Fundamenten van het Geloof 14 De komst van Christus in heerlijkheid

Na zijn ophanging aan het stuk hout en opstanding is de Nazarener meesterverteller Jezus Christus naar zijn Vader, in de hemel gegaan. Dit was een vervulling van profetieën in het Oude Testament en van de heer Jezus zelf:

“Aldus luidt het woord van de HERE tot mijn Here: Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten. De HERE strekt van Sion uw machtige scepter uit: heers temidden van uw vijanden …” (Psalm. 110; zie ook Marc. 16:19; Hand. 7:56; Efez. 1:19-23; Kol. 3:1)

“… en zie, met de wolken van de hemel, kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen (God die van eeuwigheid is), en men leidde hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht.” (Daniël 7:13-14; vergelijk Lucas 19:12)

“Ik (Jezus) vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God.” (Johannes 20:17; 3:13; 6:62)

“En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen.” (Handelingen 1:9)

Uit Psalm 110 en het boek Daniël blijkt dat zijn hemelvaart, zijn verhoging, zijn verheerlijking, van God komen. De Dienstknecht van God, die zich had vernederd tot de kruisdood, is buitengewoon eerbewijs ten deel gevallen, doordat hij als enige mens naar God in de hemel is gegaan:

“… moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan?” (Lucas 24:26; 1 Petrus 1:11)

“En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is
gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de kruisdood. Daarom heeft God
Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen … en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader” (Filippenzen 2:8-11).

“… wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor een ieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en eer gekroond.” (Hebreeën 2:9)

“Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom, en de wijsheid en de sterkte, en de eer en de heerlijkheid en de lof.” (Openbaring 5:12; vergelijk 1 Petr. 4:11; 2 Petr. 3:18)

De heer Jezus zag met vreugde en verlangen uit naar die dag en vroeg zijn discipelen dat ook te doen:

“Indien u Mij liefhad, zou u zich verblijd hebben, omdat Ik tot de Vader ga, want de Vader is meer dan Ik.” (Johannes 14:28)

De apostelen getuigden later overal dat zij de verhoging van de heer tot in de
hemel hadden gezien:

“Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf: De HERE heeft gezegd tot mijn Here: Zet u aan mijn rechterhand … Dus moet ook het ganse huis van Israël zeker weten, dat God Hem èn tot Here èn tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus, die u gekruisigd hebt” (Handelingen 2:34-36).

“Hem (Jezus) heeft God door zijn rechterhand verhoogd, tot Leidsman en Heiland om Israël bekering en vergeving van zonden te schenken.” (Handelingen 5:31; zie ook 2:33)

“… u, die door Hem (Jezus) gelooft in God, die Hem opgewekt heeft uit de doden en Hem heerlijkheid gegeven heeft …” (1 Petrus 1:20-21)

Hij is in de hemel om met zijn Vader te werken aan de toekomst van de aarde en de mensen daarop:

“…Ik ga heen om u plaats te bereiden …” (Johannes 14:2-3)

“Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen.” (Efeziërs 4:10)

De belofte is echter dat hij zal terugkeren. Niet op de wijze zoals hij leefde onder zijn volk, met een lichaam van vlees en bloed, maar met de heerlijkheid en de macht die God hem gegeven heeft:

“… wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zijn mag, waar Ik ben”. (Johannes 14:2-3)

“Galilese mannen, wat staat u daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die
van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als u
Hem ten hemel hebt zien varen.” (Handelingen 1:11).

Christenen zijn daarom altijd mensen geweest die op hun Heer wachten. Niet passief maar actief:

“… verwachtende de zalige hoop en de verschijning van de heerlijkheid van
onze grote God,en Heiland Christus Jezus …” (Titus 2:13-14; vergelijk ook 1 Tess. 1:9-10 en Hebr. 9:27-28).

“Hebt dus geduld, broeders, tot de komst van de Here! … sterkt uw harten,
want de komst van de Here is nabij.” (Jacobus 5:7-8)

“Omdat u het bevel bewaard hebt om Mij te blijven verwachten … Ik kom spoedig …” (Openbaring 3:10-11)

“Hij, die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen, kom Here
Jezus” (Openbaring 22:20).

Zijn komst betekent leven en heerlijkheid voor wie geloven, maar in hen ook
voor de gehele aarde:

“… en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken van de hemel, met grote macht en heerlijkheid. En Hij zal zijn engelen uitzenden met bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen …” (Mattheüs 24:30-31; Marcus 13:26; Lucas 21:27; zie ook Matth. 16:27; 25:31
-46; Marc. 8:38; Luc. 9:26)

“… het aangezicht van de Here en de heerlijkheid van zijn sterkte, wanneer Hij komt, om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn …” (2 Tessalonicenzen 1:9-10)

“Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen … van God en mede-erfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking.” (Romeinen 8:17)

“Wanneer Christus verschijnt … zult u ook met Hem verschijnen in heerlijkheid.” (Kolossenzen 3:4)

“Want de aarde zal vol worden van de kennis van de heerlijkheid van de HERE …” (Habakkuk 2:14; vergelijk 2 Korintiërs 4:6)

“Geloofd zij de HERE God, de God van Israël, die alleen wonderen doet. En
geloofd zij zijn heerlijke naam voor eeuwig, en zijn heerlijkheid vervulle de
ganse aarde. Amen, ja, amen.” (Psalm 72:18-19; vergelijk Ps. 57:6 en 12; 108:6; 97:6)

 

Vraag ter overdenking:

Hoe bereidt u zich voor op uw ontmoeting met de Here Jezus Christus?

 

Waakzaamheid

Jezus heeft er vele malen op gewezen dat zijn volgelingen hem moeten verwachten.
Dit is een actief werkwoord, waarmee hij bedoelde dat zij voorbereid
moesten zijn op de dag van zijn komst. Die dag is het finale moment van onze beproeving. Daarna is er geen gelegenheid meer onze behoudenis te bewerken.
Wij moeten daarom leven alsof hij op dit moment kan verschijnen.
In een aantal gelijkenissen voerde hij mensen ten tonele, die actief bezig zijn met werk voor hun heer, of de voorbereidingen van een feest. Zij hebben niets te vrezen voor hem, omdat zij alles
hebben gedaan, overeenkomstig zijn wil. Maar anderen worden daardoor overvallen en zullen niet delen in de beloning en de feestvreugde.
Zijn met klem uitgesproken waarschuwing is daarom:
Waakt! Wees waakzaam!
Ook zijn apostelen hebben daartoe opgeroepen. Zie: Matth. 24:32-51; 25:1-30; Marc. 13:28-37; Luc. 12:35-48; 19:11-27;
21:29-36; 2 Petr. 3:10-14; 1 Joh. 2:28; Openb. 16:15.

J.K.D!

+

Voorgaand

Fundamenten van het Geloof 4: Engelen. Gods volmaakte dienaren

Fundamenten van het Geloof 10 De Verlosser uit de dood

Fundamenten van het Geloof 11 Christus, de door God gezonden Verlosser

Fundamenten van het Geloof 12 Verzoening met God door het offer van Christus

Fundamenten van het Geloof 13 Rechtvaardiging door geloof

Als de tijd ten einde loopt …… Vragen naar het goede

++

Aanvullende literatuur

  1. Jezus Christus De Zoon van Adam, de Zoon van God
  2. De Verlosser 3 Zijn menselijke kant
  3. Christus in Profetie #5 De Knecht in Jesaja (5) Verhoging van de Knecht
  4. De Knecht des Heren #2 Gods zwaard en pijl
  5. Fundamenten van het Geloof: De goedertierenheid van God
  6. Enkele kernpunten van het Christelijk geloof
  7. Voorbeeld van hem die zijn leven gaf voor velen
  8. Niemand kijkt uit naar komst van Christus
  9. Overdenking: Ik bid niet alleen voor hen, maar ook voor allen…
  10. Antwoord op Vragen van lezers: Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden
  11. Gods vergeten Woord 24 Getuigen 2 Jezus’ rede op de Olijfberg
  12. Gods vergeten Woord 24 Getuigen 4 Jezus’ laatste boodschap
  13. Overdenking: “Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij …” (Op. 22:12)
  14. Houdt aan en houdt vol
  15. Tekenen te herkennen in Tijden der Laatste dagen
  16. Tekenen van de laatste dagen wanneer moeilijke tijden zullen komen

Fundamenten van het Geloof 4: Engelen. Gods volmaakte dienaren

Gelooft u het getuigenis van God, zijn Zoon en zijn dienaren?

Engelen. Gods volmaakte dienaren

Wie het antwoord zoekt op de vraag

‘wie of wat zijn engelen?’

merkt al snel dat de Bijbel weinig tot niets vertelt over hun natuur en bestaanswijze. De reden is dat het in de Bijbel gaat om de verhouding tussen God en mensen. En juist in verband daarmee vinden we een belangrijke uitspraak, die ons helpt bij het begrijpen van de rol die zij spelen in Gods werk:

“Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen, die het heil zullen beërven?”. (Hebr. 1: 14; vergelijk 1:7 en Psalm 103:20)

Ondanks dat deze woorden niet bedoeld waren om de natuur van engelen te beschrijven, leren we dat zij ‘geesten’ zijn. Paulus schreef dat er ‘natuurlijke lichamen’ zijn (van vlees en bloed, zoals wij nu zijn) en ‘geestelijke lichamen’. Mensen die overgaan van natuurlijk naar geestelijk leven worden ‘uit de hemel’ of ‘hemelsen’ genoemd, in tegenstelling tot wie ‘uit de aarde’, ‘stoffelijk’, zijn. Dat ‘natuurlijke lichaam’ kan het eeuwige leven niet binnengaan, omdat het aardsgezind, ongeestelijk is. Alleen het volmaakte en onvergankelijke (zoals engelen) kan in Gods nabijheid verblijven (1 Kor. 15:35-50).

“35  Maar, zal iemand vragen, hoe verrijzen de doden? Met wat voor lichaam?
36 Een dwaze vraag!
Ook wat gij zelf zaait moet eerst sterven voor het tot leven komt, 37 en wat gij zaait is slechts een graankorrel of iets dergelijks, en heeft nog niet de vorm die het zal krijgen. 38 God geeft er een lichaam aan zoals Hij dat gewild heeft, en wel aan elk zaad zijn eigen lichaam. 39 Ook is niet alle vlees hetzelfde, er is verschil tussen het vlees van mensen en dat van dieren en dat van vogels en van vissen.

40 En er zijn hemelse lichamen en aardse lichamen, maar de glans der hemelse is anders dan die van de aardse.
41 De luister van de zon is anders dan die van de maan, en die van de sterren is weer anders; zelfs de ene ster verschilt van de andere in schittering. 42 Zo is het ook met de opstanding van de doden; wat gezaaid wordt in vergankelijkheid, verrijst in onvergankelijkheid; 43 wat gezaaid wordt in geringheid en zwakte, verrijst in heerlijkheid en kracht. 44 Een natuurlijk lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam verrijst. Zoals er een natuurlijk lichaam bestaat, bestaat er ook een geestelijk lichaam. 45 In deze zin staat er geschreven: De eerste mens, Adam, werd een levens wezen. De laatste Adam werd een levendmakende Geest. 46 Maar het geestelijke komt niet het eerst; het natuurlijke gaat vooraf, daarna komt het geestelijke. 47 De eerste mens, uit de aarde genomen, is aards; de tweede is uit de hemel. 48 Zoals die eerste mens van aarde zijn alle aardse mensen, zoals de hemelse mens zullen alle hemelsen zijn. 49 En gelijk wij het beeld van de aardse hebben gedragen, zo zullen wij ook het beeld dragen van de hemelse mens. 50 Ik bedoel dit, broeders: vlees en bloed kunnen niet delen in het koninkrijk van God en het vergankelijke heeft geen aandeel in de onvergankelijkheid.” (1Co 15:35-50 WV78)

Dit komt overeen met wat Jezus zei:

“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnen gaan. Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest”. (Johannes 3:5-6)

“Maar wie waardig gekeurd zijn deel te verkrijgen aan die eeuw en aan de opstanding uit de doden, huwen niet en worden niet ten huwelijk genomen. Want zij kunnen niet meer sterven; immers, zij zijn aan de engelen gelijk en zij zijn kinderen van God, omdat zij kinderen van de opstanding zijn”. (Luc. 20:35-36)

Hieruit leiden wij af dat zij volmaakt en onsterfelijk zijn en dat wij, als wij eeuwig leven ontvangen, een volmaakt ‘hemels lichaam’ zullen hebben,en in die zin aan hen gelijk zullen zijn. De schrijver van de brief aan de Hebreeën herinnert, door Psalm 8 te citeren, aan het hoge doel van God met de schepping van de mens en de vervulling daarvan in Christus Jezus:

“Want niet aan engelen heeft Hij de toekomende wereld, waarvan wij spreken, onderworpen. Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat U hem gedenkt, of de mensenzoon, dat U naar hem omziet? U hebt hem voor een korte tijd beneden de engelen gesteld, met heerlijkheid en eer hebt u hem gekroond … wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden van de dood … met heerlijkheid gekroond” (Hebreeën 2:5-9).

Gelooft u het getuigenis van God, zijn Zoon en zijn dienaren?

Christus Jezus is de eerste van allen die behoren tot de geestelijke schepping, meer geworden dan de engelen:

“Tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Mijn Zoon bent U … Zet U aan mijn rechterhand…”. (Hebreeën 1:5 en 13)

“Jezus Christus, die aan de rechterhand van God is, naar de hemel gegaan,terwijl engelen en machten en krachten Hem onderworpen zijn”. (1 Petrus3:21-22)

“En Hem moeten alle engelen van God huldigen”. (Hebreeën 1:6)

De Nazareense leermeester Jezus zei dat de engelen voortdurend het aangezicht zien van God (Mattheüs 18:10). In Openbaring 5:11-13 zien we hen dan ook rondde troon van God in de hemel, in lofprijzing tot Hem en zijn Zoon.

“11 En terwijl ik keek, hoorde ik de stem van talloze engelen rondom de troon en de dieren en de oudsten; en hun getal was tienduizenden tienduizenden en duizenden duizendtallen; 12 en zij riepen luid:

‘Waardig is het Lam dat geslacht werd, te ontvangen de macht en de rijkdom, de wijsheid en de kracht, en eer en heerlijkheid en lof.’

13 En elk schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde en in de zee, het ganse heelal hoorde ik roepen:

‘Aan Hem die gezeten is op de troon en aan het Lam zij de lof en de eer en de roem en de kracht in de eeuwen der eeuwen!’” (Opb 5:11-13 WV78)

Wij mensen kunnen Gods aangezicht niet zien vanwege onze onreinheid door de zonde (Exodus 33:20). Dat engelen dat wel kunnen, houdt in dat zij zonder zonde zijn en dus volmaakt (vergelijk dit met Christus Jezus in Hebreeën 7:26).

“ Zulk een hogepriester hadden wij ook nodig: een die heilig is, schuldeloos, onbesmet, afgescheiden van de zondaars, hoog verheven boven de hemelen;” (Heb 7:26 WV78)

Vervulling van Gods belofte

God zendt engelen uit als zijn betrouwbare dienaren ten behoeve van mensen. Zij doen voor Hem vele taken in verband met de voltooiing van zijn scheppingswerk en zijn heilswerk ten behoeve van mensen. Het uitzenden van zijn Geest kan daarom ook betrekking hebben op het zenden van een engel, in wie God zijn macht en kracht legde:

“Toen riepen wij tot de Here, en Hij hoorde onze stem, zond een engel en leidde ons uit Egypte”. (Numeri 20:16)

“In al hun benauwdheid was ook Hij (God) benauwd, en de Engel van zijn aangezicht heeft hen gered”. (Jesaja 63:9)

“… u, die de wet ontvangen hebt op beschikking van engelen”. (Hand. 7:53)

“Ik ben Gabriël, die voor Gods aangezicht sta, en ik ben gekomen om tot u (Maria) te spreken en deze blijmare te verkondigen”. (Lucas 1:18-29)

Een voorbeeld van het uitzenden van engelen ten dienste van hen die het heil zullen beërven, vinden we in het leven van de Heer Jezus. Na de verzoeking in de woestijn dienden engelen hem (Mattheüs 4:11). Maar al eerder in zijn leven waren zij werkzaam om te zorgen dat hem niets overkwam, voordat de bestemde tijd was gekomen (Mattheüs 2:13). Dit zijn vervullingen van Gods beloften in Psalm 91:

“Aan zijn engelen zal Hij opdracht geven aangaande U, en op handen zullen zij u dragen, opdat U uw voet niet aan een steen stoot”. (Mattheüs 4:6; Lucas 4:10; Psalm 91:11-12)

Maar ook anderen hebben de vervulling van Gods belofte van bijstand ervaren, door de nabijheid van engelen, op momenten dat er menselijkerwijs gesproken geen redding meer mogelijk was:

“De engel van de Here legert Zich rondom wie Hem vrezen, en redt hen”. (Psalm 34:8)

“… zij die bij ons zijn, zijn talrijker dan zij, die bij hen zijn … en zie, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa”. (2 Kon. 6:15-17)

“Maar een engel van de Here opende ’s nachts de deuren van de gevangenis en leidde hen naar buiten…”. (Hand. 5:19; vergelijk 12:7 en Daniël 6:23)

Soms moeten zij destructief werk doen, om de vervulling van Gods plan voortgang te kunnen laten vinden. Want wanneer God dit niet zou doen, zouden zijn kinderen ten onder gaan door het geweld van hun vijanden. De tijd van Noach laat dit duidelijk zien. Zij redden gelovigen uit de macht van de ongelovigen of straffen ongehoorzamen.

“Hij zond tegen hen zijn brandende toorn, verbolgenheid en angstwekkende gramschap, een schare van verderfengelen” (Psalm 78:49; vergelijk 1 Kron. 21:12 en 15; 2 Sam. 24:16-17).

Het werk van de engelen zal in ieder geval doorgaan tot de wederkomst van Christus Jezus uit de hemel. Hij heeft hen van God tot zijn beschikking gekregen om hem te helpen Gods wil uit te voeren, zoals mensen wakker roepen uit hun doodsslaap:

“…bij de openbaring van de Here Jezus van de hemel met de engelen van zijn kracht”. (2 Thessalonicenzen 1:7)

“En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere”. (Mattheüs 24:31)

“De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Koninkrijk verzamelen al wat tot zonde verleidt”. (Mattheüs 13:41)

Hun werk ten behoeve van het heil van mensen zal waarschijnlijk in grote lijnen ten einde zijn gekomen, wanneer het Koninkrijk van God op aarde is gekomen. Want dan zullen er mensen zijn die volmaakt en onsterfelijk zijn geworden als de engelen, en dus op dezelfde wijze werk voor Christus kunnen doen als de engelen voor God.


Vraag ter overdenking:

Denkt u dat het mogelijk is dat engelen hebben gezondigd?


+

Voorgaande

Fundamenten van het Geloof: De lankmoedigheid van God

Fundamenten van het Geloof 2: De levende en waarachtige God

Fundamenten van geloof 3: De Persoonlijkheid van God

De Verzoendag (Jom Kippoer)

een afbeelding van het ware, Maar In De Hemel Zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen….. (Hebreeen 9:24).
Het bestaan en de werkelijkheid van het hemelse heiligdom wordt in zowel het Oude als het Nieuwe Testament onmiskenbaar bevestigd.
De betekenis van ‘gezeten zijn’ in de zin van de bediening van bemiddelaar wordt in het bijzonder in Hebreeen 8:1-2 uitgelegd.
Hier wordt Christus voorgesteld als de ‘Hogepriester… gezeten…  aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen: de dienst verrichtende in het heiligdom, in de ware tabernakel’. Door middel van zijn bemiddelende dienst houdt Christus de kerk staande.
Dit gedeelte gaat het verstand van uitleggers van het boek Hebreeen te boven.
Er is een onmiskenbare zinspeling op de Verzoendag (Jom Kippoer)!!!
Hoofdstuk 13 van het boek De Najaarsfeesten (pag. 260-282)

– Martin Rozestraten

++

Aanvullend

  1. Het scheuren van het voorhangsel
  2. De Wederkomst en de Eindtijd #5 De Verlosser uit de hemel
  3. Understanding The Atonement

+++