Zij heeft gedaan wat zij kon

Lof van Christus ontvangen is een rijke beloning. Sommigen hebben die al verdiend en gekregen.

Anderen hebben het nederig vertrouwen dat zij die krijgen wanneer zij zullen staan.

*

Onder hen die van de Meester lof ontvingen toen hij op aarde leefde was Maria, de zuster van Lazarus.
Hun huis in Betanië onderscheidt zich in de evangeliën als de enige plek waar Jezus liefde en een ware
verkwikking van lichaam en geest kon vinden. De deuren stonden altijd voor hem open en hij vond daar
vrede en rust. Is het dan verwonderlijk dat er staat geschreven:

“Jezus had nu Marta en haar zuster (Maria) en Lazarus lief” (Johannes 11:5)?

Tot deze haven van rust kwam Jezus aan het begin van die drukke week die zou eindigen in zijn foltering en kruisiging. Hij wist heel goed wat hem te wachten stond:

“Hoe beklemt het mij, totdat het volbracht is” (Lucas 12:50).

File:Zimmermann Christus bei Maria und Martha.jpg

Jezus op bezoek bij Maria en Marta – Christus bei Maria und Martha. 1836 – Standort des Gemäldes: Sakristei der St. Marienkirche in Pirna

Wat is het een troost te weten dat hij, tijdens die laatste dagen en nachten voor zijn lijden, in dat huis in Betanië door vrienden ontvangen en verzorgd werd. Wij lezen dat zij op de sabbatsnacht van die week voor hem een maaltijd aanrichtten; waarschijnlijk het gewone feest in een Joods huishouden ter afsluiting van de sabbat. Marta bekleedde haar gebruikelijke rol van gastvrouw en hield zich druk bezig met het bereiden van de maaltijd. Maria heette de meester op een andere manier welkom: zij nam een albasten kruik vol echte, kostbare nardusmirre, en zalfde zijn voeten terwijl hij aan de tafel aanlag. Beide zusters hebben Jezus gediend. Marta zorgde met haar huishoudelijke vaardigheden rijkelijk voor zijn lichamelijke noden.

De dienst van Maria was van een andere aard en lag op een ander niveau. Had zij een voorgevoel waarop zijn bezoek deze keer zou uitlopen? Zag zij de dreigende tragedie van Golgota al opdoemen? Jezus’ commentaar op haar liefdesdaad lijkt dit te steunen:

“Zij heeft gedaan, wat zij kon; van tevoren heeft zij mijn lichaam gezalfd voor de begrafenis” (Marcus 14:8).

Maar welke gedachte deze grote daad van toewijding ook geïnspireerd zou kunnen hebben, deed deze wel de veroordeling van sommigen van de aanwezigen op haar hoofd neerkomen. Mattheüs vertelt,

“De discipelen … waren verontwaardigd en zeiden: Waartoe die verkwisting?”.

Maar Johannes openbaart de oorsprong van deze onbarmhartige veroordeling, wanneer hij zegt dat het de stem van Judas Iskariot, de toekomstige verrader, was wiens stem zich tegen deze vermeende verkwisting verhief:

“Waarom is deze mirre niet voor driehonderd schellingen verkocht en aan de armen gegeven?”

Met het daarop vernietigende commentaar van Johannes:

“Maar dit zei hij niet, omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was en als beheerder van de kas de inkomsten wegnam” (Johannes 12:5-6).

Er wordt met geen woord gerept over verontwaardiging bij de discipelen over de bediening van Marta! Het feest van lekkernijen riep helemaal geen kritiek op! Zelfs Judas kon die waarderen. Maar de dienst van Maria – minder duidelijk in bedoeling en meer geestelijk van aard – wordt zelfs door sommigen uit de ‘intieme kring’ van de discipelen als verkwisting veroordeeld! Hoe bemoedigend moet dan voor Maria het antwoord van Jezus zijn geweest:

“laat haar begaan; waarom valt u haar lastig?
Zij heeft een grote daad aan Mij verricht…Voorwaar, Ik zeg u, overal waar het evangelie verkondigd zal worden, over de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft” (Marcus 14:6,9).

Het verslag in Marcus voegt dan die betekenisvolle woorden toe aan de lof van de Meester:

“Zij heeft gedaan, wat zij kon” (vers 8).

Dat werpt een interessant licht op de bediening door Maria, en op het gezichtspunt van waaruit Christus die beoordeelde. Wij zouden misschien gemeend hebben dat Maria’s gave van kostbare nardusmirre en haar toewijding aan Jezus van zulk een
overtreffende aard was, dat enige suggestie van beperktheid daarvan uitgesloten is. Schuilt er in de woorden van Marcus echter niet een aanwijzing dat het verlangen van Maria om Christus te dienen ver uitsteeg boven haar gave op zich? Het verlangen te dienen, en de gelegenheid daartoe, kunnen toch twee verschillende dingen zijn. Het gevaar voor iedere discipel schuilt hierin dat wij, wanneer wij niet ten volle kunnen dienen, zouden kunnen vervallen in moedeloze passiviteit. Maria heeft die fout niet gemaakt, zij heeft gedaan wat zij kon. Christus aanvaardde en prees haar bediening, al waren sommigen snel om die te veroordelen.

“Zij heeft gedaan wat zij kon”.

Ligt er niet een les voor ons in deze woorden van de Meester? Wachten wij op de grote gelegenheid? Beperken we ons tot een mate van dienstbaarheid die met onze gevoelens van toewijding aan Christus overeenkomt? Zo ja, dan missen wij misschien vele gelegenheden ‘kleinere’ diensten te bewijzen, die voor Christus acceptabel en lovenswaardig zijn. Zijn oordeel op de grote dag van de afrekening zou ons dan kunnen verbazen, zoals bij de discipelen in dat huis te Betanië het geval was.
Er zal voor ons geen grotere teleurstelling denkbaar zijn, dan het besef dat wij de lof van de Meester missen, omdat wij de gelegenheden hem te dienen niet gebruikt hebben.

++

Lees ook:

  1. Het begin van Jezus #12 Gezalfd na Johannes de Doper
  2. Zalving van Christus als profetische repetitie van de begrafenisrituelen
  3. Zalving als teken van verhoging
Advertisements

Vier redenen vóór de opstanding

Aansluitend met onze artikelen over religie en wetenschap vallen de zienswijze op de vele wonderen die er zijn gebeurd in de Bijbel onder ogen te nemen. Eén van de vreemdste daarbij zijn de opstanding van Jezus, die dan nog een tijdje, na zijn dood door meerdere mensen kon gezien worden, maar na het opgaan in de hemel, gezien door zijn apostelen, heeft niemand hem dan nog gezien.

.

Dat er geen bovennatuurlijke oorzaken zouden kunnen zijn kan alom tegen gesproken door de vele dingen die wij kunnen waarnemen in de natuur maar niet kunnen verklaren.

.

Het verdwijnen van Jezus zijn lichaam kwam eigenlijk niemand ten goede. De soldaten bewaakten het graf, zodat het lichaam niet zou kunnen gestolen worden. Toen zij echter zelf konden vast stellen dat Jezus op een onwaarschijnlijke manier uit het graf verdwenen was gingen enkelen van die mannen naar de leidende priesters. Zij vertelden wat er was gebeurd en de Hoge Raad werd onmiddellijk bijeengeroepen. Ze besloten de bewakers om te kopen en te laten zeggen dat ze in slaap waren gevallen. Daardoor hadden de discipelen van Jezus zijn lichaam kunnen weghalen. De bewakers namen de steekpenningen aan en deden wat hun was opgedragen. Zo is dit verhaal onder de Joden ontstaan. En zij geloven het nu nog steeds.

Zelfs onder de apostelen was er twijfel en zij geloofden eerst niet dat Jezus lichaam weg was uit het graf, want zij waren er van overtuigd dat Jezus er in opgeborgen was en goed bewaakt werd. Zonder aarzeling lieten zij ook hun twijfel over het verdwijnen van Jezus weten. Verscheidene moesten er van overtuigd worden door Jezus dat hij het werkelijk was die aan hen verscheen.

.

“11  Terwijl de vrouwen onderweg waren, gingen enkele van de bewakers naar de stad. Daar vertelden ze de hogepriesters alles wat er gebeurd was. 12 Die vergaderden met de oudsten en besloten de soldaten een flinke som geld te geven 13 en hun op te dragen: ‘Zeg maar: “Zijn leerlingen zijn ‘s nachts gekomen en hebben hem heimelijk weggehaald terwijl wij sliepen.” 14 En mocht dit de prefect ter ore komen, dan zullen wij hem wel bepraten en ervoor zorgen dat jullie buiten schot blijven.’ 15 Ze namen het geld aan en deden zoals hun was opgedragen. En tot op de dag van vandaag doet dit verhaal onder de Joden de ronde.” (Mattheüs 28:11-15 NBV)

+

“16 De elf leerlingen gingen naar Galilea, naar de berg waar Jezus hen had onderricht, 17 en toen ze hem zagen bewezen ze hem eer, al twijfelden enkelen nog.” (Mattheüs 28:16-17 NBV)

.

De volgelingen hadden gezien wat met hun meester was gedaan en waren bang ook zulk een dood tegemoet te gaan indien zij als volgeling zouden herkend worden. Bevend van schrik en helemaal overstuur waren de vrouwen, waaronder  Maria van Magdala, het graf uit gerend en durfden er met niemand over praten. Maar toen de Emmaus gangers er over vertelden waren de apostelen met verstomming en ongeloof geslagen.

“1  Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria uit Magdala en Maria de moeder van Jakobus, en Salome geurige olie om hem te balsemen. 2 Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf. 3 Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?’ 4 Maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold; het was een heel grote steen. 5 Toen ze het graf binnengingen, zagen ze rechts een in het wit geklede jongeman zitten. Ze schrokken vreselijk. 6 Maar hij zei tegen hen: ‘Wees niet bang. U zoekt Jezus, de man uit Nazaret die gekruisigd is. Hij is opgewekt uit de dood, hij is niet hier; kijk, dat is de plaats waar hij was neergelegd. 7 Ga terug en zeg tegen zijn leerlingen en tegen Petrus: “Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie heeft gezegd.”’ 8 Ze gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden.” (Markus 16:1-8 NBV)

+

“13 Ze gingen terug en vertelden het aan de anderen; maar ook zij werden niet geloofd. 14 Ten slotte verscheen hij aan de elf terwijl ze aan het eten waren, en hij verweet hun hun ongeloof en halsstarrigheid, omdat ze geen geloof hadden geschonken aan degenen die hem hadden gezien nadat hij uit de dood was opgewekt.” (Markus 16:13-14 NBV)

+

“3 Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, 4 dat hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, 5 en dat hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen. 6 Daarna is hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters tegelijk, van wie er enkelen gestorven zijn, maar de meesten nu nog leven.” (1 Corinthiërs 15:3-6 NBV)

.

De broer van Jezus, Jakobus had ook eerst niet veel gevonden van zijn oudste broer en had ook eerst gespot met hem en zijn volgelingen. Maar na die bijzondere gebeurtenissen kon hij niet anders geloven dan in die wonderbaarlijke onverklaarbare gebeurtenissen.

“Ook zijn broers geloofden namelijk niet in hem.” (Johannes 7:5 NBV)

Jakobus kwam ook tot de overtuiging dat zijn broer de gezondene van God was, die de enige weg tot de Almachtige God was voor alle mensen. (Johannes 14:6) De geschiedschrijver Josephus noteerde in zijn boeken dat ook dit lid van de familie uit de stam van koning David de dood door mensen aangebracht moest ondergaan. Op bevel van Anais, de hogepriester werd hij gestenigd, omdat hij bleef verkondigen dat Jezus de zoon van God was die opgestaan was uit de dood. Indien dat niet de waarheid was, wie zou er dan voor willen sterven na lange martelingen? En er werden velen gemarteld en er werden velen er toe verleid om in te gaan op een afkoopsom om te vertellen dat het niet waar was maar dat de volgelingen van Jezus het lichaam weg hadden genomen.

.

Jezus had een bijzonder voorbeeldig leven geleid en wenste dat zijn volgelingen dat ook deden. Hij wenste ook dat niemand leugens zou vertellen en altijd het goede met de anderen zouden voor hebben. Hoe zou dan zulk een leugen te rijmen geweest zijn met het hoge zedelijke peil dat Jezus van hen verwachtte?

.

Michael Green merkt over de opstanding op:

“Dat was het geloof dat verslagen volgelingen van een gekruisigde rabbi veranderde in moedige getuigen en martelaren van de jonge kerk”

Zonder zulk een echt wonder kan men onder grote martelingen niet echt stand houden en zou de gemeenschap van volgelingen van die erg gehate rabbi, niet zo snel hebben kunnen uitgroeien. De vele getuigen waren spreekbuizen, die indien zulke dingen niet zouden gebeurd zijn makkelijk en snel zouden terug gefloten zijn.

.

“40 en riepen de apostelen weer binnen. Ze lieten hen geselen, bevalen hun de naam van Jezus niet meer te gebruiken en lieten hen vrij. 41 De apostelen verlieten het Sanhedrin, verheugd dat ze waardig bevonden waren deze vernedering te ondergaan omwille van de naam van Jezus. 42 Ze bleven dagelijks onderricht geven in de tempel of bij iemand thuis en gingen door met het verkondigen van het goede nieuws dat Jezus de messias is.” (Handelingen 5:40-42 NBV)

Eerst enorme ‘broekschijters’ waren zij nu enorm moedige mannen geworden, standvastig tot de dood toe. Velen bezegelden hun getuigenis met bloed. Simon Greenleaf (destijds hoogleraar in de rechten aan Harvard University), die er jarenlang een college over gaf hoe men een getuigenis moet ontzenuwen en bepalen of een getuige liegt of niet, kwam tot deze conclusie:

.

“In de geschiedenis van de militaire oorlogvoering is haast geen voorbeeld te vinden van een dergelijke heldhaftige standvastigheid, lijdzaamheid en onverschrokken moed. Ze hadden alle reden om de grondslagen van hun geloof nauwkeurig te heroverwegen, evenals de bewijzen van de feiten en waarheden die zij verkondigden.” (Simon Greenleaf, an Examination of the Testimony of the Four Evangelists by the rules of Evidence Administered in the Courts of Justice)

+

Lees ook:

  1. Dagelijkse schoonheid
  2. Jezus moest sterven
  3. Jezus is verrezen
  4. Christus is waarlijk opgestaan uit de dood
  5. Hoe zullen de doden weer levend gemaakt worden?
  6. Alles zal worden opgeslorpt door de overwinning van het goede
  7. Wederopstanding, ook van huisdieren
  8. De hoop op leven
  9. Opdracht tot getuigenis

+++