Als de tijd ten einde loopt …… Slechts een klein deel gered

Als de tijd ten einde loopt …… Slechts een klein deel gered

Strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen, zeg Ik u,zullen trachten in te gaan, doch het niet kunnen.”(Lukas 13:24, NBG’51)

In Lukas 13:23 lezen we hoe iemand Jezus vraagt:

Heer, zijn er maar weinigen die worden gered? En zijn antwoord is:
“Doe alle moeite om door de smalle deur naar binnen te gaan, want velen, zeg ik jullie, zullen proberen naar binnen te gaan maar er niet in slagen.”

Al geeft Jezus geen direct antwoord op de vraag, voor de goede lezer is het zonneklaar wat dat antwoord is:

‘Ja, het zijn weinigen’.

Maar zijn nadruk ligt op de moeite die je moet doen om daartoe te behoren. In de bergrede vinden we dit principe wat uitgebreider:

“Ga door de nauwe poort naar binnen. Want de brede weg, die velen volgen, en de ruime poort, waar velen door naar binnen gaan, leiden naar de ondergang. Nauw is de poort naar het leven, en smal de weg ernaartoe, en slechts weinigen weten die te vinden.” (Matt. 7:13-14).

Hier is het antwoord in elk geval glashelder:

velen zullen de makkelijke maar verkeerde weg volgen, en slechts weinigen de moeilijke maar goede weg.

De brede weg

Dit gaat niet over atheïsten. Ook wie de brede weg bewandelen beschouwen zichzelf als goede volgelingen van hun heer. Nogmaals Lukas en Matteüs:

“Jullie zullen zeggen: We hebben in uw bijzijn gegeten en gedronken en u hebt in onze straten onderricht gegeven. Maar hij zal tegen jullie zeggen:
Ik ken jullie niet … Weg met jullie, rechtsverkrachters!” (Luk. 13:26-27).

“(Bij het oordeel) zullen velen tegen mij zeggen:
“Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, hebben wij niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet vele wonderen verricht in uw naam?”
En danzal ik hun rechtuit zeggen:
“Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, wetsverkrachters!” (Matt. 7:21-23)

Zij zullen er bij het oordeel op wijzen dat zij vertrouwelijke omgang met hem hebben gehad, dat zij tot zijn ‘volk’ behoorden (in hun straten onderricht gegeven), dat zijzelf in zijn naam actief zijn geweest. En het antwoord zal zijn dat zij in werkelijkheid in dat alles tekort zijn geschoten, dat hij hen zelfs nooit gekend heeft. En hij noemt ze wetsverkrachters. Het Grieks is ‘wettelozen’, wat praktisch ‘goddelozen’ betekent.

Het gaat er dus niet om of je ‘lid’ bent van een bepaalde groep (welke dan ook). Behoudenis is er niet op zo’n basis. En ook niet om of je allerlei voorschriften in acht neemt. Natuurlijk: wie (bewust, of alleen maar uit gebrek aan interesse) Gods voorschriften overtreedt, is een zondaar en wordt niet behouden. Maar je kunt dat niet omdraaien en stellen dat wie ze in acht neemt dus ook behouden wordt. Ook niet wanneer je, uit geloofsijver, die voorschriften nog aanvult met allerlei extraatjes. De Farizeeën waren daar goed in, maar kregen daarvoor weinig applaus van Jezus. En het gaat er ook niet om of je allerlei superieure kennis bezit, of een ongeëvenaarde diepte van inzicht. Kennis en inzicht zijn hooguit gereedschappen: je moet ze gebruiken om er iets mee te bereiken. Wie ze niet gebruikt heeft er geen nut van.

De smalle weg

Waar gaat het dan wel om?

Om onze gezindheid, onze mentaliteit, in Bijbelse taal soms aangeduid als onze ‘geest’. Paulus spoort zijn bekeerlingen aan met:

“Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had” (Fil. 2:5).

Het Griekse woord voor ‘gezindheid’ is phronèma, dat duidt op een wijze van denken. De grondbetekenis is ‘plan’ of ‘besluit’, en het is afgeleid van phronis, inzicht. Verwante woorden zijn phronimos, bij zijn verstand, en phroneō, iets van plan zijn, met de bijbetekenis van: dat met alle inspanning willen verwezenlijken. Dit beschrijft een mens die ‘bij zijn volle verstand’ tot een bepaald inzicht is gekomen, op grond van dat inzicht een ideaal voor ogen heeft, en dat ideaal nu met inzet van al zijn vermogens tracht te verwezenlijken. Paulus gebruikt dit begrip regelmatig in zijn brieven, waarbij hij de gezindheid die de mens van nature (‘naar het vlees’) heeft, plaatst tegenover de gezindheid van de gelovige (‘naar de Geest’):

“… die naar het vlees zijn, hebben de gezindheid van het vlees, en zij, dienaar de Geest zijn, hebben de gezindheid van de Geest.” (Rom. 8:5, NBG’51)

Die gezindheid van de (Heilige) Geest noemt hij enkele verzen verderop achtereenvolgens de gezindheid van God en de gezindheid van Christus. Alleen gebruikt hij daar niet dat woord phronèma, maar het woord pneuma, geest. Vertalers laten zich daarom vaak verleiden dat op te vatten als de Heilige Geest en schrijven het dan met een hoofdletter (in het Grieks staan geen hoofdletters). Maar dan zie je over het hoofd dat Paulus dat woord ‘geest’ vaak gebruikt in precies die zin van mentaliteit, gezindheid:

“U was dood door de misstappen en zonden waarmee u de weg ging van de god van deze wereld … de geest die nu werkzaam is in hen die God ongehoorzaam zijn” (Efez 2:1-2).

En die ‘geest’ beschrijft hij dan zo:

“Net als zij lieten ook wij allen ons eens beheersen door onze wereldse begeerten, wij volgden alle zelfzuchtige verlangens en gedachten die in ons opkwamen en stonden van nature bloot aan Gods toorn, net als ieder ander.” (vs 3)

Ook hier gaat het om onze oorspronkelijke menselijke natuur tegenover de ‘gezindheid van Christus’. Zoals hij aan de gemeente te Kolosse schrijft:

“Richt u [phroneō: richt uw gezindheid] op wat boven is, niet op wat op aarde is” (Kol. 3:2).

Voortdurend lezen we dat wij onze natuurlijke, menselijke, wereldse, aards-gezinde mentaliteit moeten vervangen door de gezindheid van Christus. En die ‘gezindheid van Christus’ is dan ofwel de gezindheid die zich richt op (God en) Christus, of de gezindheid die Christus zelf toonde in zijn totale gehoorzaamheid aan de Vader. Of, waarschijnlijker nog: beide.

Die weg gaan

Die neiging dat woord geest op te vatten als Gods Geest i.p.v. als onze gezindheid, is niet alleen maar een verschil in interpretatie van een stukje Grieks. Velen hebben in deze tijd de neiging hun behoudenis te zien als iets dat God aan hen doet zonder veel (of zelfs geheel zonder enige) inbreng van hun kant. Extreem gesteld: je wacht tot God je zijn Geest wil schenken, en als Hij dat doet, ben je wedergeboren, en daarmee behouden. Maar Paulus’ argument is nu juist dat je met inspanning van al je vermogens die gezindheid moet ontwikkelen. Weliswaar heeft Jezus ons daarbij zijn hulp en steun beloofd, en op die hulp mogen we daarom rekenen. Maar hulp betekent toch altijd dat het initiatief bij ons ligt, niet dat een ander het wel voor ons doet. We moeten vóór alles laten zien dat het dienen van God ons hoogste streven is. Want dat was waar Paulus het over had in zijn brief aan de gemeente te Filippi:

“Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die: … degestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en … Zich heeft vernederd en gehoorzaam is geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.”(Fil. 2:5-8, NBG’51)

Hij beschrijft hier niet een gezindheid van lijdzaam afwachten, maar van actief bezig zijn (namelijk met zich dienstbaar te maken aan de Vader), van gehoorzaamheid en van opoffering, tot in de uiterste consequenties. En dat is ook de gezindheid die Jezus voor ogen stond, toen hij het tegenover Nicodemus had over dat wedergeboren worden (Joh 3:3).

Wedergeboren worden

Wedergeboren worden betekent: een zó radicale verandering in je leven aanbrengen dat het lijkt alsof daar een totaal nieuwe mens staat. En dat kan alleen maar betekenen dat je een totaal nieuw streven (phronèma) navolgt, een totaal nieuw doel voor ogen hebt. En ja, hij zegt in dat verband dat je moet worden wedergeboren door de (Heilige) Geest. Want die gezindheid kun je, als mens, uit jezelf niet zomaar ontwikkelen; daar heb je Gods hulp bij nodig. Maar opnieuw: we moeten zelf de eerste stappen zetten, en vervolgens ook op die weg blijven doorgaan.
De smalle weg gaan, betekent, hoe dan ook, dat we die zelf (als hetware te voet!) moeten afleggen, niet dat we kunnen gaan zitten wachten op Gods taxi. Dáár ligt dus ook de oorsprong van Paulus’ denken. In zijn brief aan Efeze schrijft hij (en let ook op de connecties met geest en gezindheid):

“U hebt toch over hem gehoord, u hebt toch onderricht over hem gekregen? Door Jezus wordt duidelijk dat u uw vroegere levenswandel moet opgevenen de oude mens, die te gronde gaat aan bedrieglijke begeerten, moet afleggen, dat uw geest en uw denken voortdurend vernieuwd moeten wordenen dat u de nieuwe mens moet aantrekken, die naar Gods wil geschapenis.” (Efez. 4:21-24).

Die nieuwe mens is wel naar Gods wil geschapen, maar wij moeten die zelf (als een nieuw kledingstuk) aandoen. En wij zelf moeten daartoe eerst onze oude levenswandel opgeven, en die ‘oude mens’ afleggen (uitdoen). En dat moeten we doen met inspanning van al onze vermogens.

Strijdt om in te gaan

Ja, het zijn weinigen die behouden worden. Maar de vraag of het er veel of weinig zouden zijn, was de verkeerde vraag.

De vraag had moeten zijn:

wat moet ik doen om behouden te worden?

En het antwoord daarop was:

“Strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen, zeg Ik u, zullen trachten in te gaan, doch het niet kunnen” (NBG’51).

Dat woord strijden heeft niets te maken met oorlog voeren; het beschrijft het deelnemen aan een wedstrijd. Bij wedstrijden is er maar één winnaar: hij die meer heeft gepresteerd dan alle andere deelnemers. Paulus zegt daarover:

“Weet u niet dat van de atleten die in het stadion een wedloop houden er maar één de prijs kan winnen?
Ren als de atleet die wint. Iedereen die aan een wedstrijd deelneemt beheerst zich in alles; atleten doen het voor een vergankelijke erekrans, wij echter voor een onvergankelijke.” (1 Kor 9:24-25)

Zijn waarschuwing is niet dat er ook in deze (wed)strijd maar één winnaar zal zijn, maar wel dat alleen zij die hun aller-uiterste best doen zo’n erekrans zullen ontvangen. En daar valt helaas nog altijd niets op af te dingen.

R.C.R.

 

+

Voorgaand

  1. Bijbels geloof en heidense filosofie
  2. Als de tijd ten einde loopt …… Vragen naar het goede
  3. Als de tijd ten einde loopt … De geest van Nimrod
  4. Fundamenten van het Geloof 6: Beproeving van het geloof

Schepping, intelligent design, evolutie – Ontstaan en ontwikkeling van het leven op aarde (2)

Schepping, intelligent design, evolutie – Ontstaan en ontwikkeling van het leven op aarde (2)

Bijbel en Wetenschap – Geloof en onderzoek – een wetenschappelijke benadering

We hebben in het eerste deel van dit artikel al even gekeken naar de vermeende tegenstelling tussen schepping en evolutie, en daarbij geconstateerd dat het ene gaat over ontstaan en het andere over ontwikkeling. Maar wat zijn dan toch de punten die veel christenen doen menen een tegenstelling te zien?

Conflicterende tijdschalen?

Zwarte gaten en sterren

Wel, allereerst is er de tijdschaal. Veel bijbelgetrouwe christenen menen dat we uit Genesis 1 moeten opmaken dat de schepping zich heeft afgespeeld in 6 dagen van 24 uur. En dat op de zesde dag Adam is geschapen. Wanneer je vervolgens de leeftijden in de geslachtsregisters van Genesis 5 en 11 optelt, kom je voor de geboorte van Abraham uit op 1948 jaar na de schepping. En we weten dat Abraham rond 2000 v.Chr. leefde, dus kan de aarde volgens deze opvatting niet ouder kan zijn dan ca. 6000 jaar. De Engelse bisschop Usher berekende de schepping dan ook op exact 4004 v. Chr. (hij wist dit zelfs op de dag af te vermelden, maar dat vindt je in moderne opgaven niet meer terug). Anderzijds gaat de moderne wetenschap er van uit dat het heelal nu zo’n 13,7 miljard jaar oud is, dat onze aarde zo’n 4,5 miljard jaar oud is, dat het leven daarop zo’n 3,5 miljard jaar geleden is ontstaan en dierlijk leven ca. 0,5 miljard jaar geleden. Dat maakt het heelal ruim 2 miljoen maal zo oud als in bovenstaande opvatting, en dierlijk leven altijd nog bijna 100.000 maal zo oud. Dat zijn zeer grote verschillen. Daarnaast lijkt de bijbeltekst ons te vertellen dat elke levenssoort apart door God is geschapen, terwijl de evolutieleer er op neerkomt dat alle leven op aarde is ontstaan uit één enkele oervorm.

Jonge aarde versus oude aarde

We zitten dus uiteindelijk met twee conflictpunten: de tijdschaal en de mate van Gods bemoeienis met het ontstaan van de verschillende levensvormen. Aan de ene kant zijn er de creationisten die geloven in een volledige stap voor stap bemoeienis van God met het proces, en in een jonge aarde. Aan de andere kant zijn er de evolutionisten die geloven in een universele evolutie,
en in een oude aarde Maar strikt genomen gaat het daarbij om twee verschillende aspecten, al is het wel zo dat een universele evolutie noodzakelijkerwijs veel tijd vergt, en daarom niet valt te combineren met de gedachte van een jonge aarde. Maar de gedachte van een schepping valt wel degelijk te combineren met een oude aarde. En het is daarom op zijn minst misleidend om de theorie van een universele evolutie te ‘bestrijden’ met het argument van de leeftijd van de aarde. Toch gebeurt dat op grote
schaal.
Die overtuiging van een jonge aarde is echter volledig gebaseerd op de regelmatig terugkerende zin in Genesis 1:

“Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste (tweede, derde, enz) dag.”

Maar in feite weten we niet precies wat deze uitdrukking ons wil vertellen. Hierover zijn in de loop van de tijd de volgende opvattingen verkondigd:

  • Het voorafgaande (de beschreven scheppingsdaad of -daden) heeft zich afgespeeld gedurende de voorafgaande 24 uur.
  • Het voorafgaande is gedurende die dag geopenbaard aan Mozes (die het vervolgens heeft opgeschreven in het boek Genesis).
  • Het voorafgaande is gedurende de voorafgaande avond bij wijze van instructie geopenbaard aan Adam (die het mondeling of op schrift heeft doorgegeven aan zijn nakomelingen).
  • Het geheel is een ‘dramatische’ voorstelling van Gods werk. Zo’n dramatische voorstelling vinden we bijvoorbeeld ook in 1 Koningen 22:19-22, en in de eerste twee hoofdstukken van het boek Job. Het geeft ons een ‘gedramatiseerd’ verslag dat de essentie beschrijft, maar geen objectieve werkelijkheid.

Het is hier niet de plaats om het voor en tegen van elk van deze suggesties te bespreken, maar het is goed om te beseffen dat we alleen in het eerste geval kunnen beredeneren dat er dan sprake moet zijn van een jonge aarde; in de andere gevallen weten we daar eenvoudig niets over. Het betekent dat we voorzichtig moeten zijn dit argument te gebruiken zolang we niet zeker weten of de Bijbel ons dat wil vertellen.

De kernvraag: hoe of waarom geschapen?

De fout die iedereen lijkt te maken, is Genesis 1 te lezen als een beschrijving van hoe God de aarde heeft geschapen. Maar voor onze behoudenis hoeven we dat helemaal niet te weten. Bovendien gaat het hoofdstuk niet over de schepping (die staat alleen als feit vermeld in vers 1), maar over het bewoonbaar maken van de aarde, die in eerste instantie nog woest (onbruikbaar) en leeg was. Wat dit hoofdstuk ons in werkelijkheid wil leren is waarom God de aarde stap voor stap bewoonbaar heeft gemaakt, zoals Jesaja ons duidelijk vertelt (Jesaja 45:18, waar datzelfde woord ‘woest’ is vertaald als ‘baaierd’). Daarom is het enige dat we zeker weten, het feit dat God er, hoe dan ook, voor gezorgd heeft dat de aarde zo werd als Hij die wilde hebben, en dat er die schepselen op kwamen te wonen die Hij daar wilde hebben. Hoe Hij dat heeft gedaan is niet van belang. En dus is elke discussie daarover een verspilling van tijd.

Overeenkomsten en verschillen tussen mensen en dieren

In feite vertelt Genesis 1 ons ook dat de mens in essentie bestaat uit dezelfde aardse materie waar ook de dieren uit bestaan: beide zijn geformeerd uit het ‘stof van de aardbodem’ (afar = aardse materie) en zijn zo geworden tot een levend wezen (nefesj), in leven gehouden door Gods levensadem (ruach). Het enige dat de mens van de dieren onderscheidt is zijn vermogen om God te kennen, en Hem dus bewust te dienen. Maar de mens die dat inzicht niet heeft, beschrijft de Schrift inderdaad als niet meer dan een dier. En dan is een beschrijving van die mens als een wat ‘opgepoetste’ aap niet eens zo ver bezijden de
waarheid. Het enige dat we zeker weten, is dat we door ons moreel inzicht van oorsprong een duidelijke meerwaarde hebben ten opzichte van de dieren, en dat wij van onze kant dan ook de plicht hebben met die meerwaarde iets te doen, namelijk God dienen.

We moeten dus concluderen dat de discussie tussen creationisten en evolutionisten in feite gaat over (bijbels gezien) niet van belang zijnde aspecten, die de aandacht slechts afleiden van waar het wel om gaat.

R.C.R

+

Voorgaande:

Wetenschap en religie zijn met elkaar te rijmen

Wetenschappers, filosofen hun zeggen, geloven en waarheden

Bijbel en Wetenschap – Geloof en onderzoek een wetenschappelijke benadering – Schepping, intelligent design, evolutie – Ontstaan en ontwikkeling van het leven op aarde (1)

++

Aanvullend

  1. Taal van de Bijbel onder ogen zien
  2. Begin van leven op aard: schepping of evolutie
  3. Ontstaan van het lineaire denken
  4. Kosmos, Schepper en Menselijk Lot
  5. Het begin van alles
  6. Van chaos naar ordelijkheid
  7. De Schepper achter eerste levende wezens
  8. EO-directie: ‘Wij geloven in God als Schepper’

+++

Gerelateerd

  1. Dhatu 5: Sunyata – De Leegte
  2. Terug naar de zee!
  3. God-Hypothesis: …in the Details
  4. Life aand Living Forms Present a Problem for Materialism but not for Biblical Theism
  5. Treadmills: Proof of Intelligent Design
  6. Mimicking a Neural Network–an exercise in Intelligent Design?
  7. Creationist Wisdom #896: Is There Any Hope?