Fundamenten van het Geloof 11 Christus, de door God gezonden Verlosser

Gelooft u het getuigenis van God, zijn Zoon en zijn dienaren?

God beloofde de Verlosser te zijn van wie geloven. In Genesis maakte Hij al duidelijk dat de mens betrokken is bij de tot standkoming van zijn verlossing:

“En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit (zaad van de vrouw) zal u (slang) de kop vermorzelen en u (slang) zult het de hiel vermorzelen” (Genesis 3:15)

God had voorzien in een nakomeling die een einde zou maken aan de slang, het symbool voor vijandige mensen die Gods kinderen af proberen te houden van eeuwig leven, door hen te verleiden tot zonde. In verband met de gevolgen daarvan deed God een verstrekkende belofte aan Abraham:

“… uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit nemen. En met uwnageslacht zullen alle volken gezegend worden …” (Genesis 22:16-18)

De apostel Paulus legde in de brief aan de Galaten uit, dat deze beloften aan Abraham in eerste instantie in enkelvoud bedoeld was. Ze hebben betrekking op een bepaalde mens, die uit hem voortkwam:

Christus Jezus (3:16).

Het punt in zijn redenering is, dat ieder mens die in hem gelooft, deel krijgt aan de beloften aan Abraham. Wat betrekking had op de ene mens, Christus Jezus, de ware Zoon van God, krijgt zijn vervulling in veel meer zonen:

“Want u bent allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus … Indien u nu van Christus bent, dan bent u zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.” (Galaten 3:26-29)

Deze beloften werden niet alleen aan het nageslacht van Abraham gegeven, maar ook aan hem persoonlijk. Hij is echter op de door God bepaalde tijd gestorven en tot stof vergaan. Hij is de poort van het dodenrijk (zie Matth.16:16) binnengegaan en is nu in de macht van zijn grootste vijand: de wrede koning dood. Dit houdt in dat God zijn beloften aan hem alleen kan vervullen door hem uit de doden op te wekken (vergelijk Hebr. 11:17-19).

Jezus bewees de noodzaak van de opstanding van Abraham, toen hij wees op het feit dat God in tegenwoordige tijd en niet in verleden tijd tegen Mozes zei, dat Hij de God van Abraham is (Matth. 22:31-33). De belofte aan hem was dat zijn nageslacht de poort van zijn vijanden in bezit zou nemen. In de praktijk van die tijd hield dit in,  dat je de vijand had verslagen en bepaalde wie de stad in mocht en en wie de stad uit moesten gaan. In de belofte aan Abraham betekent het dat de vijanden van God en zijn kinderen zijn verslagen, en dat het beloofde Koninkrijk is gekomen. De nieuwe Koning bepaalt niet alleen wie dat Koninkrijk binnengaan, maar ook het voormalige rijk van koning dood in en uitgaan. De heer Jezus Christus zei over zichzelf:

“… Ik ben dood geweest, en zie Ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en Ik hebde sleutels van de dood en het dodenrijk.” (Openbaring 1:17-18)

Dat hij dood is geweest, houdt in dat hij ook zelf eerst uit de dood bevrijd moest worden:

“… daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft; de dood voert geen heerschappij meer over Hem.” (Romeinen 6:9)

Hij is het domein van de sterkste vijand van de mens binnengegaan en, omdat hij weer levend werd gemaakt door zijn God en Vader, kon hij de poort van binnenuit openen, om allen die in het geloof gestorven zijn en daar machteloos liggen, daaruit te bevrijden. Het beeld van de bevrijding van de ballingen uit Babel, in het boek van de profeet Jesaja, past ook goed bij de verlossing van de zonde en de dood, zoals deze in het NT wordt voorgesteld:

“Kan aan een sterke de buit ontnomen worden, of zullen de gevangenen van hem die in zijn recht is, ontkomen? Maar zo zegt de HERE:

Toch worden de gevangenen aan een sterke ontnomen, en ontkomt de buit een geweldige … Ik zelf zal uw zonen redden” (Jesaja 49:24-25; vergelijk Mattheüs 12:29).

Hij ‘die in zijn recht is’ was de tiran Nebukadnezar, de koning van Babel. In de brief aan de Romeinen is de tiran van de gelovigen, de dood die als koning is gaan heersen (Romeinen 5:17). Degene die hem heeft bestreden en overwonnen, is Christus Jezus. Hij heeft daarom van de eeuwige God de macht ontvangen mensen te bevrijden uit het dodenrijk, zoals Hij toont bij de opwekking van Lazarus:

“Ik zal u (de Knecht van God) … stellen tot een verbond voor het volk … omtot gevangenen te zeggen: Gaat uit! Tot hen die in de duisternis zijn: Komt tevoorschijn!” (Jesaja 49:8-9; zie ook 42:7 en 61:1)“

… en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen …om verbrokenen heen te zenden in vrijheid. (Lucas 4:19)

“Lazarus, kom naar buiten! … Maakt hem los en laat hem heen-gaan.” (Johannes 11:43-44)

Hij spreekt als een koning tot wie zijn eigendom zijn. Na zijn leven van gehoorzaamheid en kruisdood is hij door God waardig bevonden heer te zijn over al zijn bezit. God gaf hem allen die hij op grond van hun geloof heeft bevrijd uit de macht van de heerser die hij versloeg en als buit meenam:

“Daarom zal Ik hem velen als deel geven en talrijken zal hij als buit ontvangen…” (Jesaja 53:11-12)

Maar vanaf dat moment zijn deze velen geen gevangenen meer, maar tot burgers van zijn Koninkrijk gemaakt. En nu hij bij God in de hemel is, verwachten zij zijn komst met eeuwig leven voor zijn volk:

“Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen.” (Filippenzen 3:20-21)

Het is Christus gegeven allen die in hem geloven, in naam van zijn Vader, de enige en waarachtige Verlosser, te bevrijden van de eeuwige vloek van de dood. Hij zal hen door de kracht van God eeuwig leven schenken, door de weg tot de boom des levens, die werd afgesloten door de zonde van de eerste mens, weer te openen.

Niet de dood maar God overwint in Christus:

“Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.” (Romeinen 3:23)

“De dood is verzwolgen in de overwinning. Dood, waar is uw overwinning, dood, waar is uw prikkel. De prikkel van de dood is de zonde … Maar God zijdank, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus.”(1 Korintiërs 15:54-57)

“Wie overwint, hem zal Ik (Christus) geven te eten van de boom des levens…” (Openbaring 2:7)

Dan kunnen de woorden die God sprak na de zonde van de eerste mens, omgedraaid worden:

‘Laat de mens nemen en eten van de boom des levens, opdat hij in eeuwigheid zal leven

 

1ste Vraag ter overdenking:

Hoe is de losprijs betaald om gelovigen te bevrijden van de dood?

2de Vraag ter overdenking:

Op grond waarvan kunnen wij in Christus verlost worden?

 

Christus Jezus en de verhoogde slang

Mozes en de Nehushtan (“Koperslang” of “slang van (het) koper”) aan een kruis, afbeelding uit 1907. – In het verhaal in Numeri 21 staat dat de Israëlieten toen zij tegen JHWH en Mozes ageerden, werden gestraft door giftige slangen. Als zij echter na gebeten te zijn keken naar de bronzen slang, zouden ze niet sterven.

Toen Israël in de woestijn zondigde stuurde God slangen om hen te doden. Wie gebeten was ontkwam niet aan de dood. Maar God trof een voorziening: Mozes plaatste een koperen slang op een paal en wie gelovig daarop de blik richtte, werd verlost van de dood (Num. 21:8-9). Maar niet voor eeuwig.
Jezus vergeleek zijn verhoging aan de houten paal met die van de slang aan de paal. Wie gelovig de blik op hem richt zal voor eeuwig behouden worden, maar wie niet in hem gelooft, is verloren (Joh. 3:14-18)

+

Voorgaand

Fundamenten van het Geloof 10 De Verlosser uit de dood

Overdenking voor vandaag

++

Aanvullende artikelen

  1. Een goddelijk Plan #4 Beloften
  2. Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #1 Abraham de aartsvader
  3. De Verlosser 1 Senior en junior
  4. Verlosser of Messias aangekondigd door Daniël
  5. De Knecht des Heren #4 De Verlosser
  6. Christus in Profetie #2 De Knecht in Jesaja (2) Behoefte aan Verlossing
  7. Christus in Profetie #5 De Knecht in Jesaja (5) Verhoging van de Knecht
  8. Christus in Profetie #8 De psalmen (2B) De Gezalfde goede herder spreekt
  9. Jezus Christus De Zoon van Adam, de Zoon van God
  10. Zoon van God
  11. Zoon van de levende God
  12. Zoon van God vrijkoper
  13. Zaad van David
  14. Zoon van David
  15. Zoon van God – Vleesgeworden woord
  16. Zoon van God dé Weg naar God
  17. Zoon van God en middelaar
  18. Zoon van God en zijn autoriteit
  19. Zoon van God door God als Zijn geliefde zoon verklaard
  20. Zoon van God geopenbaard
  21. Uw vertroostingen verkwikken mijn ziel
  22. Een lovende ziel voor Hem die troost, geneest, vergeeft, verlost, gaven en recht geeft, rijk aan ontferming
  23. Verlossing #8 Gerechtigheid door geloof
  24. Uitlopen om uit lichaam te wonen
  25. Aan een betere opstanding deelhebben

Fundamenten van geloof 3: De Persoonlijkheid van God

Wanneer het voor ons eenmaal vaststaat dat er een Schepper is van alle leven, dan komt de vraag:

‘Wie is Hij dan?’

We hebben gezien dat Hij

‘een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken’.

Dit houdt noodzakelijkerwijs in dat Hij ieder mens moet zien en horen om te weten wie Hem ernstig zoeken. Het redelijke antwoord is daarom dat Hij een werkelijk Wezen moet zijn, dat niet ver van ons weg is. De Bijbel openbaart God dan ook als de hoogste van alle levende wezens, de Volmaakte en Heilige, geheel anders dan mensen, onzichtbaar maar niettemin aanwezig:

“God is Geest” (Johannes 4:24).

“Ik ben God en geen mens, heilig in uw midden”. (Hosea 11:9; vergelijk 1 Petrus 1:16)

“U dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is”. (Mattheüs 5:48)

“…hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid…”. (Romeinen 1:20)

God heeft de hemel als een even concrete woonplaats, als wij mensen de aarde:

“…De HERE heeft in de hemel zijn troon”. (Psalm 11:4)

“…hoor U dan in de hemel, de vaste plaats van uw woning…”. (1 Kon. 8:39)

“de enige Heerser…de Koning der koningen en de Here der Heren, die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, die geen van de mensen gezien heeft of zien kan”. (1 Timotheüs 6:15-16)

Want wij zouden zijn aanblik niet kunnen verdragen. Toen Mozes God vroeg of Hij zijn heerlijkheid mocht zien, toonde God Zich niet aan hem, maar maakte Hij hem zijn eigenschappen bekend:

“Hij zei: U zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven…wanneer mijn heerlijkheid voorbijgaat zal Ik u in de rotsholte zetten en u met mijn hand bedekken, totdat ik ben voorbijgegaan…De HERE ging aan hem voorbij en riep: HERE, HERE, God barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw, die goedertierenheid bestendigt aan duizenden, die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft; maar de schuldige houdt Hij zeker niet onschuldig…”. (Exodus 33:18-34:7)

Dat maakt Hem tot een werkelijk Wezen met een bewustzijn, met gevoel en genegenheid. Zijn eigenschappen vertelden het volk Israël Wie en wat Hij voor hen wilde zijn. Het bewijs van zijn bestaan en aanwezigheid zou dan ook blijken uit het waarmaken hiervan. Hierdoor werd Hij werkelijk de HERE, de

‘Ik zal zijn, die Ik zijn zal’.

Hetzelfde geldt voor alle beloften voor de toekomst, vooral die wat de Messias betreft. Wanneer God geen realiteit was, kon Hij onmogelijk mensen maken naar zijn beeld, waarvan zijn Christus Jezus, die Hij zijn Zoon noemde, het volmaakte voorbeeld is:

“En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem”. (Genesis 1:27)

“De Zoon…de afstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen”. (Hebreeën 1:3)

Ondanks dat geen mens ooit God heeft gezien, gaven de apostelen aan dat zij in de Here Jezus iets hadden gezien van Wie en wat God is. Hij wordt daarom ‘Immanuël’ genoemd:

‘God met ons’:

“Indien u Mij zou kennen, zou u ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent u Hem en hebt u Hem gezien. Filippus zei tot Hem (Jezus): Here, toon ons de Vader en het is ons genoeg. Jezus zei tot hem: Ben Ik zolang bij u Filippus, en kent u Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien”. (Johannes 14:7-9)

“Het woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid”. (Johannes 1:14)

“Niemand heeft ooit God gezien, de eniggeboren Zoon, die aan de boezem van de Vader is, die heeft Hem doen kennen”. (Johannes 1:18)

Nu kennen wij God en zijn Zoon door de getuigenissen over Hen in de Bijbel. Straks zullen er echter niet meer woorden zijn, maar zullen allen die geloven de manifestatie van Gods heerlijkheid zien in zijn Zoon. En Hij zal ons de Vader tonen, zodat onze hoop en ons vertrouwen realiteit wordt:

“Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien”. (Mattheüs 5:8)

“…de heiliging, zonder welke niemand de Here zal zien”. (Hebreeën 12:14)

“Geliefden, nu zijn wij kinderen van God en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat, als Hij (de Zoon) zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is”. (1 Johannes 3:2)

“…en zijn dienstknechten zullen Hem vereren, en zij zullen zijn aangezicht zien”. (Openbaring 22:4)

Intussen mogen wij Hem noemen met een naam, die wijst op zijn innige relatie met mensen: Vader:

“Bidt u dan aldus: Onze Vader die in de hemelen bent”. (Mattheüs 6:9)

Uit dit alles blijkt dat God geen menselijk idee is, maar een reëel Wezen, met eigenschappen. En hoewel Hij vanwege onze zonde van ons gescheiden woont in de hemel, communiceert Hij met ons, komt Hij ons nabij door Zich in zijn woord bekend te maken en zijn eigenschappen en beloften werkelijkheid te maken in Christus Jezus. Hij is de afdruk van zijn wezen, zijn volmaakte Zoon. En evenals hij een Vader en Zoon relatie heeft met Hem, kan en wil God een relatie hebben met wie in hem geloven.

Vraag ter overdenking:
Wat is voor u de zekerheid dat God weet dat u bestaat en met u bezig is?

Een God van nabij

Wie in de Bijbel het getuigenis van en over gelovigen leest, bemerkt dat zij niet een idee aanhingen of allerlei theorieën nodig hadden om te bewijzen dat er een God moet zijn. Zij hebben een ervaringsgeloof, omdat zij de nabijheid van God hebben
bemerkt (Gen. 28:16-17). Hij verhoorde hun gebeden (zie Psalm 54 en 118), sloot verbonden met hen (Gen. 17), sprak tot hen door middel van engelen (Zacharia; Johannes in Openbaring), deed wonderen (door Mozes, Elia, Elisa, Jezus, de apostelen).
Zijn relatie met gelovigen blijkt uit hoe Hij hen noemde en behandelde: Zo noemde Hij Abraham zijn vriend (Jac. 2:23; vergelijk Ex. 33:11) en David de man naar zijn hart (1 Sam. 13:14; Hand. 13:22). God ziet ons vanuit de hemel (Psalm 33:13-19; 34:16; 2 Kron. 16:9; Jer. 16:17; Hebr. 4:13). Wie oprecht in Hem geloven, zal Hij nooit alleen laten (Gen. 28:13-15; Ex. 3:8; 2 Sam. 7;11-16; Psalm 34:8; Matth. 22:32). Hij toont zijn liefde en zorg voor zijn volk (Ex. 19:4; Jes. 46:3-4; Jer. 31:3; Hos. 11:3-4; Joh. 3:16; Matth. 6:25-34). Maar Gods bestaan en nabijheid blijken vooral hieruit dat Hij zijn verbonden nakomt en zijn beloften vervuld (Ex. 2:24; 13:11; Deut. 10:20-22; 1 Kon. 8:22-26; Psalm 89; Luc. 1:30-33; 54-55;68-79). Hij vertrouwt zijn wil toe aan betrouwbare mensen (Amos 3:7), zodat zij in Hem geloven als de God die hen vertelt wat in de toekomst zal gebeuren (Jes. 44:24-28; 45:18-21; vgl. Joh. 14:29; 16:1-4), en Die zij mogen vragen zijn beloften na te komen, zoals Daniël deed, en een engel maakte hem de toekomst van zijn volk en van hemzelf bekend (Dan. 9:1-12:13). Gebed is een uiting van geloof en verbondenheid met een levende Realiteit, anders zou het een spreken in het niets zijn. Het feit dat God een Verhoorder van gebeden is, bewijst dat Hij bestaat en ons vanuit de hemel kan zien en horen. Hij weet wat wij nodig hebben en wil het ons geven op grond van ons geloof, nu en/of in de toekomst (Psalm 145:15-19; Matth. 7:7-12; Joh.16:23-24). Intussen hebben wij de belofte dat Jezus daar is waar gelovigen bijeenkomen om hem te belijden, volgen en dienen als hun heer (Matth. 18:20; zie ook Hebr. 12:2-3).

J.D.

+

Voorgaande

Op zoek naar spiritualiteit 8 Eigen spiritualiteit

Een meer dan Grote God om naar op zoek te gaan

Fundamenten van het Geloof: De lankmoedigheid van God

Fundamenten van het Geloof 2: De levende en waarachtige God

Schepping, intelligent design, evolutie (3) – Godsbewijzen van heidense filosofen

Al-Fatiha [De Opening] Surah 1: 4-7 Barmhartige Heer van de Schepping om ons de juiste weg te tonen

++

Aanvullend

  1. Betreft de Mens
  2. De Bijbel haar relevatie over God
  3. Gods vergeten Woord 15 Schepping 7 Vreze des Heren
  4. Gods vergeten Woord 20 Geopenbaarde Woord 5 Onoverbrugbare kloof
  5. Gods vergeten Woord 20 Volk van het Boek 4 Verloren wetboek
  6. Het begin van alles
  7. Een Naam voor een God #9 Vals geloof gevoed door vrees
  8. Vertrouwen, Geloof, Roepen en Toeschrijving aan Jehovah #2 Aanroepen van de Naam van God
  9. Vertrouwen, Geloof, Roepen en Toeschrijving aan Jehovah #3 Stem van God #1 Schepper en Zijn profeten
  10. Vertrouwen, Geloof, Roepen en Toeschrijving aan Jehovah #3 Stem van God #6 Woorden tot voedsel en communicatie
  11. Echte boodschap van redding niet ver te zoeken
  12. Leren kennen van Hem die het hart kent
  13. Voor hen die beweren dat Jezus God is
  14. Het begin van Jezus #3 Voorgaande Tijden
  15. Het begin van Jezus #1 Menselijke aspecten
  16. Jezus van Nazareth #1 Jezus Geboorte
  17. Betreffende Christus # 2 Goddelijke bron, verband en goddelijk mens
  18. De Verlosser 2 Zijn goddelijke kant
  19. Ongelovige Thomassen, Jezus en zijn God

+++

Vindt verder ook om te lezen

  1. Onvoorwaardelijk zoeken // Seeking unconditionally
  2. Waarheid en Geloof // Truth and Faith
  3. Geschapen naar Gods beeld
  4. Geloofstwyfel : Waar vind ons God?
  5. Voel jy soms of die Here te vér is?
  6. De God van Doorbraak
  7. God van Doorbraak 3
  8. Verlange (Omgee) vir ander
  9. Waak jy en bid jy? Of slaap jy?
  10. Vertrou God as Hy nee sê
  11. Christen of “Christen-ish”?

Bibel, Schwert des Geistes, in die Einheit des Glaubens und der Erkenntnis des Sohnes Gottes

 

 

“Dem Vorsänger. Ein Psalm Davids. (19-2) Die Himmel erzählen die Ehre Gottes, und die Feste verkündigt seiner Hände Werk.” (Psalmen 19:1 SCHLACH)

“1  Da redete Gott alle diese Worte und sprach: 2 Ich bin der HERR, dein Gott, der ich dich aus Ägyptenland, aus dem Diensthause, geführt habe. 3 Du sollst keine andern Götter neben mir haben!” (2 Mose 20:1-3 SCHLACH)

“spricht der HERR also: Es soll nicht zustande kommen und nicht geschehen!” (Jesaja 7:7 SCHLACH)

“Und der HERR streckte seine Hand aus und rührte meinen Mund an; und der HERR sprach zu mir: Siehe, ich habe meine Worte in deinen Mund gelegt!” (Jeremia 1:9 SCHLACH)

“Glaubst du nicht, daß ich im Vater bin und der Vater in mir ist? Die Worte, die ich zu euch rede, rede ich nicht von mir selbst, sondern der Vater, der in mir wohnt, tut die Werke.” (Johannes 14:10 SCHLACH)

“Und nehmet den Helm des Heils und das Schwert des Geistes, nämlich das Wort Gottes.” (Epheser 6:17 SCHLACH)

“Und er sprach: Ich bin der Gott deines Vaters, der Gott Abrahams, der Gott Isaaks und der Gott Jakobs! Da verdeckte Mose sein Angesicht; denn er fürchtete sich, Gott anzuschauen.” (2 Mose 3:6 SCHLACH)

“wir wissen aber, daß der Sohn Gottes gekommen ist und uns einen Sinn gegeben hat, daß wir den Wahrhaftigen erkennen. Und wir sind in dem Wahrhaftigen, in seinem Sohne Jesus Christus. Dieser ist der wahrhaftige Gott und das ewige Leben.” (1 Johannes 5:20 SCHLACH)

“Würdig bist du, unser Herr und Gott, zu empfangen den Ruhm und die Ehre und die Macht; denn du hast alle Dinge geschaffen, und durch deinen Willen sind sie und wurden sie geschaffen!” (Offenbarung 4:11 SCHLACH)

“2 Und Gott redete mit Mose und sprach zu ihm: Ich bin der HERR; 3 ich bin Abraham, Isaak und Jakob erschienen als der allmächtige Gott; aber nach meinem Namen « HERR » habe ich mich ihnen nicht geoffenbart.” (2 Mose 6:2-3 SCHLACH)

“13 Und du denkst: « Was weiß Gott! Sollte er hinter dem Dunkel richten? 14 Die Wolken hüllen ihn ein, daß er nicht sehen kann, und er wandelt auf dem Himmelsgewölbe umher! »” (Hiob 22:13-14 SCHLACH)

“5 Und die Leviten Jesua, Kadmiel, Bani, Hasabneja, Serebja, Hodija, Sebanja und Petachja sprachen: Stehet auf, lobet den HERRN, euren Gott, von Ewigkeit zu Ewigkeit! Und man lobe den Namen deiner Herrlichkeit, der über alle Danksagung und alles Lob erhaben ist! 6 Du, HERR, bist der Einzige! Du hast den Himmel, aller Himmel Himmel samt ihrem ganzen Heere gemacht, die Erde und alles, was darauf ist, das Meer und alles, was darin ist! Du machst alles lebendig, und das himmlische Heer verehrt dich. 7 Du, HERR, bist der Gott, der Abram erwählt und aus Ur in Chaldäa geführt und mit dem Namen Abraham benannt hat.” (Nehemia 9:5-7 SCHLACH)

“7  Höre, mein Volk, so will ich reden; Israel, ich lege gegen dich Zeugnis ab: Ich, Gott, bin dein Gott. 8 Deiner Opfer halben will ich dich nicht strafen, sind doch deine Brandopfer stets vor mir. 9 Ich will keinen Farren aus deinem Hause nehmen, noch Böcke aus deinen Ställen! 10 Denn mein sind alle Tiere des Waldes, das Vieh auf den Bergen zu Tausenden. 11 Ich kenne alle Vögel auf den Bergen, und was sich auf dem Felde regt, ist mir bekannt. 12 Wenn mich hungerte, so würde ich es dir nicht sagen; denn mein ist der Erdkreis und was ihn erfüllt. 13 Soll ich Ochsenfleisch essen oder Bocksblut trinken? 14 Opfere Gott Dank und bezahle dem Höchsten deine Gelübde; 15 und rufe mich an am Tage der Not, so will ich dich erretten, und du sollst mich ehren! 16  Aber zum Gottlosen spricht Gott: Was zählst du meine Satzungen her und nimmst meinen Bund in deinen Mund, 17 so du doch Zucht hassest und wirfst meine Worte hinter dich?” (Psalmen 50:7-17 SCHLACH)

“11 Und Er hat gegeben etliche zu Aposteln, etliche zu Propheten, etliche zu Evangelisten, etliche zu Hirten und Lehrern, 12 um die Heiligen zuzurüsten für das Werk des Dienstes, zur Erbauung des Leibes Christi, 13 bis daß wir alle zur Einheit des Glaubens und der Erkenntnis des Sohnes Gottes gelangen und zum vollkommenen Manne [werden], zum Maße der vollen Größe Christi; 14 damit wir nicht mehr Unmündige seien, umhergeworfen und herumgetrieben von jedem Wind der Lehre, durch die Spielerei der Menschen, durch die Schlauheit, mit der sie zum Irrtum verführen,” (Epheser 4:11-14 SCHLACH)

“So bin auch ich, meine Brüder, als ich zu euch kam, nicht gekommen, um euch in hervorragender Rede oder Weisheit das Zeugnis Gottes zu verkündigen.” (1 Korinther 2:1 SCHLACH)

“9 Sondern, wie geschrieben steht: « Was kein Auge gesehen und kein Ohr gehört und keinem Menschen in den Sinn gekommen ist, was Gott denen bereitet hat, die ihn lieben », 10 hat Gott uns aber geoffenbart durch seinen Geist; denn der Geist erforscht alles, auch die Tiefen der Gottheit.” (1 Korinther 2:9-10 SCHLACH)

“14 Der seelische Mensch aber nimmt nicht an, was vom Geiste Gottes ist; denn es ist ihm eine Torheit, und er kann es nicht verstehen, weil es geistlich beurteilt werden muß. 15 Der geistliche [Mensch] aber erforscht alles, er selbst jedoch wird von niemand erforscht; 16 denn wer hat des Herrn Sinn erkannt, daß er ihn belehre? Wir aber haben Christi Sinn.” (1 Korinther 2:14-16 SCHLACH)

“Wer unterrichtete den Geist des HERRN, und welcher Ratgeber hat ihn unterwiesen?” (Jesaja 40:13 SCHLACH)

“5 welches in frühern Geschlechtern den Menschenkindern nicht kundgetan wurde, wie es jetzt seinen heiligen Aposteln und Propheten im Geiste geoffenbart worden ist, 6 daß nämlich die Heiden Miterben seien und Miteinverleibte und Mitgenossen seiner Verheißung in Christus Jesus durch das Evangelium,” (Epheser 3:5-6 SCHLACH)

“damit ihre Herzen ermahnt, in Liebe zusammengeschlossen und mit völliger Gewißheit bereichert werden, zur Erkenntnis des Geheimnisses Gottes, [welches ist] Christus,” (Kolosser 2:2 SCHLACH)

“Sprich keinem Toren zu; denn er wird deine weisen Reden nur verachten!” (Sprüche 23:9 SCHLACH)

“1  Dies sind die letzten Worte Davids: Es sprach David, der Sohn Isais, es sprach der Mann, der hocherhaben ist, der Gesalbte des Gottes Jakobs, der liebliche Psalmdichter in Israel: 2 Der Geist des HERRN hat durch mich geredet, und seine Rede war auf meiner Zunge.” (2 Samuel 23:1-2 SCHLACH)

“Ihr Männer und Brüder, es mußte das Wort der Schrift erfüllt werden, das der heilige Geist durch den Mund Davids vorausgesagt hat über Judas, welcher denen, die Jesus gefangennahmen, zum Wegweiser wurde.” (Apostelgescht 1:16 SCHLACH)

“Und da sie sich nicht einigen konnten, trennten sie sich, nachdem Paulus den Ausspruch getan hatte: Wie trefflich hat der heilige Geist durch den Propheten Jesaja zu unsern Vätern geredet,” (Apostelgescht 28:25 SCHLACH)

“Sie forschten, auf welche und welcherlei Zeit der Geist Christi in ihnen hindeute, der die für Christus bestimmten Leiden und die darauf folgende Herrlichkeit zuvor bezeugte.” (1 Petrus 1:11 SCHLACH)

“20 wobei ihr das zuerst wissen müßt, daß keine Weissagung der Schrift ein Werk eigener Deutung ist. 21 Denn niemals wurde durch menschlichen Willen eine Weissagung hervorgebracht, sondern vom heiligen Geist getrieben redeten heilige Menschen, von Gott [gesandt].” (2 Petrus 1:20-21 SCHLACH)

“der Beistand aber, der heilige Geist, welchen mein Vater in meinem Namen senden wird, der wird euch alles lehren und euch an alles erinnern, was ich euch gesagt habe.” (Johannes 14:26 SCHLACH)

“16 Jede Schrift ist von Gottes Geist eingegeben und nützlich zur Belehrung, zur Überführung, zur Zurechtweisung, zur Erziehung in der Gerechtigkeit, 17 damit der Mensch Gottes vollkommen sei, zu jedem guten Werke ausgerüstet.” (2 Timotheus 3:16-17 SCHLACH)

“Darum danken wir auch Gott unablässig, daß ihr das von uns empfangene Wort der Predigt Gottes aufnahmet, nicht als Menschenwort, sondern als das, was es in Wahrheit ist, als Gottes Wort, welches auch in euch, den Gläubigen, wirkt.” (1 Thessalonich 2:13 SCHLACH)

“Was aber zuvor geschrieben worden ist, das wurde zu unserer Belehrung geschrieben, damit wir durch die Geduld und durch den Trost der Schrift Hoffnung fassen.” (Römer 15:4 SCHLACH)

“Das alles, was jenen widerfuhr, ist ein Vorbild und wurde zur Warnung geschrieben für uns, auf welche das Ende der Zeitalter gekommen ist.” (1 Korinther 10:11 SCHLACH)

“49  Gedenke des Wortes an deinen Knecht, auf welches du mich hoffen ließest! 50 Das ist mein Trost in meinem Elend, daß dein Wort mich erquickt.” (Psalmen 119:49-50 SCHLACH)

“7 Der Weisheit Anfang ist: Erwirb Weisheit und um allen deinen Erwerb erwirb Verstand! 8 Halte sie hoch, so wird sie dich erhöhen; sie wird dich ehren, wenn du sie liebst. 9 Sie wird deinem Haupt einen lieblichen Kranz verleihen, eine prächtige Krone wird sie dir reichen.” (Sprüche 4:7-9 SCHLACH)

“Das Herz der Verständigen trachtet nach Erkenntnis; aber der Mund der Narren weidet sich an der Dummheit.” (Sprüche 15:14 SCHLACH)

“Auf das gute Erdreich gesät aber ist es bei dem, welcher das Wort hört und versteht; der bringt dann auch Frucht, einer hundertfältig, ein anderer sechzigfältig, ein dritter dreißigfältig.” (Matthäus 13:23 SCHLACH)

“Und ich will dich zu einer Wüstenei und zur Schmach machen unter den Heiden um dich her, vor den Augen aller, die vorübergehen;” (Hesekiel 5:14 SCHLACH)

“Und Gott gab diesen vier Jünglingen Kenntnis und Verständnis für allerlei Schriften und Weisheit; vorzüglich aber machte er Daniel verständig in allen Gesichten und Träumen.” (Daniel 1:17 SCHLACH)

“Es hilft keine Weisheit, kein Verstand und kein Rat wider den HERRN.” (Sprüche 21:30 SCHLACH)

“Gehorche dem Rat und nimm die Züchtigung an, damit du endlich weise wirst!” (Sprüche 19:20 SCHLACH)

“7 Bedenke, was ich dir sage! Denn der Herr wird dir Einsicht in alles geben. 8  Halt im Gedächtnis Jesus Christus, der von den Toten auferstanden ist, aus Davids Samen, nach meinem Evangelium, 9 in dessen Dienst ich Ungemach leide, sogar Ketten wie ein Übeltäter; aber das Wort Gottes ist nicht gekettet. 10 Darum erdulde ich alles um der Auserwählten willen, damit auch sie das Heil erlangen, das in Christus Jesus ist, mit ewiger Herrlichkeit.” (2 Timotheus 2:7-10 SCHLACH)

“gleichwie du ihm Vollmacht gegeben hast über alles Fleisch, auf daß er ewiges Leben gebe allen, die du ihm gegeben hast.” (Johannes 17:2 SCHLACH)

“wir wissen aber, daß der Sohn Gottes gekommen ist und uns einen Sinn gegeben hat, daß wir den Wahrhaftigen erkennen. Und wir sind in dem Wahrhaftigen, in seinem Sohne Jesus Christus. Dieser ist der wahrhaftige Gott und das ewige Leben.” (1 Johannes 5:20 SCHLACH)

“2 für Könige und alle, die in hervorragender Stellung sind, damit wir ein ruhiges und stilles Leben führen können in aller Gottseligkeit und Ehrbarkeit; 3 denn solches ist gut und angenehm vor Gott unsrem Retter, 4 welcher will, daß alle Menschen gerettet werden und zur Erkenntnis der Wahrheit kommen.” (1 Timotheus 2:2-4 SCHLACH)

*

 

die Gute Nachricht Deutsche Bibelgeselschaft 1982

die Gute Nachricht Deutsche Bibelgeselschaft 1982

 

+

Coming to understanding from sayings written long ago

Bible, épée de l’Esprit à venir dans l’unité de la foi et de la connaissance du Fils de Dieu

Bijbel, zwaard van de Geest in de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God om tot een volkomen mens te komen

Bible, sword of the Spirit to come into the unity of the faith and of the knowledge of the Son of God, unto a perfect man