes 3:2)

Psalm 8 en de heerlijkheid van de mens in Christus Jezus

De aandacht van gelovigen richt zich op Gods doel met de schepping van de mens, zoals geopenbaard in het boek Genesis (1:26). Koning David schreef in Psalm 8 een overdenking hiervan. Hij zag de heerlijkheid van de Hemelkoning (verzen 1-4), die de mens schiep om zijn onderkoning op aarde te zijn (vergelijk Genesis 41:40) en te regeren over alle wezens daarop (verzen 4-9). Omdat het hier om Adam ging, heeft David waarschijnlijk in eerste instantie een specifieke mens op het oog. In Psalm 21:6 beschouwt hij zijn eigen unieke positie als koning op Gods troon op aarde. In Psalm 72 spreekt hij over zijn zoon Salomo. Maar beide waren zij niet de eeuwige koning die God beloofde (zie 2 Samuël 7:11-29; Psalm 21:5 en 72:17). Genesis 1 en Psalm 8 vormen dan ook het begin van een rode draad in de openbaring van Gods doel met de mens, die ons leidt tot het Nieuwe Testament en de daarin geopenbaarde vervulling in Christus Jezus (Luc. 10:22; Ef. 1:21-22; 1 Kor. 15:25-27; Hebr. 1:1-4en 2:5-9; Kolos. 1:15-17) en doorgaat in allen die geloven (Hebr. 2:10; Rom. 8:17).

*

Vraag ter overdenking:

Hoe kunt u worden tot een nieuwe mens, naar het beeld van Christus?

+

Voorgaande

Al-Fatiha [De Opening] Surah 1: 4-7 Barmhartige Heer van de Schepping om ons de juiste weg te tonen

Fundamenten van het Geloof: De lankmoedigheid van God

Fundamenten van het Geloof 2: De levende en waarachtige God

Fundamenten van geloof 3: De Persoonlijkheid van God

Fundamenten van het Geloof 4: Engelen. Gods volmaakte dienaren

++

Aansluitende lectuur

  1. De Schepper achter eerste levende wezens
  2. Bereshith 2:15-25 v 18-25 Een Hulp voor de man of een Vrouw in het vizier
  3. Betreft de Mens
  4. Betreffende het spirituele lichaam
  5. Begin van leven op aard: schepping of evolutie
  6. Fundamenten van het Geloof: De goedertierenheid van God
  7. Begrijpend Zingen: Psalm 8: Wat is de mens…?
  8. Begrijpend Zingen: Psalm 8: Heerschappij mens en luister
  9. Gebed na het lezen van Psalm 8
  10. De toorn van God
  11. De Verlosser 3 Zijn menselijke kant
  12. Schepping geschenk van God
  13. EO-directie: ‘Wij geloven in God als Schepper’

El Shaddai Die verscheen voor Abraham

 

“IN HET BEGIN schiep God de hemel en de aarde.” (Genesis 1:1 WV78)

“Toen Abram negenennegentig jaar was, verscheen Jahwe hem en zei: ‘Ik ben God almachtig, richt uw schreden naar Mij en gedraag u onberispelijk.” (Genesis 17:1 WV78)

–  17 Toen A̱bram nu negenennegentig jaar oud was, verscheen Jehovah aan A̱bram en zei tot hem:+ „Ik ben God de Almachtige.*+ Wandel voor mijn aangezicht en betoon u onberispelijk.+ En ik wil mijn verbond geven tussen mij en u,+ opdat ik u zeer, zeer moge vermenigvuldigen.”+

En God* sprak verder tot Mo̱zes en zei tot hem: „Ik ben Jehovah.+ En aan A̱braham,+ I̱saäk+ en Ja̱kob+ ben ik altijd verschenen als God de Almachtige,*+ maar wat mijn naam Jehovah+ betreft,* daarmee heb ik mij niet aan hen bekendgemaakt.*+

“2 Wederom richtte God het woord tot Mozes en sprak tot hem: ‘Ik ben Jahwe. 3 Aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob ben Ik verschenen als God Almachtig; mijn naam Jahwe heb Ik hun niet geopenbaard.” (Exodus 6:2-3 WV78)

“Wie is van de goden als gij, o Jahwe? Wie is er als Gij, schrikwekkend en heilig. om roemvolle daden geducht, om wonder na wonder?” (Exodus 15:11 WV78)

“Nu weet ik dat Jahwe groter is dan alle andere goden.’” (Exodus 18:11 WV78)

“Maar hij voegde er aan toe: ‘Mijn gelaat kunt gij niet zien, want geen mens kan mijn gelaat zien en in leven blijven.’” (Exodus 33:20 WV78)

“4  Luister, Israel, Jahwe is onze God, Jahwe alleen! 5 Gij moet Jahwe uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten. 6 De geboden die ik u heden voorschrijf, moet ge in uw hart prenten. 7 Ge moet er met uw kinderen telkens opnieuw over spreken, wanneer ge thuis zijt en onderweg, als ge slapen gaat en opstaat. 8 Bind ze als een teken op uw hand en als een band op uw voorhoofd. 9 Grif ze in de deurposten van uw huis en op de poorten van uw stad.” (Deuteronomium 6:4-9 WV78)

“Jahwe’s naam roep ik uit: Breng hulde aan onze God!” (Deuteronomium 32:3 WV78)

“Aan U, Jahwe, behoort de grootheid en de kracht, de luister, de roem en de majesteit, want aan U, Jahwe, behoort alles in de hemel en op de aarde. Aan U, Jahwe, behoort het koningschap, aan U, die als hoofd boven alles verheven bent.” (1 Kronieken 29:11 WV78)

“(2:4) De tempel die ik wil bouwen zal groot zijn, want onze God is de grootste van alle goden.” (2 Kronieken 2:5 WV78)

“Ja, hoogverheven is God, we kennen Hem niet, onnaspeurlijk is zijn ouderdom.” (Job 36:26 WV78)

“(46:11) Laat af en beseft dat Ik God ben, Ik: boven de volken verheven, verheven hoog boven de aarde.” (Psalmen 46:10 WV78)

“Een lied. Een psalm van de Korachieten. (48:2) Groot, hoog te loven Jahwe: in de stad van Hem, onze God, waar zijn heilige berg zich verheft, -” (Psalmen 48:1 WV78)

“uw gerechtigheid, God, naar zij oprijst, hoe Gij grote dingen gedaan hebt. Wie is, o God, gelijk Gij?” (Psalmen 71:19 WV78)

“Geloofd zij God de Heer, de God van Israel, die wonderen doet, Hij alleen.” (Psalmen 72:18 WV78)

“(83:19) weten zij dat slechts Gij – wiens naam is de Heer – over heel de aarde ten troon zit.” (Psalmen 83:18 WV78)

“Geen god, Heer komt U nabij, uw werken zijn onvergelijkelijk;” (Psalmen 86:8 WV78)

“(89:7) Wie daarboven reikt tot de Heer, welke godenzoon evenaart Hem?” (Psalmen 89:6 WV78)

“(92:6) Hoe groots is uw schepping, o Heer, hoe grondeloos zijn uw gedachten,” (Psalmen 92:5 WV78)

“3 Want een godheid groot is de Heer, koning groot, alle goden te boven. 4 In zijn hand zijn aan de diepten der aarde en de steilten der bergen beheerst. Hij; 5 aan Hem hoort de zee want Hij schiep haar, en het land, dat zijn handen formeerden. 6 Nadert, buigen deemoedig wij neer, knielen wij voor de Heer die ons maakte: 7  onze God is Hij, wij zijn het volk dat Hij weidt – de schapen in zijn hoede. Het is heden! hoort naar zijn stem: 8 verhardt niet uw hart, als bij Meriba, als bij Massa, toen in de woestijn; 9 toen uw vaderen Mij hebben verzocht, Mij tartten – en nog zagen mijn daden!” (Psalmen 95:3-9 WV78)

“Want Gij zijt de Heer, souverein, boven heel de aarde verrijzend, hoog – alle goden te boven.” (Psalmen 97:9 WV78)

“Bevrijding schonk Hij zijn volk, schiep voor de eeuwigheid zijn verbond. Heilig, ontzagwekkend zijn naam!” (Psalmen 111:9 WV78)

“Ik belijd het: groot is de Heer, onze Heer – alle goden te boven.” (Psalmen 135:5 WV78)

“Groot is de Heer, hoog te loven, nooit is te doorgronden zijn grootheid.” (Psalmen 145:3 WV78)

“Maar Jahwe van de legerscharen wordt groot in zijn oordeel, in zijn gerechtigheid toont de heilige God zijn heiligheid.” (Jesaja 5:16 WV78)

“Zij riepen elkaar toe: ‘Heilig, heilig, heilig is Jahwe van de machten; al wat de aarde vult is zijn heerlijkheid.’” (Jesaja 6:3 WV78)

“Jahwe van de legerscharen moet gij als heilig beschouwen, alleen voor Hem moet gij vrezen en beducht zijn.” (Jesaja 8:13 WV78)

“Met wie zoudt gij God vergelijken en welke voorstelling zoudt gij u van Hem maken?” (Jesaja 40:18 WV78)

“Ik, Ik alleen ben Jahwe, en een redder buiten Mij is er niet.” (Jesaja 43:11 WV78)

“Weest niet beangst of radeloos: heb Ik het u niet van oudsher bekend gemaakt en verkondigd? Gij zijt mij getuigen: is er een god buiten Mij? Er is geen andere rots, Ik ken er geen!” (Jesaja 44:8 WV78)

“Want zo spreekt de Hoogverhevene, die troont voor eeuwig, wiens naam de Heilige is: ‘Ik ben de Heilige die woont in den hoge, maar ook in het geslagen en diep vernederd gemoed: Ik geef nieuw leven aan het vernederd gemoed, nieuw leven aan het geslagen hart.” (Jesaja 57:15 WV78)

“Iedereen moet U vrezen, koning van de volken; dat komt U toe. Onder de wijze mannen van volken en koninkrijken is niemand aan U gelijk,” (Jeremia 10:7 WV78)

“Als in een geurige gave zal Ik behagen in u scheppen, als Ik u heb weggeleid uit de volken en u heb samengebracht uit de landen waarover ge verstrooid zijt, en zo door u aan de volken getoond heb dat Ik de Heilige ben.” (Ezechiël 20:41 WV78)

“Ik zal voor mijn grote naam, die ontwijd is onder de volken, die door u onder hen ontwijd is, weer eerbied afdwingen en door u aan de volken tonen dat Ik de Heilige ben; zo zullen de volken erkennen dat Ik Jahwe ben, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.” (Ezechiël 36:23 WV78)

“Zo zal Ik mijn grootheid laten zien en tonen dat Ik de Heilige ben. Wanneer Ik Mij openbaar zullen alle volken erkennen dat Ik Jahwe ben..” (Ezechiël 38:23 WV78)

“De koning zei tot Daniel: ‘Waarlijk, uw God is de God der goden en de heer der koningen. Hij openbaart geheimen en daarom hebt u dit geheim kunnen ontsluieren.’” (Daniël 2:47 WV78)

“(3:5) Zo zal het gaan: alwie de naam van Jahwe aanroept, hij wordt gered, want op de berg Sion en in Jeruzalem daar zal de redding zijn, zoals Jahwe heeft gezegd. En degenen die door Jahwe worden geroepen, zij zijn het die ontkomen.” (Joël 2:32 WV78)

“Maar voorwaar, dan geef Ik mijn volk andere lippen, reine lippen, om allen de naam van Jahwe aan te roepen en Hem te dienen, zij aan zij.” (Sefanja 3:9 WV78)

“Gij moet daarom zo bidden: Onze Vader die in de hemel zijt, Uw Naam worde geheiligd;” (Mattheüs 6:9 WV78)

“Jezus antwoordde: ‘Waarom noemt ge Mij goed? Niemand is goed dan God alleen.” (Markus 10:18 WV78)

“omdat aan mij zijn wonderwerken deed Die machtig is, en heilig is zijn Naam.” (Lukas 1:49 WV78)

“God is geest, en wie Hem aanbidden moeten Hem in geest en waarheid aanbidden.’” (Johannes 4:24 WV78)

“1  Zo sprak Jezus. Toen sloeg Hij zijn ogen ten hemel en zei: ‘Vader, het uur is gekomen. Verheerlijk uw Zoon, opdat de Zoon U verheerlijke. 2 Gij hebt Hem immers macht gegeven over alle mensen om eeuwig leven te schenken aan allen die Gij Hem gegeven hebt. 3 En dit is het eeuwig leven, dat zij U kennen, de enige ware God en Hem die Gij hebt gezonden, Jezus Christus.” (Johannes 17:1-3 WV78)

“Ik heb uw Naam geopenbaard aan de mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. U behoorden ze toe; Mij hebt Gij ze gegeven en zij hebben uw woord onderhouden.” (Johannes 17:6 WV78)

“25 Rechtvaardige Vader, al heeft de wereld U niet erkend, Ik heb U erkend, en dezen hier hebben erkend dat Gij Mij gezonden hebt. 26 Uw naam heb Ik hun geopenbaard en Ik zal dit blijven doen, opdat de liefde waarmee Gij Mij hebt liefgehad, in hen moge zijn en Ik in hen.’” (Johannes 17:25-26 WV78)

“Dan zal het geschieden, dat ieder die de naam des Heren aanroept, gered zal worden.” (Handelingen 2:21 WV78)

“Van de schepping der wereld af wordt zijn onzichtbaar wezen door de rede in zijn werken aanschouwd, zijn eeuwige macht namelijk en zijn godheid. Daarom zijn zij niet te verontschuldigen.” (Romeinen 1:20 WV78)

“Want alwie de naam van de Heer aanroept zal gered worden.” (Romeinen 10:13 WV78)

“O onpeilbare rijkdom van Gods wijsheid en kennis! Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beslissingen, hoe onnaspeurlijk zijn wegen!” (Romeinen 11:33 WV78)

“4  Wat nu het eten van offervlees betreft, wij weten dat er in de hele wereld geen afgod bestaat en dat er geen God is behalve een. 5 Want al zijn er ook zogenaamde goden, hetzij in de hemel hetzij op aarde – en in deze zin zijn er ongetwijfeld goden en heren in menigte – 6 toch is er voor ons maar een God, de Vader, uit wie het al voortkomt en voor wie wij bestemd zijn, en een Heer, Jezus Christus, door wie het al bestaat en wij in het bijzonder.” (1 Corinthiërs 8:4-6 WV78)

“die steunt op het roemrijk evangelie van de gelukzalige God, dat mij is toevertrouwd.” (1 Timotheüs 1:11 WV78)

“Want God is een, een is ook de middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus,” (1 Timotheüs 2:5 WV78)

“Want Christus is niet het heiligdom binnengegaan dat, door mensenhanden gemaakt, slechts een symbool is van het waarachtige heiligdom; Hij is de hemel zelf binnengegaan om er nu, voor onze zaak, bij God present te zijn.” (Hebreeën 9:24 WV78)

“Zo hebben wij de liefde leren kennen die God voor ons heeft, en wij geloven in haar. God is liefde: wie in de liefde woont, woont in God en God is met hem.” (1 Johannes 4:16 WV78)

“En de vier dieren hadden elk zes vleugels; rondom en van binnen zijn zij met ogen bezet. En zij roepen zonder rusten dag en nacht: ‘Heilig, heilig, heilig, Heer, God, Albeheerser, die was en die is en die komt.’” (Openbaring 4:8 WV78)

“zeggend: ‘Wij danken u, Heer, God, Albeheerser, die zijt en die waart, dat Gij uw grote macht gegrepen en uw koningschap aanvaard hebt.” (Openbaring 11:17 WV78)

“En ik hoorde de stem van het altaar: ‘Ja, Heer, God, Albeheerser, waarachtig en rechtvaardig zijn uw oordelen.’” (Openbaring 16:7 WV78)

*

 

+

Voorgaand:

Bijbel, zwaard van de Geest in de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God om tot een volkomen mens te komen

Volgend:

El Shaddai Jehova der Abraham erschienen

El Shaddai ’Eternel et Dieu puissant Qui apparut à Abraham

El Shaddai Who appeared unto Abraham

++

God die Almagtige ’n Gees Wie geen mens kan sien en nogtans lewe nie

God die Almachtige Geest die geen mens kan zien

Allmächtige Gott denn kein Mensch wird leben, der Dich sieht

+++