De Verzoendag (Jom Kippoer)

een afbeelding van het ware, Maar In De Hemel Zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen….. (Hebreeen 9:24).
Het bestaan en de werkelijkheid van het hemelse heiligdom wordt in zowel het Oude als het Nieuwe Testament onmiskenbaar bevestigd.
De betekenis van ‘gezeten zijn’ in de zin van de bediening van bemiddelaar wordt in het bijzonder in Hebreeen 8:1-2 uitgelegd.
Hier wordt Christus voorgesteld als de ‘Hogepriester… gezeten…  aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen: de dienst verrichtende in het heiligdom, in de ware tabernakel’. Door middel van zijn bemiddelende dienst houdt Christus de kerk staande.
Dit gedeelte gaat het verstand van uitleggers van het boek Hebreeen te boven.
Er is een onmiskenbare zinspeling op de Verzoendag (Jom Kippoer)!!!
Hoofdstuk 13 van het boek De Najaarsfeesten (pag. 260-282)

– Martin Rozestraten

++

Aanvullend

  1. Het scheuren van het voorhangsel
  2. De Wederkomst en de Eindtijd #5 De Verlosser uit de hemel
  3. Understanding The Atonement

+++

Het aardse en het hemelse heiligdom

Het aardse en het hemelse heiligdom worden met elkaar vergeleken en tegenover elkaar gesteld. Het aardse heiligdom was een constructie die onder leiding van Mozes door mensen gemaakt was (Hebr. 8:5), terwijl ‘het hemelse heiligdom niet door een mens opgericht werd’ (vgl. Hebr. 8:2) of ‘met [mensenhanden] gemaakt’ is (vgl. Hebr. 9:11,24).

De overeenkomst tussen het aardse en het hemelse heiligdom wordt in Hebreeën vastgesteld door middel van de relatie tussen afbeelding [hupodeigma] en schaduw [skia] van het hemelse heiligdom (Hebr. 8:2-5). ‘Noodzakelijk moesten dus hiermede (dierenoffers) de afbeeldingen [hupodeigma] van de hemelse dingen gereinigd worden, maar de hemelse dingen zelf met betere offeranden dan deze. Want Christus is niet binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding (SV: tegenbeeld, antitupos) van het ware [alethenos], maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen (Hebr. 9:23-24).  Daarom ‘bezitten we volle vrijmoedigheid om in te gaan in het [hemelse] heiligdom door het bloed van Jezus.’ (Hebr. 10:19).

Omdat het ‘een afbeelding’ en ‘een schaduw’ van het originele heiligdom is, speelt het aardse heiligdom een belangrijke rol in het uitleggen van de details van het verlossingsplan aan zowel eerdere als hedendaagse gelovigen. Bovendien geeft de definiëring van het aardse heiligdom en zijn diensten als een ‘schaduw‘ aan dat deze een voorafschaduwing waren van betere dingen die komen moesten. In feite spreekt de schrijver over de wet met haar rituele diensten als zijnde ‘slechts een schaduw [skia]… der toekomstige goederen, niet de gestalte dier dingen zelf.’ (Hebr. 10:1; cf. Kol. 2:17)

Martin Rozenstraten

+

Aanvullend

De verdwijnende heerlijkheid